Walvisvaart en koopvaardij brachten Ameland welvaart
Vrijdag 10 april was de laatste lezing van het winterseizoen van De Ouwe Pôlle. Een vreemde datum, want het is al lente, maar dat komt omdat de bijeenkomst in januari zou worden gehouden maar toen niet door kon gaan vanwege de weersomstandigheden.
Nu was er geen reden voor Jan Auke Walburg om niet te reizen en zo kon hij naar De Toel in Nes komen om te vertellen over de Gouden eeuw van de koopvaardij in Friese steden en dorpen.
Toen Walburg zich in deze periode ging verdiepen was er geen breed overzicht over de Friese scheepvaart. Daarom is de Hagenaar met Friese roots op onderzoek uitgegaan. Zijn bevindingen heeft hij gebundeld in het lijvige boekwerk Friezen op Zee met daarin ruim aandacht aan Ameland.
Hij raadpleegde diverse bronnen, waarvan de Sonttolregisters tot de belangrijkste behoorden. Tussen 1497 en 1857 werd precies bijgehouden welke schepen de doorgang tussen Noord- en Oostzee passeerden.

De Friezen zijn eigenlijk altijd een volk van handelaars geweest. Ze bewoonden een groter gebied dan de huidige provincie. Vlak na de jaartelling kregen ze de Romeinen als buren. Met hen gingen de Friezen handel drijven en zij leerden van de Romeinen hoe zeewaardige schepen te bouwen. Tussen 300 en 700 had er een grote volksverhuizing plaats. De Friezen verspreidden zich en vonden in de Franken een nieuwe handelspartner. Maar toen kwamen de Vikingen huishouden en werden de Friezen teruggedrongen tot wat nu Fryslân is. Van de Vikingen leerden ze hun boten verder te perfectioneren. Dat kwam van pas toen de koopvaardij zijn hoogtijdagen beleefde. De Oostzee werd het handelsgebied en om van Amsterdam bij de Baltische staten te komen moest je langs de Friese kustplaatsen. Echter, ook aan deze periode van welvaart kwam een einde door onder meer kapingen en zeeoorlogen. De periode van 1800 tot 1945 kan worden gekenmerkt als een tijd van armoede.
Ameland
Na de pauze ging Walburg in op de rol van Ameland in de zeevaart. Ameland werd pas in de Middeleeuwen het eiland dat we nu kennen. De eerste bewoners waren kloosterlingen die het eiland versterkten, waarna met name mensen uit de streek Oostergo het eiland kwamen bewonen.
Voor de handel lag Ameland niet gunstig. Schepen van en naar Amsterdam passeerden Texel, Vlieland en Terschelling. Toch kwam Ameland op de kaart als een zeevarend volk, wat blijkt uit het feit dat ook Amelander schippers bij de passage van de Sont werden geregistreerd, met een piek rond 1725.

Het was ook de tijd van de walvisvaart. Menig commandeur reisde jaarlijks af naar zowel de Oostzee als de walvisrijke wateren bij Groenland. Deze activiteiten brachten welvaart. Bij zijn rondgang over Ameland was Walburg onder de indruk van het terugzien van deze periode in de vele commandeurshuizen die het eiland nog telt.
Ook Ameland verviel na deze glansrijke periode in kommer en kwel. Zeilboten maakten plaats voor stoomboten en die konden Ameland niet bereiken. Wat overbleef was kleinschalige visserij. Op een gegeven moment telde Ameland nog maar veertien vissersbootjes, die vooral de rede van Hollum als thuishaven hadden. Door ijsgang in 1890 werd bijna de gehele vloot verbrijzeld en was het gedaan met de visserij.
De Amelanders verlieten massaal het eiland op zoek naar een beter bestaan. In de hoogtijdagen telde Nes 900 inwoners die in 300 huizen woonden. Die aantallen liepen terug naar resp. 600 en 130. Pas na de Tweede Wereldoorlog kwam Ameland weer tot bloei, met dank aan het toerisme. Gaat ook aan deze welvaart een einde komen? Wanneer is er teveel toerisme? De toekomst zal het leren.
