Uit het ordonnantieboek van Ameland (3)

Hoewel Ameland niet door de rundveepest is getroffen, voelt men op het eiland toch wel de economische gevolgen ervan. Zo blijven bv. in 1720 verscheiden landerijen onder Hollum en Ballum onverhuurd 'door gebrek aan beesten.'

In 1720 komen er nieuwe berichten over het uitbreken van de pest en weer verschijnen er plakkaten tot wering van schepen en goederen van besmette plaatsen. Hoewel executeurbiersteker Metz met zijn assistenten ook nu toezicht houdt, krijgt hij ditmaal militaire bijstand. Uit Leeuwarden worden namelijk een officier en 30 soldaten op het eiland gestationeerd. Hun opdracht is: goede wacht te houden en alle verdachte mensen en goederen te controleren, verdachte schepen in quarantaine te houden en zonodig met scherp te schieten. Hare Hoogheid Maria Louise, erfvrouwe van Ameland, zorgt voor logies, vuur, licht en 'schilderhuisjes.”

Molesteren

Toch komen er kort daarna klachten binnen van Amelanders: ze worden door de soldaten gemolesteerd. Daarop verschijnt een nieuwe ordonnantie, waarin officier en manschappen wordt bevolen, de order van Hare Hoogheid te gehoorzamen en ervoor teKooiplaats / Eendenkooi Ameland zorgen, dat de Amelanders geen enkele overlast wordt aangedaan. Blijkbaar heeft dit geholpen, want van verdere klachten is geen spoor.

Op 15 januari 1722 krijgt ook herbergier Jan Jeltes in Hollum toestemming tot het brouwen van bier, maar... het moet wel dun bier zijn. In november 1723 ontstaan er moeilijkheden rondom de kooiplaats. Die staan aldus geformuleerd:

“Gelijk wij bevinden, dat vele nieuwsgierige mensen zich uit nieuwsgierigheid naar onze gemelde vogelkooi begeven, in dezelve gaan en alles doorlopen, verjagende veel van ons wild gevogelte, daar dagelijks in zijnde, strekkende tot ons merkelijke schade en nadeel, zo ordonneren en waarschouwen wij, zich daaruit te onthouden en zich met schiet en ander rumoer te onthouden op een distantie van 600 roeden oost en west.'

Boete

Wie dit niet doet, kan rekenen op een 'boete van 12 Car. guldens. Het plakkaat van 1723 heeft betrekking op 'ellens, kannen, maten, gewichten en brood.” En bij dit laatste wordt aangetekend, dat de burgemeesters van ieder dorp eens per maand rond zullen gaan om te controleren, of het brood wel het vereiste gewicht heeft. Want het is overal in den lande een bekend feit, dat men in dit opzicht ook de bakkers in de gaten moet houden.

Op 20 november 1723 is Gisbrand Metz geen biersteker meer, zijn octrooi wordt ingetrokken. Waarom dit besluit? Wel, voortaan mogen alle 'gepriviligeerde herbergiers' vrijelijk vreemde en uiheemse bieren invoeren. Echter op EEN voorwaarde: zij moeten alles getrouwelijk aangeven voor de collectboeken. Pas als dit gebeurd is, mogen de vaten worden ontscheept en op wagens geladen.

Ongehoorzaam

In mei 1724 zijn vier burgers van Ballum zeer ongehoorzaam geweest. Wat zij hebben uitgevoerd? Zij hebben geweigerd om de verschuldigde hofdienst te doen. Die hofdienst bestaat op dat moment uit het rijden van zoden naar een schip in Erfheerlijke dienst. Dit is hun plicht als onderdanen en ze krijgen er geen cent voor. De Ballumers weigeren. Dan' wordt hun gesommeerd, om alsnog binnen 24 uur hun plicht te doen. Als ze daar niet aan voldoen, zullen ze zonder pardon door de eerste gerechtsdienaar worden gearresteerd!

Wie deze Ballumer dienstweigeraars zijn, wier namen voor altijd in het Amelander Ordonnantieboek zijn vastgelegd? Het zijn Rechthuis van Ameland getekend door Jacobus StellingwerfGabe Poulus, Tijmen Jansen, Lieuwe Tjeerds en Jan Manje. In 1724 wordt op Ameland de doodstraf uitgesproken. De beul van Friesland zal het vonnis ten uitvoer brengen tegen het hiervoor geldende tarief.

Hij komt inderdaad per schip op het eiland aan. Maar tot actie hoeft hij niet over te gaan, want op het laatste ogenblik heeft de Prinses van Oranje gratie verleend, wat blijkt uit een brief van de burgemeesters van Ameland aan de Raden van het Hof van Friesland. De reiskosten krijgt de scherprechter echter ruimschoots vergoed.

In hetzelfde jaar legt exbiersteker Gisbrand Metz ook zijn ambt van executeur neer. Werkloos burger wordt hij evenwel niet, want per 1 mei 1724 wordt hij benoemd tot Procureur Fiscaal en Rentmeester van de Vrije Erfheerlijkheid Ameland. In de onderhavige akte staan zijn volledige instructies. Zo moet hij oprecht en getrouw zijn ten aanzien van de administratie van alle inkomsten, en als Fiscaal ten aanzien van alle aanklachten. Hij moet rekenschap afleggen van zijn ontvangsten en uitgaven en een goede administratiehouden van alles.

Ten aanzien van de inkomsten geldt dit voor: verhuurde landen, duinen, vogelkooi en huisstedegelden (met de bijbehorende huurcontracten, lijsten en aantekeningen), consentgelden, breuken en burgerrechten. Daarbij moet hij extracten kunnen overleggen uit het recesboek en het proclamatieboek van de secretaris.

Kwitantie

Bij landhuiren, pachten en huisstedegelden worden hem geen resten gerestitueerd, tenzij hij met bewijzen kan aantonen, “dat na alle aangewende pogingen het geld niet te bekomen is geweest.” Hij moet de normale uitgaven doen aan predikanten, schoolmeesters en andere 'bedienden°, maar op eigen houtje mag hij geen betalingen doen. Alle kwitanties moeten ondertekend zijn. Als iemand niet kan schrijven (wat geregeld voorkomt), moet hij zijn handmerk zetten, terwijl de kwitanties bovendien worden ondertekend door een getuige, die zegt “wie het merk heeft gesteld.”

Dan zijn er de bijzondere inkomsten, zoals stranderijen, verkopingen van goederen, enz. Het is hem verboden, goederen anders dan publiekelijk te verkopen.

Hij moet het ambt van Rentmeester en Procureur Fiscaal (te vergelijken met dat van Openbare Aanklager) ‘in alle getrouwheid waarnemen en onze schade op alle manieren trachten voor te komen en te beletten.’

Hij moet de eed van trouw afleggen in handen van de eerste burgemeester van ‘onze Erfheerlíjkheid Ameland’. Voor het ambt van Rentmeester moet hij een borg storten van 5000 Car. guldens. Zijn jaarlijks traktement zal 400 Car. guldens bedragen. Tenslotte zal hij ‘voor het stellen van rekeningen en het onderhoud van een paard en wat hem tot dusverre is gevalideerd, niets mogen declareren.'

Hoewel de borgsom zeer hoog lijkt, staan daar vooral wat de bijzondere inkomsten van stranderijen en verkopingen betreft, zoveel dingen tegenover, dat deze benoeming voor Gisbrand Metz een unieke promotie betekent.

Meer Amelander Historie:

Vrienden worden van stichting 'De Ouwe Pôlle'

Steun onze stichting 'De Ouwe Pôlle' als vriend. Vanaf 18,50 euro ontvangt u 3 x per jaar het blad 'De Pôllepraat' en steunt u onze activiteiten en musea! Met uw bijdrage maken we ons sterk voor de Amelander cultuurhistorie en erfgoed!