Amelander archiefschatten 18: de heer van Ameland in een Amsterdamse gevangenis

Archieven stoffig en saai? Zeker niet! In archieven worden unieke historische documenten bewaard die spannende, verdrietige of vrolijke verhalen vertellen. Historicus en archivaris Vincent Robijn speurt samen met zijn echtgenote Marieke, ook historicus, aan de wal naar archiefschatten over Ameland. Soms is één zin voor ons het begin van een nieuwe speurtocht. "De Heer van Ameland in hegtenisse gebragt tot Amsterdam." Een korte notitie in een lange, handgeschreven lijst van uiteenlopende onderwerpen die eind 16e eeuw bij het bestuur van de Republiek der Verenigde Nederlanden ter tafel kwamen. De hechtenis van de heer van Ameland stond eind april 1592 op de agenda. Wat de aanleiding was en hoe het afliep, vermeldt de lijst niet... Dus wij gaan op zoek! 

Door Marieke Robijn-Voorn

 

In het Nationaal Archief in Den Haag vinden we een spoor terug in de tijd. Kennelijk was de hechtenis van de heer van Ameland een zaak van landsbelang: de kwestie werd besproken tot in de Staten Generaal, de hoogste macht van de jonge Republiek. De aanleiding lijkt niet heel opzienbarend: een schip was gestrand op de Amelandse kust en de heer van het eiland, Sicko van Cammingha, beschouwde het als zijn goed recht de lading te confisqueren. De betrokken Amsterdamse kooplieden hadden bij het bestuur van Holland een klacht ingediend en zogenaamde 'brieven van represaille' verkregen. Dat gaf hen het recht de geleden schade op de heer van Ameland te verhalen. Ene kapitein Cater was graag bereid de kooplieden te helpen. Op een voorjaarsdag in april 1592 voer Sicko van Cammingha van de Friese kust naar huis, op weg naar zijn slot in Ballum. Maar de reis werd ruw verstoord: kapitein Cater overmeesterde het schip, nam de heer van Ameland gevangen en voerde hem af naar Amsterdam. Sicko sliep die nacht niet in zijn eigen bed, maar in een Amsterdamse gevangenis. 

Gevangen edelman 

Sicko van Cammingha behoorde tot een bekende familie van Friese adel: al gauw kwam één van zijn verwanten hem te hulp. Een verre neef, Wytze van Cammingha, was een hoge bestuurder in Friesland en deed eind april 1592 zijn beklag bij de Staten Generaal. Hij wilde weten wie kapitein Cater opdracht had gegeven de heer van Ameland gevangen te nemen. Hadden de Staten Generaal hier de hand in gehad? Hoe dan ook, Sicko diende onmiddellijk vrij gelaten te worden uit zijn gevangenis, "als zijnde een edelman". Onpartijdige rechters zouden over de claim van de Amsterdamse kooplieden een uitspraak moeten doen. De Staten Generaal erkenden dat het een ernstige zaak was, "van grootter importantie ende consequentie". Juist daarom wilden ze geen overhaast besluit nemen. Als Cammingha alles op schrift zou stellen, dan kwamen ze er zeker op terug. 

Een week later meldden twee andere Friezen, collega-bestuurders van Wytze van Cammingha, zich bij de Staten Generaal. Opnieuw vertelden ze wat de heer van Ameland was overkomen tijdens zijn reis van Friesland naar huis en overhandigden het relaas dit keer keurig op schrift. De Staten van Holland hadden aan de Amsterdamse kooplieden het recht van represaille verleend. Vervolgens had kapitein Cater op hun bevel gehandeld - tenminste, dat beweerde hij. De reputatie van Cater was niet al te best: een paar jaar eerder had Friesland zich al bij de Staten Generaal beklaagd over deze kapitein, die in tijden van oorlog allerlei handelsverboden aan zijn laars lapte "tot grooten ondienste van den lande". Nu had hij de heer van Ameland, "varende op zijn eigen stroom", overmeesterd en als een misdadiger afgevoerd: een schande.  

Een eerlijk proces 

Wanneer Sicko van Cammingha weer op vrije voeten is gesteld, kunnen we niet precies achterhalen. De Staten van Holland vergaderden begin mei 1592 over zijn hechtenis. Volgens de Hollanders hadden de Staten Generaal zich hier niet mee te bemoeien en Friesland al helemaal niet. Amsterdamse kooplieden waren benadeeld en dus had Holland ingegrepen. Als de heer van Ameland reden tot klagen had, moest hij zich tot hen wenden. De Staten Generaal, waarin alle provincies een gelijke stem hadden, vergaderen een paar dagen later opnieuw over de kwestie. Holland verklaarde dat de represaille tegen Sicko van Cammingha volkomen terecht was; Friesland betoogde dat het niet nodig was zo hard op te treden, "in 't uuyterste rigeur". Uiteindelijk werd men het eens: de zaak zou voor onpartijdige rechters gebracht worden, zoals de Friezen hadden voorgesteld. Beide partijen, de Amsterdamse kooplieden èn de heer van Ameland, zouden een stem krijgen in de keuze van de rechters. We nemen aan dat Sicko van Cammingha na dit besluit vanuit zijn Amsterdamse gevangenis naar de weidsheid van het eiland kon terugkeren, om het proces in vrijheid af te wachten.  

De zaak sleepte zich jaren voort. De jurist Elbertus Leoninus, een befaamd onderhandelaar die eerder bemiddeld had tussen prins Willem van Oranje en het Spaanse Rijk, was door de Staten Generaal op de zaak gezet. Het mocht niet baten. Na vier jaar was het proces nog niet afgerond en vertrok Leoninus als ambassadeur naar Engeland. Hoe lang het daarna nog heeft geduurd, is ons niet duidelijk. In het Nationaal Archief vinden we het dossier over het proces tussen Sicko van Cammingha "ter eenre" en de kooplieden, Gijsbrecht Adriaensz en Jan van Baerle, "ter andere zijde". Het onderwerp: de gevangenneming van de heer van Ameland door kapitein Cater in april 1592. Verklaringen van beide partijen, opgetekend in prachtig krullende handschriften: voor onze ongeoefende ogen helaas onleesbaar geheimschrift. In ieder geval hebben de Staten Generaal in 1596 nog een vervanger voor Leoninus aangewezen, daarna blijft het stil in de archiefstukken.  

Kapitein Cater lag tussen 1590 en 1592 met zijn oorlogsschip bij Ameland. Hier een 16e-eeuws oorlogsschip met volle zeilen op zee, begeleid door een galei.

Kapitein Cater lag tussen 1590 en 1592 met zijn oorlogsschip bij Ameland. Hier een 16e-eeuws oorlogsschip met volle zeilen op zee, begeleid door een galei.  

"Geen meerder vrijheijt" 

En toch, als we verder speuren, komen we meer te weten over deze wonderlijke zaak. Waarom liep dit geschil rond een gestrand schip zo hoog op? Waarom bemoeiden de hoogste machten in de Republiek zich met een aangespoelde - al dan niet gestolen - scheepslading op Ameland? De irritaties tussen Holland en de heer van Ameland blijken al langer terug te gaan. Het eiland was een zogenaamde vrije erfheerlijkheid en al sinds de 15e eeuw onder heerschappij van de Friese familie Cammingha. Maar Holland meende ook rechten op Ameland te hebben. Een Hollandse graaf had het eiland ooit verpacht. De Amelanders waren nog altijd verplicht hiervoor te betalen - vonden de Hollanders. In 1586 hadden de Staten Generaal over deze kwestie vergaderd. Holland betoogde toen dat Ameland "van oudts sekere contributie aan de graeffelijckheijt van Hollant jaerlijck moet verstrecken". Zeeland, Friesland en Utrecht verklaarden van niets te weten over deze vermeende Hollandse rechten op het eiland. Wel vonden deze provincies dat de Amelanders gehouden waren aan de regels van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Het eiland profiteerde immers van de militaire bescherming in de oorlog met het Spaanse Rijk. Dat betekende voor de Amelanders: belasting betalen aan de Nederlanden en geen handel drijven met de vijand. Bovendien mochten de eilanders "nyet over 't Wat varen, sonder daertoe t' hebben behoirlijck pasport". Oftewel: zonder de juiste papieren mochten de Amelanders de Waddenzee niet op. En reken maar dat aan zo'n paspoort een prijskaartje hing... 

De uitgifte van deze paspoorten en de inning van zeehandelsbelastingen werd in de Republiek geregeld door de zogenaamde Admiraliteiten. De Admiraliteit van Amsterdam ontving in het voorjaar van 1589 een verzoek van de heer van Ameland, Sicko van Cammingha. De inhoud kennen we niet, maar kunnen we wel raden. Sicko was een pleitbezorger van de neutraliteit van Ameland: als vrije erfheerlijkheid viel het eiland volgens hem niet onder het bewind van de Republiek der Verenigde Nederlanden. De Admiraliteit van Amsterdam legde de kwestie voor aan de Staten Generaal. Die waren niet van plan op hun besluit van 1586 terug te komen. Ameland kreeg geen aparte status: het eiland had zich te houden aan de afspraken. De oorlog met Spanje duurde inmiddels ruim twintig jaar en de zeehandelsbelastingen waren van levensbelang voor de Republiek: uit deze inkomsten moesten soldaten, wapens en oorlogsschepen betaald worden. Zo vergaderden de Staten Generaal een paar maanden later, in november 1589, over de belasting op zout, aangevoerd via de Sont. Tot in detail werd geregeld hoe hoog de heffingen moesten zijn op "groff sout" en "wit sout". Waarbij nog eens werd opgemerkt, "dat die van Amelandt geen meerder vrijheijt sullen genieten als andere".   

Portret van Elbertus Leoninus (ca. 1520-1598), de jurist die vergeefs probeerde het geschil tussen de heer van Ameland en de Amsterdamse kooplieden te beslechten.

Portret van Elbertus Leoninus (ca. 1520-1598), de jurist die vergeefs probeerde het geschil tussen de heer van Ameland en de Amsterdamse kooplieden te beslechten. 

Oorlogsschip bij Ameland 

Kapitein Cater duikt ook al eerder op in de vergaderingen van de Staten Generaal. Vanaf 1590, twee jaar voordat hij de heer van Ameland gevangen nam, lag hij met zijn oorlogsschip bij het eiland "ter wachte". Wellicht onder de noemer van bescherming tegen de Spanjaarden - maar het lijkt erop dat kapitein Cater moest toezien of de eilanders zich wel aan de belastingregels hielden. Sicko van Cammingha beklaagde zich over de situatie bij de Staten Generaal, maar de bestuurders waren onvermurwbaar. Over alle handel moesten de Amelanders belasting betalen, ook over inkomende en uitgaande ladingen "schelvischen, schollen, rochen en andere soorten van visch". Keer op keer meldde de heer van Ameland zich bij de Staten Generaal om versoepeling van de regels, maar zonder resultaat.   

Deze voortdurende twist tussen Ameland en de Nederlanden, was ongetwijfeld de achtergrond van de gevangenname van Sicko van Cammingha. Het gestrande schip van de Amsterdamse kooplieden was waarschijnlijk een welkome aanleiding voor kapitein Cater om de weerspannige heer van Ameland een lesje te leren. Maar de eilanders gaven niet op. In dezelfde periode dat Sicko van Cammingha naar zijn Amsterdamse gevangenis was afgevoerd, kwam bij de Staten Generaal een verzoek binnen van een eilandbestuurder, "den drossart van Amelant". Het voorstel was dat alle Amelander schippers "aen den capitain te water, daeromtrent ter wachte liggende" - bedoeld is vast kapitein Cater - bewijzen zouden overhandigen dat zij uitsluitend handel dreven met neutrale partijen en niet met het Spaanse Rijk. In ruil daarvoor wilden de eilanders "ontlast" worden van de verplichting een paspoort te verwerven om over het Wad te mogen varen. De Staten Generaal gingen niet akkoord. Een paar jaar later waagde een inwoner van Ameland, Jan Claesz, een nieuwe poging "voor zichzelf en vanwege de gemeenschappelijke ingezetenen aldaer". Hij vroeg de Staten Generaal de belastende regels af te schaffen. Tevergeefs.  

Kennelijk wilden de Staten Generaal de druk op de Amelanders wel wat verlichten. Kort nadat besloten was de heer van Ameland een eerlijk proces te gunnen in de zaak tegen de Amsterdamse kooplieden, in mei 1592, werd de opdracht aan kapitein Cater ingetrokken. Dat ging enigszins omzichtig. Allereerst werd in een vergadering geopperd of het "voor den dienst van het land" eigenlijk wel nodig was een oorlogsschip voor Ameland te hebben liggen? Zo niet, dan kon het beter elders ingezet worden. Was het wel nodig, dan wilde men in ieder geval het schip van kapitein Cater "verwijderen" en een ander schip naar Ameland zenden. Kennelijk hadden de Staten Generaal genoeg van de diensten van deze kapitein. Sicko van Cammingha en de Amelanders zullen opgelucht zijn geweest, dat kapitein Cater eindelijk van de horizon verdween.  

 

Meer van de Ouwe Pôlle: