Amelander kinderspelletjes

Bekijk dit overzicht van Amelander kinderspelletjes:

'ambacht, (W) s. ut. Ambacht; ambacht. Stomme -, kinderspelletje waarbij een van de deelnemers een beroep uitbeeldt dat door anderen moet worden geraden; degene die het beroep het eerste raadt, mag vervolgens uitbeelden, enz. → koäning (Dach koäninkje).

bakke'leie, v., bakkeleide, hêw bakkeleid. 1. Bakkeleien, ruziemaken, vechten; bakkeleie. 2. (O) spelletje spelen, waarbij een opstaande baksteen, staande op een liggend exemplaar, met behulp van een derde (halve) steen van afstand omver moet worden gegooid. → stiënpik.

'batse, v. batste, hêw batst. 1. Gooien, smijten, slaan; batse. Er in -, erop slaan. 2. botsen; batse. Teugenenander an -. 3. (H & Ba) knikkerspelletje, waarbij men elkaars stuiter moet raken om knikkers te winnen; knikkertsjepikke. → bomme­le, knikkerbatse.

'beeldestörm, -[stɔ̈rm] (Bu) s. de. Kinderspelletje, waarbij de deelnemers worden weggeslingerd en in de houding moeten blijven staan waarin ze tot stilstand zijn gekomen. → slingertje.

'blikjetrappe, v., hêw blikjetrapt. Een bepaald kinderspelletje, verstoppertje met verlos, spelen; blikspuit. → ferpikke.

'boäntjesette, v., hêw boäntjeset. 1. Boontjes poten; beantsjesette. 2. oud plaagspelletje bij kinderen, waarbij met duim en vingers een plukje hoofdhaar rondgedraaid wordt.

bok-sta-'fast, s. ut. Bokstavast, bepaald spel voor jongens, waarbij één van de jongens, de bok, voorovergebukt met de handen tegen een boom gaat staan; om de beurt springen de medespelers op zijn rug, steken enige vingers omhoog en vragen: -, hoefeul hoa'nen heste op dien bast; degene van wie de bok het aantal opgestoken vingers raadt, stelt zich eveneens voorovergebukt achter de bok op; daarna springt een volgende speler via de rug van de achterste op de rug van de bok; het vragen en raden herhaalt zich tot alle spelers geraden zijn. → bokjespringe.

'bommele, v., bommelde, hêw bommeld. Knikkerspelletje, waarbij men elkaars stuiter moet raken om knikkers te winnen; knikkertsjepikke, knikkertsjesjitte. → batse.

'boomferwissele, (W) v., hêwwe boomferwisseld. Stuivertjewisselen (aftikspelletje, waarbij de spelers, uitgezonderd één, plaatsnemen bij een boom; men tracht dan rennend van plaats te wisselen en daarbij te voorkomen dat genoemde ene persoon één van de tijdelijk onbezette plaatsen inneemt; een variant is dat men al rennend wordt aangetikt door genoemde ene speler); beamkewikselje.

boom-sta-'fast, (W) s. ut. Spelletje, waarbij de eerste aantikker zich aan een boom of paal moet vasthouden en daarna moet trachten de langs hem rennende spelers met zijn vrije hand aan te tikken; wanneer hij iemand aantikt, dan geeft deze hem de hand en wordt vervolgens aantikker; er ontstaat zo een rij waarbij de buitenste steeds aantikker is; wordt de rij doorbroken, dan geldt het aantikken niet. → krij-me-krij.

'eiskule, v., hêw eiskuuld; 'eiskuile, v., hêw eiskuild; 'eisköle, -[skɔ̈:lǝ] v., hêw eiskööld. Oud volksgebruik met Pasen in Nes, waarbij gebruik werd gemaakt van een kuiltje of een baantje in het zand om eieren langs te laten rollen (dit spelletje werd doorgaans door kleinere kinderen gespeeld). → eirôlle.

fer'los, [fǝ]- s. ut. Spelletje, waarbij een speler gevangenen wordt, die door een nog vrij zijnde medespeler weer kan worden verlost; ferlos.

Potje ferpikt (O), spelterm, inz. bij het blikjetrappen, wanneer de zoeker iemand heeft gevonden, maar niet de juiste naam afroept.

fer'raad, s. ut. Verraad; ferrie(d). - op hopen (N), bepaald kinderspelletje, met als kenmerken op elkaar liggen en herkennen (werd vroeger wel in het schemerdonker gespeeld).

fer'stoppe, [fǝ]- v., ferstopte, hêw ferstopt. Verstoppen; ferstopje. 1. verbergen. → ferberge. Nestke -, kinderspelletje. De kiende's hadde hor in ut hoai ferstopt, de kinderen hadden zich in het hooi verstopt.

goes, (W) pron. Enkele, enkelen; guon, guods. - foar mij, niks foar dij, formule i.v.m. het knikkerspel; degene die dit zegt, begint het spel en mag eerst de knikkerbaan vrijmaken van takjes of andere oneffenheden door deze met de hand weg te vegen, wat een voordeel t.o.v. de andere spelers is. → goëd.

'hinkele, v., hinkelde, hêw hinkeld. Hinkelen, op één been voortspringen (bep. kinderspelletje); hinkelje.

'hoeteboere, v., hoeteboerde, hêw hoeteboerd. Een tikspel spelen (variatie op krij-me-krij), waarbij de eerste aantikker moet trachten met samengevouwen handen de anderen aan te tikken; de medespelers op wie jacht wordt gemaakt, moeten de rij trachten te doorbreken door klappen met de zijdelings opgeheven hand op de aangesloten handen van de tegen­spelers te geven; het spelverloop is verder als bij krij-me-krij. → krij-me-krij.

kam, s. de, -men; -ke (O & W), -tje (O). Kam; kaam. Alles over iën - skeare, alles over één kamscheren, geen onderscheid maken. Un - speule, bij het kruisjassen vijf spelletjes spelen (op papier wordt aan weerskanten van een verticale streep een gewonnen spelletje d.m.v. een liggend streepje aangegeven, onder (Z)ij of W(ij); het gaat erom wie het eerste een kam heeft, die bestaat uit vier liggende streepjes onder elkaar met een diagonaal streepje er doorheen).

'ka'nnewippe, v., ka'nnewipte, hêw ka'nnewipt. 1. Wippen, op de wipplank spelen; wippe. 2. spelletje waarbij twee jongelui, met de ruggen tegen elkaar staande en met de armen in elkaar gehaakt, elkaar beurtelings van de grond tillen.

'knikkerbatse, (O) v., knikkerbatste, hêw knikkerbatst. Een knikkerspelletje spelen, waarbij men elkaars stuiter moet raken om knikkers te winnen; knikkertsjepikke. → batse

'koekhappe, v., hêw koekhapt. 1. Koekhappen (kinderspel); de koek hangt hierbij aan een lijn en de deelnemers moeten bij toerbeurt met een blinddoek voor de koek zien te vinden; vaak worden ze vooraf in het rond gedraaid, zodat ze hun gevoel voor richting kwijt zijn. 2. (W) oud kinderspelletje, waarbij een kind dat jarig was een koek op de mouw gebonden kreeg; de andere kinderen renden de jarige dan achterna en probeerden hem of haar te pakken te krijgen en een stuk uit de koek te happen.

krij-me-'krij, (W) s. ut. Tikspelletje, waarbij de aangetikte spelers, elkaar bij de hand houdend, een rij vormen en zo proberen weer een volgende speler aan te tikken; de buitenste spelers van de rij fungeren als aantikker; degenen op wie jacht wordt gemaakt, mogen proberen de rij te doorbreken. → boom-sta-fast, hoeteloere.

'lânferkope, v., hêw lânferkocht; 'lânferovere, (W) v. (alleen in bet. 2), hêw lânferoverd. 1. (W) spelletje, waarbij een der spelers een stuk­je graszode uitsnijdt en dit weer teruglegt, waarna de anderen dit moeten zoeken. 2. (O) spelletje, waarbij twee spelers proberen grond van elkaar te veroveren door het werpen met een zakmes in het zand; lantsjerove.

'lepelkeslaan, (W) v., hêw lepelkeslagen. Bepaald spelletje spelen, waarbij met ge­bruikmaking van een zweepje een soort pijl wordt weggeslingerd. → piel-en-swiep.

'lesttik, s. ut. Bepaald spelletje, waarbij de laatst aangetikte ach­tervolger wordt bij de volgende spelronde; lêsttikjen.

'lummele, v., lummelde, hêw lummeld. Bepaald balspelletje, waarbij twee spelers de bal naar elkaar overgooien, terwijl een derde die tussen hen in staat, de lummel, de bal moet trachten te pakken.

'meetkeslaan, (W) s. ut. Oud spelletje waarbij men door te gooien met knikkers of centen moet trachten een in het zand getrokken streep zo dicht mogelijk te benaderen. → streekje.

'neuskepikke, v., hêw neuskepikt. 1. Met de neuzen tegen elkaar wrijven. 2. (scherts.) zoenen. 3. kinderspelletje met lucifersdoosje. Hierbij moet met de neus het omhulsel van een lucifersdoosje van andermans neus worden afgehaald.

'pandferbeure, 'pânferbeure, v. Pandverbeuren. Kinderspelletje waarbij ieder iets in onder­pand geeft. De pandhouder neemt ongezien een voorwerp en vraagt op de rij af: Wie sien pand dut is, wat moet die doën. Aangesprokene verzint een (veelal komische) opdracht, die de pandge­ver moet uitvoeren; panferbarre.

piel-en-'swiep, pielen'swiep, (O) s. de. Kinderspelletje waarbij een houten pijl met behulp van een zweep wordt weggeschoten. → lepelkeslaan.

'poate, v., poatte, hêw poat. 1. Poten, planten; poatsje, sette. 2. po­ten. Bij bepaalde spelletjes vaststellen wie de eerste keus heeft. Vanaf een willekeurige afstand zetten twee deelnemers om beurten een voet in elkaars richting. Degene, wiens voet in lengterichting of dwars geplaatst de laatste ruimte vult heeft de eerste keus bij het kiezen van medespelers, speelhelft e.d.; poatsje, trêd­zje.

'poeperot, (W) s. de. Zoek- en aftikspelletje waarbij de spelers met een stok moeten worden aangetikt; krijoanboartsje (mei in stôk). Poep(erot) speule, het spelletje poeperot spelen.

'potjeknikke, (W); 'potjeknikkere, (W); v. Bepaald knikkerspelletje spelen waarbij gebruik wordt gemaakt van een pot; potsjeknikke.

'skâdtikke, (O) v. Kinderspelletje dat wordt gespeeld bij maan- of lantaarn­licht, waarbij de schaduw van de spelers met de voet moet worden aangetikt. → skiënseltrappe.

'skiënseltrappe, (W) v. Kinderspelletje dat wordt gespeeld bij maan- of lan­taarnlicht, waarbij de schaduw van de spelers met de voet moet worden aangetikt. → skâdtikke.

'skuilkeblink, (O & W); 'sköölkeblink, (O); 'skuulkeblink, (W); s. ut. Combinatiespelletje van verstoppertje en tikkertje; skûltsjeblink.

'slingertje, s. ut. Kinderspelletje, waarbij de deelnemers worden weggeslingerd en in de houding moeten blijven staan waarin ze tot stilstand zijn gekomen. → beeldestörm.

'stiënferskoffele, (W) v. Een bepaald hinkelspelletje spelen; kryt­hinkje.

'stiënknikke, (W) v. Een bepaald knikkerspelletje spelen; het stiënknikken is een variant van het potjeknikken waarbij de pot is vervangen door een baksteen.

'stiënpik, (W) s. Oud werpspelletje waarbij over een opstaande baksteen een halve wordt gelegd die met behulp van een mik­stiën moet worden afgeworpen; stientsjedossen, -pikken. → bakkeleie, mikstiën.

II 'streekje, (O) s. ut. Oud spelletje waarbij men door te gooien met knikkers of centen moest trachten een in het zand getrokken streep zo dicht mogelijk te benaderen → meetkeslaan.

'tiepele, [tipǝlǝ] v., tiepelde, hêw tiepeld. Het tiepelspel spelen; tipelje. Het spel wordt gespeeld met behulp van een lange en een korte stok en een kuiltje in de grond. Onderdelen in spelvolgorde: (W) tippe, tiepel, drosker, snoeierom, swabeltje, soldaatje, tipke; (O) oplêch, grouwskot, tip(ke), soldaatje.

tik'mij, (W & N); tik-'tik, (Bu); s. ut. Tikkertje, spel waarbij de deelnemers getikt moeten worden; tikkeboartsje.

'toatebelle, (W) v., hêw toatebeld; 'toatelokke, 'toatlokke, (O) v., hêw toat(e)lokt. Een oud plaagspelletje spelen, waarbij men na het invallen van de duisternis met behulp van de toatebel of toat(e)lokker de bewoners naar buiten tracht te lokken; gleske-, rútsjetikje.

'winkelkespeule, (W) v., hêw winkelkespeuld; 'winkeltjespeule, (O) v., hêw winkeltjespeuld. Winkeltje spelen, door het nabootsen van een winkel als kinderspelletje.

Matje ferovere = met een mes een vierkant uitzetten en dan landjeveroveren. De winnaar had het grootste stukje land. Het mes werd dan om de beurt op knie hoogte in de grond gegooid en in een rechte lijn doorgetrokken. Kan ook op het strand gedaan worden.

Bron: Groat Amelander woa'deboek

Mist er er een Amelander spel in dit overzicht? Laat het ons weten! Stuur de naam en omschrijving van het spel naar info@amelanderhistorie.nl 

 

Aanvullingen:

 'hoekje kiek' (in Ballum): Je moest dan om de school heen rennen zonder dat degene die hem was je zag lopen. Dus bij elke hoek moest je kijken of je kon lopen zonder gezien te worden. Als je gezien werd was je af.

'fechten op pea'den': Dit spel speelden vooral de jongens. Twee jongens gingen op handen en kniëen kruipen en een paarden na doen. Twee andere jongens gingen op hen zitten en stoeiden net zolang totdat de andere van zijn paard afviel.

Vrienden worden van stichting 'De Ouwe Pôlle'

Steun onze stichting 'De Ouwe Pôlle' als vriend. Vanaf 18,50 euro ontvangt u 3 x per jaar het blad 'De Pôllepraat' en steunt u onze activiteiten en musea! Met uw bijdrage maken we ons sterk voor de Amelander cultuurhistorie en erfgoed!

Meer van de Ouwe Pôlle: