Verbindingen van Ameland met het vaste land

De verbindingen Ameland en Schiermonnikoog

De verbinding met het schitterende idyllische Noordzee-eiland Ameland is de laatste jaren nogal wat veranderd en verbeterd. Zo vertrekken er uit Groningen en Leeuwarden regelmatig bussen die aansluiten op het vertrek van de veerboot naar Ameland. Men is niet meer afhankelijk van het tij. Zo worden er elk jaar tussen de veertig- en vijftigduizend vakantiegangers door Wagenborg Passagiersdiensten overgezet. Vroeger was dit wel even anders. Toen was men wel afhankelijk van tij, weer en wind. Zelfs de winters bemoeilijkten de overtocht, hoewel dit bij een uitermate strenge winter nog wel eens zou kunnen gebeuren.

Hoe voor 1840 de verbindingen waren geregeld, is niet geheel na te gaan. Van een geregelde dienst was beslist geen sprake, dat is wel zeker. Er voer een veerschip op Amsterdam, een op Dokkum en een op Harlingen. Per gelegenheid ging men ook wel naar de Zwarte Haan, een klein plaatsje aan de Friese kust. Maar ook wel naar Holwerd, de tegenwoordige aankomst- en vertrekplaats.

Al deze schippers vervoerden niet alleen vrachtgoed en vee, maar ook passagiers. Zij namen ook brieven en

mondelinge boodschappen aan, zorgden voor bestelling en brachten het antwoord mee terug. Omstreeks 1840 begonnen een paar schippers te Nes een dienst op Holwerd. Ze waren in het bezit van twee schepen, en om de beurt voeren ze, de een naar Dokkum, waarmee een week gemoeid was; de ander dagelijks naar Holwerd.

Zo verpachtte Rijkswaterstaat in 1848 het alleenrecht voor de ,oeververbinding Holwerd-Ameland aan de heren C.C. Colmer en G. Toren. Maar daarover straks meer.

In 1850 werd de dienst uitgebreid tot een keer per dag. Dit zou je een poging kunnen noemen tot het onderhouden van een geregelde veerdienst op Holwerd. Op vele dagen werd echter geen dienst onderhouden, wegens ijsvorming, weinig water en windstilte. Zelfs werd nogal eens een getij op het wad doorgebracht.

De overtocht vanaf Nes moest steeds bij opkomend water plaatsvinden en wel2Yz of 2 uur vóór hoog water en een half uur vóór hoog water van Holwerd, omdat dan nog voor hoog water de hoogste zandplaat kon worden genomen.

De afvaart van Nes geschiedde vanaf de oever, meest ter hoogte van de Leijesloot, ten oosten van Nes (nabij de huidige oude aanlegsteiger) en te Holwerd werd aangelegd in "de hals" bij het dijkhuis (dat er nu nog staat, voordat men de dijk passeert), of bij minder water aan de Ternaarder zeedijk.

Later vervoerden deze schippers ook de post en werden van toen af "postschippers" genoemd.

Verbindingsdam

In 1870 werd begonnen met de aanleg van een verbindingsdam, waartoe concessie was verleend aan de Mij. tot Landaanwinning op de Friese Wadden. Als richting werd gekozen een lijn van de Buregrie ten oosten van Buren naar de zeedijk te Holwerd, even ten oosten van het Dijkhuis. Rijk en Provincie gaven elk f 200.000,- subsidie. Het werd de bekende "Teding van Berkhout" dam. in 1879 kwam de verbinding tot stand in de vorm van een lage dam, hoogstens 1 meter boven de wadbodem. Na ernstige beschadigingen sloegen in 1882 zulke grote en diepe gaten in de dam, dat herstel niet meer mogelijk werd geacht. Het werk werd gestaakt en in 1903 verviel de concessie, nadat door de landaanwinning mij . in 1882 nog een looppad, breed 1 meter, was aangelegd over het gedeelte vanaf de zeedijk onder Holwerd. Een lengte van ongeveer 980 meter.

Op het zee-einde van dit pad werd een kleine steiger gemaakt voor het aanleggen van het postschip. De Mij. ontving van het Rijk voor deze werkzaamheden een som van

f 10.990,-. Het Rijk betaalde aan de Mij. nog een vergoeding voor de

gemaakte werken en de daar aanwezige steen, geraamd op 13000 stuks, groot f 12.425,-.

De basaltsteen, ook wel stortsteen, is n in de loop der jaren voor een groot b gédeelte weggehaald en gebruikt voor verbetering van de Rijksveerdam te Holwerd en de oeververdediging langs de Zuidkust van Ameland.

In 1889 werd te Nes een veerdam gemaaid ter lengte van 240 meter, voorzien van glooiingen van basaltzuilen. De kruin bad een breedte van 2 meter en bet zee-eind was een ronde kop, waarop een boerenwagen kon draaien. Aan de west- en oost. zijde van de kop werd een bouten bruggetje met 2 vloeipalen gemaakt.

De aanlegbruggetjes waren 2 meter breed. De kosten bedroegen, f 10.113,-. Te Holwerd werden in t 1920-1924 en 1928-1929 de dam en l steigers uitgebreid en te Nes in 1921 I en 1928-1929.

Deze verbeteringen bestonden in hoofdzaak uit het verbreden van de rijbanen, het maken van uitwijkgelegenheden en voetpaden, het gedeeltelijk verhogen van de dammen, het vergroten van de aanleggelegenheden en het plaatsen van remmingswerken, vloeipalen en hanepoten. Aan de houten steigers en de remmingspalen was uiteraard veel onderhoud. Bij stormvloeden en vooral bij ijsgang, was de schade vaak zeer ernstig. Toen dan ook in de winter van 1947 de houten steigers door ijsgang grotendeels waren vernield, (de ouderen onder ons herinneren zich dit nog wel) en weer een vergroting van de verkeersruimte op de koppen nodig was, besloot men geen houten steigers meer te maken maar rechthoekige plateaus, rondom opgesloten tussen betondamwand. Zo werd het plateau te Holwerd 75 meter lang en 30 meter breed en te Nes 60 bij 20 meter. Aan het voeteinde van de veerdammen werd een parkeerterrein gemaakt. De kruin van de dam te Holwerd werd 3.40 meter breed, de rijbaan 2.40 meter, en het voetpad, dat 10 cm. hoger ligt, 1 meter breed. Op de kruin van de dam te Nes kwam een rijbaan, breed 2.30 meter en een voetpad, breed 2 meter, dat evenals dat te Holwerd 10 cm. boven de rijbaan ligt.

Misschien zijn er nog wel vakantiegangers, die zich de tocht die met de bus over deze pier gemaakt werd, wel herinneren. Het leek alsof je zo de ploemperd in reed, en als het boog water was en je kon eigenlijk de pier niet over, dan gingen de sokken en schoenen uit en zo werd dan naar de dijk gelopen. Mocht het gebeuren, dat er toevallig nog een bus voorbij reed, dan bestond de mogelijkheid dat men toch nog nat de dijk bereikte.

Het materieel waarmee men van Holwerd naar Nes werd vervoerd bestond in de jaren vijftig uit de motorboot" Waddenzee" waarop ruim 300 passagiers vervoerd konden worden en 10.000 kg. vrachtgoed. Verder de vierkante motorboot "Friesland" die 800 passagiers kon vervoeren alsook een 100-tal rijwielen en 10 ton vrachtgoed, de motorbarkas "Ameland", goed voor 85 passagiers, een enkele fiets en een weinig vrachtgoed en tenslotte de motorbarkas "Borndiep" die een zelfde capaciteit had als de "Ameland".

In het hoogseizoen werd nogal eens een klipper of tjalkschip ingezet, die vrachtgoed en zo nodig fietsen overbrachten.

Eveneens in het hoogseizoen is de kapitein niet altijd in staat gedurende de korte overtocht aan krioelende vakantiegangers geregeld zijn kaartjes uit te reiken. Daarvoor werd tijdelijk een houten huisje op de kop van de veerdam te Holwerd geplaatst, waarin een verkoper de reizigers bedient. Bij de kop is dan tevens een houten toiletgebouwtje boven water aanwezig voor de hoogste nood bij het publiek.

Hofmeester

Omstreeks 1921 kwam aan boord van de veerboot "Waddenzee" voor het eerst een hofmeester, waardoor het mogelijk werd koffie, thee en versnaperingen te serveren. De veerboten werden onder toezicht van de

Rijksscheepvaartinspectie gesteld en er kwamen voldoende noodrantsoenen aan boord om, bij een onverwachte overnachting op het wad, deze aan de passagiers 'tegen kostprijs beschikbaar te stellen. .

Omstreeks 1933 ontstond enige verontdieping van het slik voor de kop van de veerdam te Holwerd, die door ontgraving bij laag water kon worden opgeruimd. In 1938 waren op de "Piet Scheveplaats" de mosselpollen zo hoog (15 àà 25 cm.), dat de boten daarvan hinder kregen. Bij laag water werd een bepaalde breedte in de vaarroute afgebakend en een visser met een motorbotter uit Harlingen voer er bij hoog water gedurende enkele getijden met de sleepkor overheen en trok de mosselbanken uit elkaar waarbij de specie dermate voldoende over de plaat werd verspreid, dat dit euvel was bedwongen.

In 1959 werd te Nes een nieuwe, langere pier gebouwd, naast de bestaande oude korte pier, waardoor het mogelijk werd niet meer op tij te varen maar op een vaste tijd. Zo kon er regelmatig twee keer per dag worden gevaren, en in bepaalde situaties zelfs drie maal.

De veerboten

Tot 1901 was de dienst geheel aan particulieren overgelaten en werd de dienst uitgevoerd met een zeilscheepje van ongeveer 35 ton, dat ruim 20 passagiers kon vervoeren. De overtocht duurde onder normale omstandigheden 2 àà 3 uur. Bij tegenwind, storm, mist en lage waterstanden veel langer. Ook al door de gebrekkige aanlegplaatsen was het laden en lossen bij slecht weer en ook bij weinig water erg bezwaarlijk. Men moest dikwijls van de sloep gebruik maken om aan wal te komen. Ook werden wel overtochten gemaakt zeilende per sloep, of bij windstilte geheel roeiende. Ook werd er nog wel eens een overtocht op eigen gelegenheid gemaakt per .zeil- of roeiboot; als men er f 10,- .voor over had, waren er meestal wel een paar jonge mannen te vinden die de reis durfden te maken.

In 1901 kwam de eerste motorboot. Het vaartuigje kon 100 personen vervoeren, 12000 kg vracht meenemen en kon onder normale omstandigheden de overtocht in 1½ uur volbrengen. Het werd op 1 november 1901, onder bepaalde voorwaarden, ter beschikking van de postschippers Colmer en Toren gesteld.

In het boekje " Van Postschip tot Veerboot" vermeldt Durk Th. Reitsma: "Dat Ameland alleen dáár een toekomst zou hebben als de verbindingen met het eiland verbeterd zouden worden". Hij vermeldt dan, dat er ook nog in 1882 een poging werd ondernomen door de heer Sur Mühlen, die met een plan kwam voor de exploitatie van een stoombootdienst. De begroting, die het Rijk kreeg voorgeschoteld, vertoonde echter reeds een tekort van ruim f 1900,-. Uiteraard was het antwoord van het Rijk om het tekort aan te vullen: "Nee!" Ook pogingen van burgemeester Van Heeckeren liepen op niets uit.

Maar eindelijk was het dan zover; in 1901 voer het eerste motorbootje met een geregelde dienst op Ameland, zodat ook het badleven, in die tijd goed van de grond kwam onder krachtige leiding van burgemeester H. Kuipers.

Naar aanleiding van een bericht in de Bergumer Courant in januari 1902 van de "Ring predikanten" die regelmatig naar Ameland moesten voor een preekbeurt, en zich niet zo vol lof over deze verbinding uitlieten, reageerde burgemeester H. Kuipers als volgt: "In verschillende couranten las ik een berichtje, door alleen uw blad overgenomen, naar aanleiding waarvan ik voor het volgende plaatsruimte vraag.

De inzender van het artikeltje, waarin vermeld wordt, dat aan een predikant van den ring Holwerd op zijne reis ter vervulling van eene vacature-beurt op Ameland een ongeval overkwam, zegt dat de reisgelegenheid naar het eiland er iets op is verbeterd sedert de petroliummotor het zeilschip heeft vervangen, en dat een deel van het overstroomde strand steeds niet bevaren kan worden. Daartegen wensch ik op te komen. Ik stel het voorheen naast het thans; de lezer oordele zelf.

Voorheen: Overvaart in één getij steeds onzeker.

Thans: Heen- en terugvaart in 1½ uur ieder.

Voorheen: Aankomst aan den steiger - uitzondering. Op de ree blijven, overstappen in eene roeiboot - regel. Of bij 't verlopen van het getij in een ongunstige geval, dames op den rug van den schipper, heeren tot de knieën door het water.

Thans: Aankomst aan den steiger - regel. Op de zee blijven - hooge uitzondering. (het persberichtje bespreekt het eenige geval, dat na den verbeterden toestand passagiers aan den wal zijn gedragen en juist het varen op dien dag pleitten sterkste voor den motor, want het schip had toen den reis in 't geheel niet kunnen doen; de overvaart werd volbracht bij val/end water.)

Voorheen: Uren wachten op den dijk te Holwerd op de aankomst van het schip.

Thans: Wachten onnodig, de vaart zeer geregeld.

Voorheen: Verblijf in 't schip, klein, donker en rokerig.

Thans: Zeer comfortabele kajuiten, goed verwarmd en verlicht, onderscheiden in rooken en niet rooken. (dus ook 100 jaar geleden hield men al rekening met de rokers en niet rokers!!! JAB.)

Voorheen - doch waartoe meer? Ik meen voldoende te hebben aangetoond, dat de reisgelegenheid niet iets, doch, enorm is verbeterd. Deze mag dan ook voor niemand een beletsel zijn een bezoek te brengen aan het zoo schoone en vriendelijke eiland Ameland met zijn prachtige duinen en onovertroffen strand, dat - en dit voor den inzender van het berichtje - aan de zuidzijde evenwel tevergeefs wordt gezocht. Met dankzegging,

Hoogachtend, H. Kuipers. 22.2.1902".

Met de laatste zin doelde Kuipers op hetgeen de inzender van het stukje schreef over het " overspoelde strand", en dat is inderdaad niet aan de zuidkant te vinden.

Wij verlieten u de vorige keer met de vermelding van een reactie van de toenmalige burgemeester van Ameland, de heer H. Kuipers, op een artikel in de Bergumer Courant, waarin de zg. Ring Predikanten, die regelmatig Ameland bezochten voor een preekbeurt, zich niet al te happy betoonden met de verbinding tussen eiland en vaste wal.

Burgemeester Kuipers weerlegde die kritiek door o.m. te wijzen op de geregelde vaart, comfortabele kajuiten, aankomst aan de steiger enz. (wij schrijven dan begin 1900). Hij eindigde met te zeggen, dat de reisgelegenheid enorm was verbeterd en deze voor niemand een beletsel mocht zijn om een bezoek te brengen aan het "zoo schoone en vriendelijke eiland Ameland met zijn prachtige duinen en onovertroffen strand" .

Het eerste bootje, waarmee die reis gemaakt kon worden, kreeg de naam "Ameland 1" en het maakte zijn eerste reis op 8 november 1901. In 1904 werd het vaartuig van de heer Van Rennes aangekocht (de toenmalige eigenaar) door Rijkswaterstaat. Het deed dienst tot 1913 en werd in 1914 voor de sloop verkocht. Durk Th. Reitsma meldt in zijn boekje "Van postschip tot veerboot": "In 1913 sloeg de Ameland 1 tijdens een hevige storm los van de veerdam. te Nes en vervolgens over de restanten van de oude verbindingsdam ten zuiden van Buren. De schade aan de Ameland 1 was zóó groot, dat besloten werd om het schip voor de sloop te verkopen" .

In 1903 werd begonnen met de maandelijkse staten op te maken, waarin werden genoteerd de tijdstippen van afvaart en aankomst te Nes, hetzij met motorboot, zeilschip of roeiboot, de vervoerde aantallen passagiers en vee per overvaart.

Als de schippers zonder gebruik te maken van extra personeel voeren, kregen ze per overtocht een vergoeding van ƒ1,-. Er werden 7 aanleg- en afvaartplaatsen genoemd, t.w. te Nes: steiger, oever en rede en te Holwerd: steiger, dam, Oosterdijk en Westerdijk. De overtocht met de motorboot heen en - terug duurde normaal 3½ uur; met het zeilschip duurde het meestal een half uur langer. Maar er werden ook toen al vlugge reizen gemaakt. als bijzonderheid staat eens vermeld: "In 2 uur, 22 min. de reis heen en terug gemaakt". Sinds de "Sier" en de "Oerd" in de vaart zijn duurt de tocht weinig langer dan 2 uur, heen en terug. Het kwam echter nogal dikwijls voor, dat men wegens het verlopen van het getij op de rede moest ankeren. Post en passagiers werden dan met een roeiboot aan de steiger gebracht. Ook kwam het nogal eens voor, dat met storm niet gevaren werd. De motor van de "Ameland 1" was maar 40 pk. en tegen de storm kon men het niet bolwerken.

In 1904 werd de bediening van het veer openbaar aanbesteed. Met ingang van 1 januari 1907 werd ook de veerdienst op Schiermonnikoog met die -op Ameland contractueel gecombineerd.

Van 1904 af komt op de maandelijkse staten een kolom voor: "Vastgestelde tijdstippen van vertrek", en er zal dus een dienstregeling uitgegeven zijn. Voordien voer men op de Enkhuizer Almanak en moest men vragen bij de schipper, wanneer er de volgende dag zou worden gevaren. De dienst werd vrijwel geregeld uitgevoerd, al werd ook nog al eens het zeilschip gebruikt.

Vooruitgang met Ameland 2

Toen in 1907 de "Ameland 11" in de vaart kwam, was dit een grote vooruitgang. Men had toen immers de beschikking over twee motorboten.

In 1930 werden de motoren vervangen door 2 Bronsmotoren, gemaakt in Appingedam, en werden de masten verwijderd. Door een bominslag werd de boot op 31 mei 1940 grondig vernield en voor de sloop verkocht voor f 490,-.

Sedert 1 januari 1934 is het veer verpacht aan de N. V. Mij. tot Expl. van Noordzeebaden en Wagenborg's passagiersdiensten te Delfzijl, welke maatschappij van 1921 af de veerdienst reeds had geëëxploiteerd als aanneemster (zie de boekjes van Durk Th. Reitsma, "Van postschip tot veerboot" 1985 en "Twee witte banden" 1987).

Na de eerste wereldoorlog Dam bet personen vervoer naar Ameland sterk toe. Er werd besloteD eeD nieuwe veerboot in de vaart te breDgeD. ID september 1921 kwam dit vaartuig gereed eD werd oDder de naam "WaddeDzee" iD dienst gesteld, die tot 1969 dienst beeft gedaan. De boot kOD oDgeveer 320- persoDeD vervoereD, eD er konden auto's mee vervoerd worden. Het schip bad 2 grote kajuiten en een deksaioD. De zitbaDkeD waren met leerdoek bekleed.

Omstreeks 1922 werd door de aanneemster in de plaats van de voerman met de hittewagen te Holwerd een vrachtauto-ondernemer geëngageerd voor het halen en brengen van bagage en goederen van en naar de boot, die ook op Leeuwarden ging rijden. Vooral voor vakantiegangers, die vaak zeer veel bagage hadden, was dit een uitkomst.

In 1939 werd op grond van een bepaling in de overeenkomst de motorbarkas "Agger" in dienst gesteld. Dit bootje had een lengte van 15 meter, een diepgang van 0.40 cm. en kon 55 personen vervoeren. Kosten van het bootje f 7.000,-. Toen in 1946 de motorbarkas "Ameland" in de v.aart kwam, ging de "Agger" naar Schiermonnikoog.

Door het toenemende verkeer kwam het in het hoogseizoen wel voor, dat met 2 soms 3 boten gelijkertijd van Nes werd afgevaren. Bij aankomst te Holwerd stond daar de steiger vol vakantiegangers bestemd voor Ameland, zodat het daar bijna onmogelijk was de stroom vakantiegangers behoorlijk te verwerken.

In 1933 werden met het oog hierop kruisdiensten ingesteld. Er lag dan te Holwerd een boot gereed, die de aankomende passagiers. opnam en vandaar vertrok, als de andere boot, die te Nes lag, ook vertrok. Halverwege passeerde men elkaar, en na gelost te hebben keerde elk naar het vertrekpunt terug.

Men heeft deze vaarmethode enkele jaren volgehouden, maar het voldeed niet aan de verwachting, en toen de steiger te Holwerd was uitgebreid heeft men de oude methode maar weer opgenomen.

Er waren in het hoogseizoen maar enkele momenten, dat de boten "Waddenzee" en "Brakzand" het vervoer niet aankonden. Hier werd in voorzien door de "Barkas" en de "Ameland" ook in te zetten. Het vervoer nam echter steeds toe. Vooral toen op Ameland de bouw van zomerhuisjes (die in 1921 een aanvang nam), een steeds grotere toename had.

Autobus doet zijn intrede

Op Ameland deed ook het autobusverkeer zijn intrede, en de reizigers werden van de veerdam naar de betreffende dorpen en badmogelijkheden gebracht, met voor die tijd moderne vervoermiddelen. Ook vanuit Groningen rijden sedert 1925 in de zomer bussen op de bootdiensten, hetgeen het bezoek aan Ameland heel wat heeft vergemakkelijkt. Vroeger moest men in een lokaaltreintje van Leeuwarden naar Holwerd reizen, en men moest te Holwerd vaak uren wachten. Het treintje reed namelijk niet op de bootdiensten, en vanuit het station Holwerd moesten de reizigers maar zien, hoe ze bij de boot kwamen. Veelal ging dat te voet, al was er soms een hondenkar die de zwaarste bagage kon meenemen.

Toen de veerdam 2 meter werd verbreed, kon daarover een vrachtwagentje rijden. Later was er bij het station een busje, en een kleine autobus voor de reizigers naar Ameland. Maar het wachten bleef. Toen eenmaal de autobussen het personenvervoer rechtstreeks naar de aanlegplaats verzorgden, was dit een grote verbetering voor de reizigers naar Ameland, tot uiting komend in het toenemende aantal reizigers en het steeds groter worden van de autobussen. Met als gevolg een te kleine steigerruimte. Dit is doorgegaan tot 1940. Het personenvervoer bedroeg in 1939 ruim 40.000.

Van de oorlogsjaren valt niet veel goeds te vertellen. In de eerste wereldoorlog kwam ook nogal wat stagnatie voor. Zo werden ruim 20 diensten niet uitgevoerd wegens mijnengevaar. En om dezelfde reden werd in het donker niet gevaren. Wegens motorbrandstofschaarste werd nogal eens gebruik gemaakt van een zeilschip. In mei 1918 werd er zo weinig olie beschikbaar gesteld, dat er steeds een beroep werd gedaan op het zeilschip. Alleen bij volkomen windstilte werd gebruik gemaakt van de motorboot. Eerst in maart 1919 kon er weer dagelijks met de motorboot gevaren worden. In de tweede wereldoorlog was de brandstofvoorziening beter, omdat de bezetter zelf veelvuldig van de veerdienst gebruik moest maken.

Bombardement vernielt steiger

Op 11 mei 1940 moesten de beide motorboten op order van de Nederlandse militairen naar Terscbelling worden gebracbt. Na de kapitulatie kwamen ze terug en van 17 mei 1940 af werd weer dagelijks gevaren. Doch er waren geen dubbele diensten en geen autobusverbindingen met Groningen en Leeuwarden. Op 1 juni werd de "Ameland ll" aan de steiger te Nes door een Engels vliegtuig gebombardeerd. De boot werd grondig vernield, alsook een gedeelte van de steiger. Van de "Waddenzee" werden alle ruiten vernield, en een deuk in bet voorschip.

De "Waddenzee" ging naar de werf, de "Agger" deed een gebele maand dienst, en kwam zelfs eenmaal met 83 passagiers te Nes aan. Op 27 augustns moesten alle vreemdelingen binnen 24 uur bet eiland verlaten.

De barkas voer geregeld extra voor de bezetter, maar vanaf november werd er niet bij donker gevaren. De steiger te Nes werd steeds in beslag genomen door schepen, welke materialen voor de Duitse weermacht aanvoerden. Er was dan ook voor de veerboot dikwijls geen plaats aan de steiger te vinden. In de winter van 1942 werd de kopsteiger door het ijs vernield. Om de materialen te redden werd de rest afgebroken. Het bomgat bleef open liggen en er was dan ook maar een klein gedeelte van de steiger bruikbaar.

De " Waddenzee" moest naar de werf voor versterking van het achterdek. Maar het toegestane gewicht voor vrachtauto's, dat 6.000 kg. bedroeg, werd ruimschoots door de Duitsers overtreden. Men trok er zich niets van aan, zodat men soms vrachtauto's mee liet nemen van 10 ton.

Konkurrerende veerdienst

Vanaf 15 mei 1930 werd een partikuliere veerdienst ingelegd tussen Nes en Holwerd. Op een daartoe gedaan verzoek om van de Rijkssteigers te Nes en Holwerd gebruik te mogen maken, kregen de ondernemers een afwijzend antwoord. De ondernemers, Anne Olivier en Epke van der Geest, voeren met een motorbootje, genaamd "Friesland", en geschikt voor 150 personen. Er is heel wat te doen geweest over deze aangelegenheid. De ondernemers kregen proces-verbaal wegens het aanleggen aan de Rijksveerdam. Er verschenen stukken in de kranten en er werden op Ameland veel gesprekken gevoerd over het voor en tegen van een konkurrerende veerdienst. De toenmalige minister van Waterstaat, mr. Reijmer, heeft er zelfs een reis voor naar Ameland gemaakt, vergezeld door de Directeur Generaal van Rijkswaterstaat, de Commissaris van de Koningin, de betrokken Hoofdingenieur-Directeur en Arrondissementsingenieur en de Hoofdingenieur van de Provinciale Waterstaat.

Er werd te Nes bij deze gelegenheid aan verschillende personen een audiëntie verleend. Aan de konkurrerende ondernemers werd meegedeeld, dat er' tegen de voortzetting van dit veer, ook in de toekomst, geen bezwaar bestond, als. ze maar een andere aanlegplaats kozen. Door ambtenaren van Rijkswaterstaat was hen al aangeraden tussen Ballum en de Zwarte haan te gaan varen. Door de Minister werd hen dit nog eens aanbevolen en gezegd, dat de veerdienst Ballum-Zwarte Haan geheel onafhankelijk zou kunnen worden. Hierna vertrokken de hoge gasten weer naar huis. In 1932 werden de Rijksveerdammen te Holwerd en Nes opgenomen in het Rijkszeewieringen reglement. Zij werden afgesloten en het aanleggen door andere dan Rijksvaartuigen werd niet toegestaan. Alleen personen in het bezit van een geldig vervoersbewijs voor het Rijksveer werden toegelaten. (Meer over deze geschiedenis kunt u lezen in de uitgaven vari Durk Th. Reitsma, "Van Postschip tot veerboot" en "Twee witte banden".)

Zo is in de loop der jaren de vaarroute Holwerd-Nes aanzienlijk verbeterd, door de doorgraving. van de Piet Scheveplaat en. door de verlenging van de pier te Holwerd in 1955 en de bouw van een nieuwe pier te Nes in 1959. Met de opening :van de nieuwe pier begon een nieuwe dienstregeling, waarbij de afvaart tijden onafhankelijk van het tij waren bepaald. Hoewel bij laag water, sommige afvaarten een stipte naleving van de dienstregeling in de weg stond.

Ten slotte wil ik u er nog op attent maken dat de tot nu toe oudste verbinding over het Wad heen en terug te voet werd afgelegd. Een van deze Wad-pioniers was de bekende Hollumer predikant Ds. D. van Dijk. Hij heeft menigmaal de overtocht Holwerd-Ameland v.v. te voet afgelegd.

Meer Amelander Historie:

Vrienden worden van stichting 'De Ouwe Pôlle'

Steun onze stichting 'De Ouwe Pôlle' als vriend. Vanaf 18,50 euro ontvangt u 3 x per jaar het blad 'De Pôllepraat' en steunt u onze activiteiten en musea! Met uw bijdrage maken we ons sterk voor de Amelander cultuurhistorie en erfgoed!