Uit het ordonnantieboek van Ameland (2)

Onder de Amelander schippers zijn erin 1724 en ook in volgende jaren nog steeds onwillige betalers, die hun zeebrieven niet voldoen. En ook is er nog steeds sprake van smokkelkroegen, want het smokkelen van sterke drank, zowel brandewijn en wijn als bier is op het eiland nog altijd schering en inslag.

Dat gebeurt ook nog, als Willem Karel Hendrik Friso (de latere Willem IV) Erfprins van Ameland is geworden. In 1725 worden Erf- en Vrijheer van Ameland Willem IVde prijzen voor drank opnieuw vastgesteld. De herbergiers mogen bier van 9 gulden per vat niet duurder verkopen dan voor 2 stuivers per `mengel'. Bier van 5 gulden per vat moet verkocht worden' voor 1 1/2 stuiver de mengel, wijn mag niet meer kosten dan 6 stuiver per mengel en brandewijn moet worden verkocht voor 1 1/2 Stuiver 'per vierendeel.' Smokkelkroegen worden niet meer getolereerd en herbergiers mogen na 9 uur ’s avonds ‘geen gelagen meer setten.' Ten aanzien van de verkoop van bier wordt voor Ballum een uitzondering gemaakt. Daar mag namelijk in de drukke hooitijd maar alleen ook dan bier bij kannen en mengelen worden verkocht.

 

Merries

In 1728 worden de Amelander merries verdeeld in drie soorten: goede, middelmatige en kwade. Hengstenman Riemer Bakker maakt hiervoor op het Slot in Ballum nauwkeurige lijsten met aantekeningen: iedere merrie wordt gekeurd en ingedeeld.

Omdat vooral van de ene Engelse hengst ” schone veulens vallen', wordt per 29 maart 1729 geordonneerd, dat deze hengst voortaan alleen goede en middelmatige merries mag dekken, de slechte zullen worden gedekt door de beide andere hengsten.

Rentmeester, secretaris en castelein (kasteelheer) zullen hierop toezicht houden en hiervan akte nemen. In het vervolg geldt Slot Ballum Amelandvoor heel Ameland: DE BESTE MERRIES VOOR DE BESTE HENGST.

 

Waag

Vier jaar eerder heeft Ameland een Waag gekregen, waar men tegen een vast tarief boter, kaas en andere waren kan laten wegen. Voor 'een half kíntje' boter betaalt men een oortje en hetzelfde bedrag is men verschuldigd voor 10 pond kaas. Uit 1729 dateert een plakkaat tegen het innemen van ballast op Ameland. Heel wat schepen die op de Oostzee varen, nemen op de heenweg ballast in. Daar zijn vreemde schepen bij, maar ook Amelander schepen. Die ballast wordt vaak op Ameland ingeladen en bestaat soms uit zoden, maar meestal uit zand, die aan de Zuid en Zuidwestkant van het eiland wordt ingenomen. Het innemen van ballast wordt voortaan verboden aan alle galjootschippers, smakschippers, kofschippers en snikschippers. Op het overtreden van dit verbod staat een boete van een gouden dukaton.

In 1730 krijgt kasteelheer Bentfortt van het Slot in Ballum toestemming om uit het Bos in Ballum of uit de wallen 'een weinig rijshout af te snijden'. Maar dit moet wel gebeuren op aanwijzing van secretaris Hartsink en de nieuwe rentmeester Van Straten. De Ballumers mogen echter volstrekt geen beesten in het Bos laten lopen, zij mogen ook geen rijshout afsnijden en nog minder bomen kappen.

 

VOC-schip

In 1730 is er een Oostindievaarder op de kusten van Ameland verongelukt. Dat VOC-schip, de Renswoud, heeft een kostbare kofschiplading aan boord, maar strandt voor de kust van Ameland.

Op 2 oktober 1731 krijgt een zekere James Butler van Willem Karel Hendrik Friso toestemming 'om te vissen op het gezonken Oostindische schip’, m.a.w. om te proberen, de kostbaarheden er uit te halen. Hij gaat vissen ‘naar alle goederen en effecten' die zich nog op de zonken Oostindiëvaarder bevinden. De Amelanders worden echter omstandig gewaarschuwd, 'hem hierbij niets in de weg te leggen’ Letterlijk staat er in de ordonnantie:

'Ingezetenen moeten hem vrij en ongehinderd laten vissen, zonder aan hem enig beletsel aan te brengen of zijn merken of boeien te snijden of te verplaatsen om hem daardoor te misleiden. Zij mogen ook geen goederen die uit gemelde schip in zee mochten drijven, opvissen en evenmin gestrande goederen verbergen'.

Hoogstwaarschijnlijk hebben we hier te maken met een rijkbeladen Oostindiëvaarder op weg van Batavia naar het Vlie, met bestemming Amsterdam. Door een zware storm zal het schip uit zijn koers zijn geslagen en voor Ameland gezonken. In het Scheepvaarthuis te Amsterdam of in het Oostindische Huis aldaar zijn hierover zeker nog meer gegevens te krijgen.

Zoals later de Lutine voor Terschelling is vergaan, is in 1730 dus de Renswoud voor Ameland gezonken. Maar wat en hoeveel Butler van de lading heeft ‘opgevist', is niet bekend. Misschien ligt hier voor duikers met onderwatercamera’s nog wel een heel interessant project...

 

Vrijheid van gemaal

In 1732 krijgt Ameland ”vrijheid van gemaal.” Dat wil zeggen, dat voortaan bakkers en andere ingezetenen de vrijheid, hebben molen De Eendragtom hun graan te laten malen door de molenaar van hun eigen keuze.

Sinds 1733 mag ook Geert Sjoerds uit Nes bier verkopen. Vijf jaar later zijn er op Ameland valse stuivers in omloop. Men zij hiervoor op zijn hoede!

In 1739 verschijnen er opnieuw plakkaten tegen de pest. Deze gevreesde ziekte is nu uitgebroken in Hongarije, Zevenbergen en omringende gebieden. Dat lijkt ver genoeg weg, maar toch acht Willem Karel Hendrik Friso het nodig, voorzorgsmaatregelen te treffen tegen verdachte schepen en personen.

 

Strandroof

Op 20 november 1739 komt er een groot plakkaat van de Erfheer over ongeregeldheden die door Amelanders zouden zijn gepleegd op het schip van Claes Jurriens Smit. Op 15 en 16 oktober 1739 raakt dit schip bij Hollum in moeilijkheden. Volgens beëdigde verklaringen, berustende bij Schout en Baljuw, heeft schipper Smit enige goederen in twee Hollumer snikken 'overgegeven om zijn schip te lichten. Hij heeft niet geconsenteerd, maar expres geweigerd en belet, dat er anderszins enige goederen geborgen zouden worden'.

Het schip is tegen wil en dank door verscheiden Hollumer snikschippers en anderen overweldigd, waarna het, opnieuw tegen wil en dank van de schipper en zijn scheepsvolk in het Schuitegat is gebracht, 'mitsgaders de roertalie in stucken is gesneden, de toegespijkerde Duck of Roef is opengebroken en wat dies meer zij’.

De Hollumer snikvaarders en verscheidene ingezetenen van Hollum hebben zich vervolgens meester gemaakt van de goederen en eisen nu van de schipper betaling van de gewone strandrechten.

Maar daarvan kan natuurlijk geen sprake zijn, want dit is gewoon strandroof, wat volkomen in tegenspraak is met artikel 1 van het Strandrecht, gedateerd 1 oktober 1727, waarin staat:

'dat niemand, wie het ook zij, zich zal hebben te verstouten tegen wil en dank van een schipper, stuurman of scheepsvolk aan enig schip te mogen komen, onder wat pretext (voorwendsel) het ook

moge wezen, of de handen te slaan aan Touwen, Ankers etc. En tot hulpe en bijstand verzocht en geadmitteerd wordende, zullen zij echter niets anders vermogen te ondernemen als 't gene met goedvinden zal zijn van degene, die haar verzocht heeft, zullen mede noch den schipper, noch het

volk enig geweld of dreigementen doen, nog minder haar meester maken van enige goederen, alles bij poene van Arbitrale Correctie'.

De Hollumer piraten die zich aan roof hebben schuldig gemaakt, kunnen er op rekenen, dat dit muisje voor hen nog een staartje zal hebben.

Rubriek ‘Mozaïek van het verleden’ (Nieuw Dockumer Courant)

VRIENDEN WORDEN

Word vriend van Amelander Historie! U ontvangt iedere maand onze historiekrant en krijgt een gratis e-book cadeau! 
 
 

Meer Amelander Historie:

Steun ons: word donateur van stichting 'De Ouwe Pôlle'

Steun onze stichting 'De Ouwe Pôlle' als donateur. Vanaf 18,50 euro ontvangt u 3 x per jaar het blad 'De Pôllepraat' en steunt u onze activiteiten en musea! Met uw donatie maken we ons sterk voor de Amelander cultuurhistorie en erfgoed!