Amelander archiefschatten 21: De Waddenpolder bij Ameland (1941-1942)

Archieven stoffig en saai? Zeker niet! In archieven worden unieke historische documenten bewaard die spannende, verdrietige of vrolijke verhalen vertellen. Als historicus speur ik naar Amelander archiefschatten aan de wal samen met Vincent Robijn, opgegroeid op Ameland en nu archiefdirecteur in Overijssel. Vanwege het herdenkingsjaar ‘75 jaar Vrijheid’ gaan we naar het NIOD, het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie in Amsterdam. Wat is hier te vinden over Ameland in de oorlogsjaren? We treffen twee verhalen, die zich toevallig allebei afspelen op het wad. Het ene verhaal is vol ontbering: Amerikaanse piloten proberen te vluchten vanaf een zandplaat bij het eiland. Het andere verhaal is vol berekening: NSB-ers van de wal proberen de Waddenzee bij Ameland droog te leggen. Met dat verhaal beginnen we, de vluchtpoging is voor een volgende editie. 

Door Marieke Robijn-Voorn

 

Het idee om de Waddenzee bij Ameland in te polderen was bepaald niet nieuw. Al in de 17e eeuw begon de Republiek met het scheppen van land uit water, zoals de drooglegging van De Beemster, een binnenzee in Holland. Volgens een ingenieur uit die tijd moest dat ook voor de Waddenzee mogelijk zijn. De man voorzag een weidse polder tussen de eilanden en de Friese kust, maar het bleek onuitvoerbaar. Midden 19e eeuw leefde het idee weer op. De waterbouwkundige techniek was inmiddels zo ver gevorderd, meende men, dat de aanleg van dammen en polders op het wad werkelijkheid kon worden. Ondernemers, ingenieurs en waterbouwkundigen stortten zich op nieuwe plannen. Een van hen, jonkheer Pieter Teding van Berkhout, ging zelfs in een houten keet op Ameland wonen om daar een dam naar de vaste wal te bouwen. Over deze pionier is onlangs een prachtig boek verschenen: Waddenwolf van Corine Nijenhuis. Alle plannen sneefden, de zee was altijd sterker. 

 De strijd tegen het water heeft de geschiedenis van Ameland en de Lage Landen getekend. Prent van een overstroming in Midden-Nederland rond 1850.

De strijd tegen het water heeft de geschiedenis van Ameland en de Lage Landen getekend. Prent van een overstroming in Midden-Nederland rond 1850. 

Amelandsche Polder 

In het voorjaar van 1941 meldde een oudere heer zich bij de Duitse autoriteiten in Den Haag. Het was Samuel ten Bokkel Huinink, in familiekring bekend als ‘Sam met de Grote Plannen’. In zijn jonge jaren was hij succesvol geweest met waterbouwkundige projecten over de hele wereld. Maar nu liep zijn bedrijf al decennia uiterst moeizaam. In de jaren twintig had Ten Bokkel als directeur van de Nederlandsche Betonijzerbouw geprobeerd nationale opdrachten binnen te halen, zoals de aanleg van snelwegen - in die tijd een futuristisch fenomeen - en de bouw van “een afsluitdijk der Zuiderzee”. Zijn plannen vonden bij de Nederlandse staat weinig gehoor. In de jaren dertig werd Ten Bokkel lid van de NSB: nazi-Duitsland had het naar zijn idee wèl begrepen. Na twee jaar zegde hij het lidmaatschap weer op.  

 

Tijdens de Duitse bezetting zag Samuel ten Bokkel Huinink nieuwe kansen. Bij het NIOD vinden we een brief van 13 mei 1941 aan de Nederlandse Bank, gericht aan Meinoud Rost van Tonningen, president van de bank en hooggeplaatste NSB-er. Ten Bokkel schrijft dat hij in Den Haag met de “Oberbaurat en Wasserstrassen-Bevöllmächtigter” heeft gesproken over de “drooglegging van circa 20.000 hectare goede gronden der Friesche Wadden ten zuiden van Ameland.” De Duitse autoriteiten vinden het plan zeker interessant, maar er zijn vragen over de financiering. Graag gaat Ten Bokkel hierover met Rost van Tonningen in gesprek. Al vijfentwintig jaar geleden heeft hij de eerste voorbereidingen voor de drooglegging getroffen. Samen met een aantal heren van stand startte Ten Bokkel in 1917 de Vereeniging Amelandsche Polder. “Met Koninklijke Goedkeuring”, vermeldt hij trots in zijn brief. Voorzitter was de toenmalige president van de Nederlandse Bank, Gerard Vissering. In het bestuur zaten onder andere Anton Kröller, in die tijd een van de rijkste zakenmannen van Nederland, en grootindustrieel Hendrik Colijn, later minister van Financiën en premier. Voor de financiering zou een speciale “Amelander Bank” opgericht worden. Allereerst moest de staat, eigenaar van de Waddengronden, deze aan de Vereeniging in erfpacht geven en vervolgens een concessie verlenen voor de drooglegging. Maar daar was het mis gegaan. De betrokken ministeries werkten volgens Ten Bokkel volkomen langs elkaar heen: “door onderlingen naijver tusschen de beide Departmenten, mede tot nadeel van het landsbelang, bleef de gewenschte samenwerking absoluut ontbreken.” Het voorstel was uiteindelijk door Rijkswaterstaat afgewezen.  

 Plattegrond van een Waddenpolder tussen Ameland en de Friese kust, gevonden bij Tresoar in Leeuwarden. Wie deze kaart getekend heeft, is onbekend...

Plattegrond van een Waddenpolder tussen Ameland en de Friese kust, gevonden bij Tresoar in Leeuwarden. Wie deze kaart getekend heeft, is onbekend...

“Zoo bleef mijn plan onuitgevoerd,” schrijft Ten Bokkel aan Rost van Tonningen, “doch komt het mij voor, dat waar ons land dringend behoefte heeft aan goede gronden en werkverruiming op groote schaal, dat thans in dezen nieuwen tijd, met de zoo welkome regelingen der Duitsche Autoriteiten, een beter resultaat te verkrijgen is.” Rost van Tonningen nodigt hem uit voor een gesprek op het kantoor van de Nederlandse Bank. Kort daarna schrijft Ten Bokkel zich opnieuw in als lid van de NSB. Zijn Waddenplan krijgt uitgebreid aandacht in de partijkrant, het Nationale Dagblad: “Tijdens den oorlog zal dit reusachtige werk niet kunnen worden uitgevoerd, maar men kan het voorbereiden – men m o e t  het voorbereiden, om straks onverwijld aan de slag te kunnen gaan!” Het blad is uiterst positief, ook over de “dertig meter brede autobaan” die in het plan is opgenomen: vanaf Den Helder over de eilanden, langs Groningen naar Duitsland. De uitgestrekte stranden van de Waddeneilanden worden eindelijk voor iedereen bereikbaar: “waar de ‘kleine man’ ook wel eens de zee wil zien.” Dat de Nederlandse overheid het plan in het verleden heeft afgewezen, vindt de NSB eens te meer een bewijs dat Ten Bokkel het bij het rechte eind heeft. Het Duitse bewind zou dit ongetwijfeld ook inzien. 

 

Mussert-polder 

In het archief van het NIOD vinden we een uitgewerkt plan voor de inpoldering van de Waddenzee ten zuiden van Ameland. Een stapeltje netjes getypte vellen uit 1942. Niet in het archief van Meinoud Rost van Tonningen, maar tussen de paperassen van de opperste leider van de NSB: Anton Mussert. Was dit het geroemde Waddenplan van Ten Bokkel? Het is niet ondertekend, er zit geen brief bij. Alleen een plaats is vermeld: Leeuwarden. Ten Bokkel woonde en werkte in het westen van het land, dat is vreemd. Wie stuurde dit plan naar het partijbureau? Op zoek naar nieuwe sporen lezen we een oorlogsanekdote in de Leeuwarder Courant, opgetekend in de jaren zestig. Het Friese verzet had in de oorlogsjaren een NSB-er van de fiets gehaald. Het was Jurjen Koksma, architect en aannemer uit Leeuwarden en commandant van de lokale Weerbaarheidsafdeling. Hij had een kartonnen koker van bijna twee meter achterop zijn fiets gebonden: die namen de verzetsmannen mee, daarna kon Koksma gaan. Uit de koker kwam een enorme tekening, uiteraard “met aandacht door de ondergrondse bestudeerd.” Het bleek een plan voor de inpoldering van de Waddenzee onder Ameland. “Alle diepten waren nauwkeurig aangegeven. En de naam van het drooggelegde gebied? De droge Waddenzee zou ‘Mussert-polder’ moeten heten.” Koksma zou in één nacht een nieuwe tekening gemaakt hebben, zo bezeten was hij van zijn plan. Uiteindelijk was het bij de leider van de NSB beland. 

 Eind 19e eeuw ontwikkelde Wenmaekers uit België een machine die “op volle zee” maar liefst 100 meter dijk per dag zou kunnen aanleggen. Hoe deze wondermachine werkte, hield de Belg geheim. Hier een kaart die hij maakte om te tonen hoe Nederland er na de gezwinde inpoldering van de Waddenzee èn de Zuiderzee uit zou kunnen zien (1883).

Eind 19e eeuw ontwikkelde Wenmaekers uit België een machine die “op volle zee” maar liefst 100 meter dijk per dag zou kunnen aanleggen. Hoe deze wondermachine werkte, hield de Belg geheim. Hier een kaart die hij maakte om te tonen hoe Nederland er na de gezwinde inpoldering van de Waddenzee èn de Zuiderzee uit zou kunnen zien (1883).

Dit moet het plan van Koksma zijn! ‘Beschrijving der Mussert-polder’, heet het archiefstuk voor ons. Doel van de inpoldering: de aanwinst van vruchtbare land- en tuinbouwgronden, bossen en meren, met “blijvende arbeidsgelegenheid voor duizenden en dus levensruimte voor velen.” De aanpak is tot in detail uitgewerkt: het beloop van de dijken, de aanleg van dammen, de ontwatering, de ligging van de wegen en de nieuwe woonplaatsen – drie kleine steden met elk 8000 inwoners – en zelfs een vogelbroedplaats. Het plan biedt ook een “geschiedkundig overzicht”, al lijkt dat wat fantasievol. Volgens oude kronieken waren de Wadden in een ver verleden bewoond. Het gebied tussen Ameland, Terschelling en de Friese kust zou eeuwenlang bij “het oude Vaderland” behoord hebben, totdat de zee het in de Middeleeuwen had verzwolgen: “Geweldige stormen hebben eerst de sterke stinzen en de landerijen op de Wadden verwoest en alles in een open zee veranderd.” De hoogste tijd om deze historische nederlaag op de zee recht te zetten en “alle moeite te doen om ieder verloren gebied terug te winnen.” Nederig verzoekt Koksma “zijn Leider” het plan te willen toetsen.  

 

Zowel Samuel ten Bokkel Huinink als Jurjen Koksma vangen bot. Hun plannen krijgen geen vervolg, ook niet onder het nationaal-socialistische bewind waar zij hun hoop op hebben gevestigd. Ten Bokkel slijt de laatste oorlogsjaren als “rustige oude heer”, zoals buren hem omschrijven. Koksma krijgt via de NSB een aantal opdrachten toebedeeld: hij bouwt bunkers en andere militaire werken voor de Duitsers. Wanneer de kansen in de oorlog keren, stapt hij over naar het verzet, helpt onderduikers en verstrekt inlichtingen aan de Engelsen. In 1945 eindigt de oorlog. Nederland is van de Duitse bezetter bevrijd. In heel het land worden NSB-ers gevangen genomen en berecht. Ten Bokkel overlijdt thuis voor het tot een uitspraak komt. Koksma krijgt zes jaar gevangenisstraf. Hij gaat tegen de uitspraak in beroep, vanwege zijn goede werken aan het eind van de oorlog. De rechter wijst dat af als puur opportunisme. Na zijn straf vertrekt Koksma naar een eiland in de Middellandse zee. De plannen om de Waddenzee bij Ameland in te polderen raken - voorlopig - in vergetelheid.  

Op www.amelanderhistorie.nl vindt u een prachtig overzicht van alle plannen tot aan het begin van de twintigste eeuw: Over Ameland en “daar ligt de dam”, van plannen die niet doorgingen. Met dank aan Henk Zuur en Gert Jan Verbeek, kapitein bij Wagenborg Passagiersdiensten.

Meer van de Ouwe Pôlle: