Schipper Botte Neij (1897-1963)

Botte Neij is op 25 juli 1897 geboren als eerste kind van Douwe Botte Neij en Engeltje Bruin. Douwe en Engeltje zijn niet al te jong wanneer ze trouwen. Douwe, zoon van Botte Douwes Neij en Sytske Folkerts Visser, trouwt op 7 januari 1897 met Engeltje Bruin. Engeltje was een dochter van Cornelis Johannes Bruin en Joekje Pieters Visser. Douwe Botte Neij is de oudste van de 13 kinderen van Botte en Sytske. De drie laatste kinderen sterven allen jong. Het laatste kind, Martje, geboren in 1891 wordt genoemd naar haar zus die in 1889 op 21-jarige leeftijd is overleden. De 13 kinderen worden geboren tussen 1866 en 1889, dus in een tijdsbestek van 23 jaar.

Door Jan J. de Vries

De ouders van Botte Neij

Douwe en Engeltje zijn beiden 30 jaar wanneer ze trouwen en voor die tijd is dat zeker niet jong te noemen. Nadat Botte in 1897 is geboren krijgen Douwe en Engeltje nog 3 kinderen. Joekje geboren op 14 november 1899 overlijdt op 13-jarige leeftijd. Sietkse geboren op 11 oktober 1901 trouwt met de bij ons al bekende Douwe Harmens Visser. Beiden zijn vorig jaar uitgebreid vermeld in ons boekje. Want Douwe Harmen is immers de zoon van schipper Harmen Visser.

Het complete gezin van Douwe en Engeltje

Het complete gezin van Douwe en Engeltje. Links staand Botte Neij. Voor hem staat Sietske. Rechts staat Joekje en voor haar Cornelis.

Het is zeker logisch dat Botte Neij in 1924 als roeier in dienst treedt bij de reddingmaatschappij. Zijn vader Douwe Botte Neij, geboren op 29 december 1866, is vanaf 1911 in dienst bij de reddingmaatschappij als roeier. We vinden zijn naam terug bij diverse acties. Er is ook een fraaie foto te vinden van hem in het boek “Het reddingwezen op Ameland” van Jan Blaak. Op bladzijde 74 staat hij als jongeman in marineuniform afgebeeld. Het lijkt heel goed mogelijk dat Botte de plaats van zijn in december 1924 overleden vader heeft ingenomen.

Wanneer Botte bij zijn zus Sietske op bezoek gaat, ontmoet hij daar haar schoonvader Harmen Visser. Harmen Visser is ook tot 1924 roeier en wordt daarna schipper. Zus Sietske overlijdt ook op jonge leeftijd. Nauwelijks 29 jaar oud overlijdt ze op 8 december 1930. Er wordt nog een “nakomertje” geboren in het gezin van Douwe en Engeltje. In 1907, Engeltje is dan bijna 40 jaar, wordt Cornelis Bruin Neij geboren. Hij trouwt later met Getje de Boer. Ze staan beter bekend als Kees en Getje.

Botte gaat zoals veel eilanders op jonge leeftijd naar zee. We weten niet precies hoelang hij heeft gevaren. Een feit is dat hij zijn diensttijd bij de marine heeft doorgebracht. Er is een mooie foto van Botte Neij en Jitze Ridder. Jitze is bij de landmacht en dienst in Brabant. Vermoedelijk heeft Botte zijn diensttijd in Den Helder doorgebracht. Er is nog een foto waarop hij met een roeiploeg staat en een derde prijs heeft veroverd. Het roeien zat hem dus toen al in het bloed.

Op de foto van Botte en Jitze zitten ze met een glaasje, een fles en een boek aan tafel achter de schuur van Jitze en Sjoukje. Beide heren zijn in uniform. Maar aardig is dat op de achtergrond de Doopsgezinde kerk is te zien, het oude “Huize Nellie” en aan de rechterkant de “Blauwe Schuur” toen in gebruik bij de Gereformeerde Kerk en in 1923 uiteindelijk afgebroken.

Jitze Ridder en Botte Neij 1914-18

Jitze Ridder en Botte Neij genomen tussen 1914-1918

Na zijn dienstplicht gaat Botte weer naar zee. Volgens foto’s moet hij rond 1922 zijn aangemonsterd op het nieuwgebouwde ss Amsterdam waarvan onderstaand een foto.

ss Amsterdam gebouwd in 1922 in Schotland; getorpedeerd op 6 oktober 1942 bij Holms, Noord-Afrika

Botte Neij met zijn onafscheidelijke pijp 1 Botte Neij met zijn onafscheidelijke pijp

Op de beide foto’s zien we Botte Neij met zijn onafscheidelijke pijp.

Botte Neij trouwt op 20 april 1922 met Antje Ridder. Antje is een dochter van Jacob Ridder en Aafke Bruin. Zij is de zus van Sjoukje Bruin die trouwt met Jitze Ridder.  Jitze, geboren op3 mei 1896, is de zoon van Marten Seyes Ridder en Gertje de Jong. Het jonge echtpaar komt te wonen op de boerderij aan de Oosterlaan welke door Antjes vader, Jacob Ridder, is gebouwd. Hier wordt hun enige dochter Engelina op 25 mei 1927 geboren. Engelina, bij ons beter bekend als Lien, weet nog best dat het vee op stal stond. Waarschijnlijk blijven ze er wonen tot omstreeks 1940 want dan wordt de boerderij bewoond door Arend Nagtegaal en zijn vrouw Grietje.

Botte is geen boer in hart en nieren. En wanneer er mogelijkheden ontstaan om in 1925 chauffeur te worden op de door Jitze Ridder aangeschafte bus grijpt hij deze kans met beide handen aan. Omstreeks 1934 wordt hij schipper van de roeireddingboot. Het reddingswezen is zijn lust en zijn leven. Boot, boothuis en ander materiaal worden uiterst zorgvuldig onderhouden. Hij zal dit blijven doen tot 1958.

Tijdens de oorlog wonen Botte en Antje aan de Herenweg (thans Nico Borsch en Harmke Straatsma). Dan verhuizen ze naar de Burenlaan waar ze in het achterste deel van het zojuist gerestaureerde pand (voorheen eigendom van Bertus Bakker) gaan wonen. Gooi van der Meij en Risje wonen met hun zoon Johan in het voorste gedeelte. Bertus Bakker zijn moeder is een tante van Botte.

Aan het eind van hun leven wonen ze in de woning naast Herberg De Zwaan welke is afgebroken.

Botte Neij met zijn vrouw Antje op de Herenweg.

Botte Neij met zijn vrouw Antje op de Herenweg

Dochter Engelina (Lien) Neij trouwt met Folkert (Fol) Visser die wij ons uiteraard als buschauffeur herinneren. Helaas stierf Fol Visser op een veel te jonge leeftijd nu alweer 30 jaar geleden!

“Seyes uut” en de voerlieden Jitze Ridder, Tjeerd van Seyes en Jaap Tromp

Zo zijn we aangeland bij het begrip “Seyes uut” wat nu als naam te vinden is op het huis van Gerrit Ridder en Janna Brouwer. Tjeerd “van Seyes”, voerman bij de reddingboot, is een neef van Jitze Ridder. Tjeerd is geboren op 3 september 1875. Hij is een zoon van Wijnand Visser en Aaltje Ridder. Waarom zijn naam Visser is veranderd in Tjeerd van Seyes is niet bekend. Maar het heeft zeker te maken met het feit dat zijn opa Seye Jans Ridder is! Tjeerd rijdt veel vracht als voerman en dat doet ook zijn vriend Jaap Tromp. Samen met Jitze Ridder zijn alle drie ook voerlieden bij de reddingboot!

Tjeerd Visser zijn opa Seye Jans Ridder en oate (oma) Teatke Jans Kanger

Seye Jans Ridder trouwt met Teatke Jans Kanger. Voor wat betreft de kinderen zijn zeker niet gelukkig in hun huwelijk voor. Van hun 10 kinderen sterven er 4 op jonge leeftijd. Nog erger is het voor de ouders van Tjeerd “van Seyes”. Zijn moeder is het tweede kind en is dus de al genoemde Aaltje Ridder. Nadat hun eerste zoon Cornelis is geboren, wordt de tweede zoon Tjeerd genoemd. Tjeerd wordt geboren in 1866 maar overlijdt op 6-jarige leeftijd. Dochter Tietje geboren in 1868 wordt 82 jaar. Maar twee dochters, beiden Seyke genoemd, worden maar 2 maanden oud. Een daarna geboren zoontje Seye wordt slechts 6 maanden. Dan wordt weer een dochter Seyke geboren. Deze wordt later Sientje genoemd en trouwt met Cornelis Reindert Wiegert. Hun beide kleindochters Jo en Reina komen nog regelmatig op Ameland. Daarna wordt onze Tjeerd geboren. Hij wordt voerman en heeft zijn boerderij in een houten schuur achter het huis aan de Westerlaan waar Jelte Smit en Gijsje Lap (dochter van de al genoemde Tietje) woonden. Als laatst wordt geboren Eelkje. Het is dan 1877. Zij trouwt met Gooi Visser. Ze zijn nog kinderloos wanneer Eelkje op 33-jarige leeftijd komt te overlijden. Een jaar later overlijdt haar man Gooi op zee! Het zijn wellicht deze dramatische omstandigheden geweest waardoor de jonge Tjeerd veel tijd doorbracht bij opa Seye Jans Ridder en Teatke Jans Kanger en hij zo aan zijn nieuwe achternaam is gekomen.

Busondernemer en chauffeur Botte Neij

Maar we zijn flink afgedwaald en moeten terug naar Botte Neij die samen met Jitze Ridder in 1930 de fa. Ridder en Co vormt. Omstreeks 1924 starten de eerste autobusonderneming op ons eiland. Gerrit Visser, Jan Stender en Jitze Ridder zijn de ondernemers van het eerste uur. In het boek “De particuliere busondernemers van Ameland 1923-1967” van Roger F. de Boer kunt u alles lezen over deze ontwikkelingen. Het boekwerkje is o.a. te koop in het Sorgdragermuseum. Tot 1924 zijn op het eiland alle passagiers met paard en wagen vervoerd. Het zijn boeren die dit personenvervoer verzorgen. In Hollum Ridder, Barf, Nagtegaal en Brouwer. In Nes Metz, Olivier, Wagenaar en Groenewoud.

In 1921 is het Jan Stender die een soort Jan Plezier aanschaft waar 10 tot 12 passagiers plaats kunnen nemen. In 1923 start Gerrit Visser de eerste autobusdienst met Klaas Bakker als chauffeur. Zowel Jan Stender als Jitze Ridder volgen dit voorbeeld.  Jan Stender heeft echter maar 2 maanden plezier van zijn Spyker-bus. De bus geeft de geest en is niet meer te repareren. Zo blijven Gerrit Visser en Jitze Ridder over al particuliere busondernemers in Hollum. In Nes is het Jacob Wagenaar die in 1924 een autobus aanschaft.

Wanneer in 1925 Jitze Ridder een Ford-T-bus met plaats voor 19 passagiers koopt is het al snel Botte Neij die achter het stuur plaatsneemt.

Botte Neij achter het stuur in een bus van de fa. Visser-Ridder en Co

Botte Neij achter het stuur in een bus van de fa. Visser-Ridder en Co

En zo herinner ik hem ook. Een schipper van de reddingboot met een zeemanspet op zijn hoofd als buschauffeur. De chauffeur van de bus die ons naar en van de MULO-school in Nes bracht. In die tijd (1957) was Botte Neij nog werkzaam als chauffeur en de regels waren streng en werden gehandhaafd. De meisjes zaten achter in de bus en de jongens voorin. Om deze regels toe te passen had Botte een stuk hout in het bagagenet liggen dat hij ter hand nam bij het instappen. Je waagde het niet om voor de meisjes in te stappen want het stuk hout nam hij dan dreigend ter hand! 

In 1930 wordt Botte Neij partner-ondernemer van Jitze Ridder en heeft de firma Ridder en Co. De concurrentiestrijd tussen Visser en Ridder en Co. leidt tot te lage prijzen en ook de crisisjaren leiden ertoe dat in 1934 de bedrijven fuseren tot Visser, Ridder en Co. In 1958 omgedoopt in HABO welke onderneming, net als de fa. Wagenaar in 1967 door de NOF wordt overgenomen.

In maart 1963 schrijft Botte Neij een uitgebreide brief over de autobusonderneming aan de schrijver van het eerder genoemde boek. 

Zo ging het vervoer aan het einde van de Tweede Wereldoorlog.

Zo ging het vervoer aan het einde van de Tweede Wereldoorlog

Roeier en schipper Botte Neij.

 

Op 2 december 1958 nam Botte Neij afscheid als schipper van de reddingboot. Na 34 jaar voor de Reddingmaatschappij te hebben gevaren, waarvan 10 jaar als roeier en 24 jaar als schipper, kwam om gezondheidsredenen een einde aan de activiteiten van Botte Neij als bemanningslid en schipper. Hij maakt 96 reddingstochten in deze 34 jaar en heel wat mensenlevens werden mede door zijn inzet gered.

In “De Welvaart” werd afscheid genomen van hem waarbij zijn vrouw Antje Ridder-Neij aanwezig was. De directeur van de toen al Koninklijk geworden Reddingmaatschappij spelde hem de bronzen draagmedaille voor langdurige diensten op.

Het betekent ook dat Botte Neij dus in 1924 als lid van de bemanning is toegetreden tot de Reddingmaatschappij. Dat betekent dat hij in het jaar waarin de Reddingmaatschappij haar 100-jarig bestaan viert te vinden is op de foto welke ter gelegenheid hiervan is gemaakt van de roeireddingboot van Nes. Naast George Kienstra (schipper te Nes), Harmen Visser (schipper te Hollum) zien we in de boot Botte Neij staan.  In die periode immers werd de bemanning van de boot van Nes al aangevuld met roeiers afkomstig uit Hollum.

Hij moet dan ook te zien zijn op de foto welke gemaakt is tijdens het Koninklijk bezoek van Koningin Wilhelmina, prins Hendrik en prinses Juliana op 7 en 8 september 1925 aan Ameland.

Ook is hij volgens een krantenartikel (waarschijnlijk met zijn vrouw) aanwezig in de Ridderzaal te Den Haag ter gelegenheid van de uitreiking van het predikaat “Koninklijk” aan de beide reddingmaatschappijen ter gelegenheid van hun 125-jarig bestaan. Zowel Koningin Wilhelmina als prinses Juliana en prins Bernhard zijn hierbij aanwezig. Botte Neij krijgt hier een zilveren medaille voor menslievend hulpbetoon uitgereikt.

Overzicht reddingstochten en activiteiten als roeier en schipper

We ontkomen er niet aan dat we een aantal reddingsacties welke vorige jaar vermeld werd nu weer tegenkomen. Was Harmen Visser toen schipper nu is Botte Neij roeier!

Stranding SS “Malmö”

Wanneer het Zweedse stoomschip “Malmö” op 17 november omstreeks 22.00 uur nabij Nes strand wordt de roeireddingboot van Nes ingezet bij de redding van de bemanning. De reddingsactie verloopt uiterst moeizaam, mede door het slechte weer. Bij de lancering loopt de boot vol water en raakt Hendrik Hofker buiten boord. Het loopt gelukkig allemaal goed af. Inmiddels is ook de “Insulinde” van Oostmahorn met schipper Mees Toxopeus gealarmeerd. Wanneer veertien opvarenden van het gestrande schip met een eigen boot trachten de kust te bereiken verdrinken 3 bemanningsleden. De overigen komen veilig aan wal. De reddingboot van Nes wordt ’ s morgens rond 8.00 uur opnieuw in gereedheid gebracht maar opnieuw lukt het niet langszij het schip te komen. Dat lukt de “Insulinde” na vier vergeefse pogingen wel en zo slaagt  men erin de laatste 6 bemanningsleden van boord te halen. Omdat een aantal roeiers uit Nes geen tweede tocht wil maken nar het schip wordt de bemanning van reddingboot aangevuld met roeiers uit Hollum.

Wanneer het weer opknapt gaan 14 man opnieuw aan boord waaronder de kapitein, bemanningsleden en enkele bergers. Het weer verslechterd opnieuw en het schip komt nog verder op het strand terecht. Op 24 november haalt de reddingboot de 14 mensen van boord. De bemanning van reddingboot bestaat uit schipper Harmen Visser, Sybrand Hofker, D. Roep, P. IJnsen, L. Kanger, J. de Vries, Tj. de Vries, H. Kienstra, J. Wagenaar, J. van der Noord en Botte Neij.

Stranding MS “Tartar”

De naam van Botte Neij vinden we vervolgens in het verslag van de stranding van het MS Tartar. De Tartar strandde op 26 november 1928, ’s morgens om 06.00 uur nabij paal 5 ter hoogte van Ballum.

De reddingboot van Hollum bereikt omstreeks 09.00 uur het gestrande schip. Het schip, geladen met hout en afkomstig uit Oslo blijkt geheel te zijn verlaten. Wanneer een van de roeiers aan boord gaat ontdekt hij dat de lamp in de kombuis nog brandt en dat op het fornuis pruimen staan te koken.

De reddingbootbemanning bestaat uit schipper Harmen Visser en de roeiers J. de Vries, S. Hofker, Tj. De Vries, L. Kanger, P. IJnsen, D. Roep, S. de Jong, H. Romer, P. de Vries en B. Neij. Later blijkt dat de bemanning het zinkende schip tijdig heeft verlaten en aan boord is gegaan van de trawler "Johanna 12"  afkomstig van IJmuiden.

Wanneer op 21 september 1933 de tjalk Anna Maria, geladen met steenkool, strandt op het wad is Botte Neij opnieuw van de partij. Wanneer het rijksrecherchevaartuig “Kaman de Vries” erin slaagt het schip van O. Metz los te trekken keert de reddingboot terug naar het strand bij Hollum.

>> Meer informatie over de strandingen van Malmö en Tartar vindt u hier

Ontevreden

Het plaatselijk bestuur en de bemanningsleden van de reddingboot uitte in 1934 hun ontevredenheid over de grote concurrentie van de “Insulinde”van Oostmahorn en de ” Brandaris" van Terschelling. De beide motorreddingboten zijn niet alleen veel sneller maar hebben ook een grotere actieradius. Daardoor komt de roeireddingboot van het eiland amper meer in actie.

>> Lees het verhaal over de laatste reis met de roeireddingboot

Benoeming tot schipper

Op 1 april 1935 wordt schipper Harmen Visser van de roeireddingboten van zowel Nes als Hollum, eervol ontslagen. Hij maakte ruim 38 jaar deel uit van de reddingbootbemanning. Is sinds 1922 schipper van de boot in Hollum en vanaf 1931 ook van de boot van Nes. Hij wordt opgevolgd door Botte Neij.

Botte Neij als schipper

Eerste tocht als schipper

Zijn eerste echte reddingstocht als schipper is op 25 september 1935. Het passagiersschip “Friesland” van Anne Olivier en Epke van der Geest dat de veerdienst Zwarte Haan – Nes/Ballum onderhoudt, krijgt motorpech. Er zijn vier passagiers aan boord. Wanneer de reddingboot langszij komt durven de passagiers niet over te springen op de reddingboot. Wanneer de reddingboot op de terugweg is lukt het Anne Olivier de motor weer aan de praat te krijgen en zo bereikt het schip op eigen kracht de Ballumerbocht.

Tjalk “Rehoboth”

Op 19 oktober 1935 volgt de redding van de familie van der Sloot van de tjalk “Rehoboth”. Het schip is geladen met steen en onderweg van Onderdendam naar Kolhorn. Het hele gezin bestaande uit vader, moeder en 7 kinderen wordt van boord gehaald. De tjalk strandt op de zeedijk en wordt daarbij flink beschadigd.

De “Baltic”

Op 7 september 1936 strandt op de Koffieboonplaat de schoener “Baltic”, geladen met hout. Zowel de “Brandaris” als de “Insulinde” zetten koers naar het gestrande schip.  Ook de roeireddingboot van Hollum wordt naar het strand gebracht. De lancering kost wat moeite omdat men de nieuwe methode, waarbij de boot achteruit te water wordt gelaten, nog niet goed onder de knie heeft. Ook het tij speelt de bemanning parten. Ze moeten tegen de opkomende vloed naar de Koffieboonplaat aan de oostpunt van Terschelling roeien. Dichtbij Terschelling krijgen de mannen tot drie keer toe de boot “vol”. Wanneer ze dicht bij het gestrande schip zijn schiet de “Brandaris” voor bij en neemt de bemanning aan boord. Geen wonder dat men uitkijkt naar de komst van de strandreddingboot “Abraham Fock” welke in aanbouw is.

De komst van de “Abraham Fock”

Ieder jaar viert de NZHRM haar verjaardag op een bijzondere manier. De 113 verjaardag wordt in 1937 op Ameland gevierd met het in gebruik nemen van de motorstrandreddingboot “Abraham Fock”. Zoals op de foto’s is te zien was de boot nog niet voorzien van een stuurkuip zodat de bemanning nog geen enkele beschutting werd geboden tegen overkomend water.

De “Abraham Fock” is in Katwijk gebouwd en heeft een lengte van 10.30 meter en een diepgang van 0,50 cm met een gewicht van 4500 kg. Uiteraard is ook een nieuwe bootwagen gearriveerd. Gelijktijdig wordt het nieuwe boothuis in gebruik genomen. Een steen in de gevel van het boothuis herinnert hieraan.

Overigens is de boot al eerder op Ameland gearriveerd. Schipper Botte Neij heeft de boot uit Amsterdam gehaald. Wanneer hij met opzichter Klein van de reddingmaatschappij het IJsselmeer wil opvaren is er een flinke ontploffing aan boord. En zo keren ze eerst terug naar Amsterdam voor reparatie van de boot. Het lukt daarna om de boot naar Ameland te brengen want op 4 november 1937 haalt schipper Botte Neij  met zijn bemanning een afgedreven visser van het wad. Het is de eerste reddingsactie met de nieuwe boot. Wanneer de motor van de “Abraham Fock” het opnieuw laat afweten tijdens oefentochten wordt de boot voor reparatie naar Harlingen gebracht. De “Mr. Adriaan de Bruine” vervangt tijdelijk de “Abraham Fock”.

Reddingstochten met de “Abraham Fock”

Tjalken “Hoop op Behoud” en “Johanna”

Op 4 oktober 1938 worden de bemanningen van de tjalken “Hoop op Behoud” en “Johanna” gered. Beide schepen gingen verloren. Wanneer men bij de “Hoop op Behoud” arriveert schreeuwt de schipper dat ze eerst de bemanning van de “Johanna” moeten halen omdat dit schip zinkende is. Wanneer de bemanning, bestaande uit de schipper en zijn zuster, is gered en men op weg is naar de “Hoop op Behoud” blijkt dat ze scheepshond hebben vergeten. Er wordt rechtsomkeert gemaakt om de hond van het schip te halen waarna de bemanning van de andere tjalk wordt gered. Het zijn de schipper, zijn vrouw en dochter en de knecht. De zes mensen en de hond worden in “de Zwaan” ondergebracht. Tijdens deze tocht kon men dus 2 gezinnen, bestaande uit vader, moeder en een kind, redden.

De trawler “Sperwer”

Op 8 oktober 1938 wordt de 9 – koppige bemanning van de trawler “Sperwer” , IJmuiden 133, gered. Het zicht is slecht en ondanks het voortdurende loden blijkt men toch te dicht onder de kust te zitten. Wanneer de schipper besluit om volle kracht achter uit te varen breekt de schroef en is men plotseling willoos overgeleverd aan de elementen. Het in 1894 gebouwde schip strandt bij Ballum.  De boot wordt dicht bij de strandingsplek van de “Tartar” te water gelaten. Het lukt schipper Botte Neij en zijn bemanning om de bemanning van het zwaar slingerende schip af te halen. Een prachtige prestatie om in een tijdsbestek van slechts enkele dagen 15 mensen te redden. Schipper Botte Neij wijst er op dat niet alleen de bemanning van de reddingboot de eer toekomt maar dat ook de voerlieden met hun paarden, de walploeg en de commissie bijdragen aan het welslagen van deze tochten!

Tweede Wereldorlog 1940-1945

Op 10 mei 1940 valt Duitsland ons land binnen. Al op de eerste dag van de oorlog wordt opdracht gegeven om de “Abraham Fock” gereed te maken en naar het strand te brengen. Twee dagen later worden 30 Nederlandse militairen naar de Boschplaat gebracht. “s Middags volgt een tocht met een commandant, luitenant ter zee 1e klasse E.J. Buiskool, naar het bewakingsvaartuig. “s Avond staat de boot weer op de wagen maar blijft op het strand. Nog die zelfde avond volgt een opdracht om alle militaire uitrustingsstukken en ammunitie naar Terschelling te brengen. Bij terugkeer blijft de boot op strand. Na de capitulatie wordt de boot naar het boothuis gebracht.

Het hoofdbestuur van de reddingmaatschappij slaagt erin buiten het gezag van de Duisters te blijven door de boten een Rode Kruisstatus te geven. Hiermee is de neutraliteit gewaarborgd en blijft de maatschappij doen waarvoor ze is opgericht: het redden van mensen ongeacht hun nationaliteit. Om de effectiviteit van het station Hollum te verhogen wordt schipper Botte Neij in tijdelijke dienst aangesteld.

De alarmering laat echter te wensen over. Niet altijd blijken de Duitse militairen over voldoende kennis te beschikken of men wordt te laat op de hoogte gesteld van neergestorte vliegtuigen of andere ongevallen. Een op de Koffieboonplaat aangespoeld reddingseiland voor neergestorte vliegers houdt het station Hollum in november 1940  bezig. Niet bekend is of de Duisters erin geslaagd zijn het reddingseiland van de plaat af te krijgen.

Veel acties in deze periode hebben te maken met meldingen van neergestorte vliegtuigen. Lange zoektochten met een voortdurende dreiging voor een mogelijke aanval vanuit de lucht en het zoeken naar lijken en zwaar gewonden vraagt veel van de bemanning.

In 1941 loopt ’s morgens een zestal Britse vliegers Hollum in tot grote verbazing van de bewoners en de Duitsers. Ze blijken rustig tussen de Duitse wachtposten te zijn doorgelopen en hebben de nacht doorgebracht in de op het strand staande reddingboot. Schipper Neij wordt in staat van beschuldiging gesteld voor het verlenen van hulp aan de Britten. De schipper weet echter van niets en uiteindelijk loopt de kwestie met een sisser af. In 1942 bestond de bemanning van de reddingboot uit Botte Neij, Anne Bruin, Jan de Jong, Sietse de Jong, Lolke Kanger, Gijs Lap, Teun Matroos, Eeuwe de Vries en de reserve-bemanningsleden Cor Bruin, Klaas Bruin en Jacob de Jong.

Op 20 april 1942 storten 3 vliegtuigen neer in het Amelander Gat zonder dat de reddingboot wordt gealarmeerd. Reden voor Schipper Neij om te schrijven dat de Duitsers blijkbaar weinig om mensenlevens geven. De schipper en commissie doen hun best om bemanningsleden op het eiland te houden en ook blijkt het te lukken de paarden nog te vervangen wanneer zowel Piet Barf als Tjeerd Visser in de herfst van 1943 een nieuw paard nodig hebben vanwege het plotseling sterven van een paard.

Gijs Lap

Op zondag 28 mei 1944 wordt bemanningslid Gijs Lap vermist gemeld. Hij is zaterdagmiddag rond vier uur het wad op gegaan om te vissen en op zondagmorgen nog niet teruggekeerd. Men vreest het ergste. Na een zoektocht gedurende bijna de gehele dag vindt men aan het einde van de middag het lichaam van Gijs Lap in de Ballumer Bocht. Met de vlag halfstok keert de boot naar Hollum terug met het lijk aan boord. De boot wordt met het lijk op de wagen gezet en zo naar het boothuis gebracht. Gijs Lap nam deel aan 24 reddingstochten waarbij 24 mensen werden gered.

Commissie, voerlieden en walploeg

In 1944 wordt ook Gooi Visser vermeld als zijn reservebemanningslid. Voerlieden zijn Jitze Ridder, Arend Nagtegaal, Piet Barf, Gribbert Ruijgh en Jacob Tromp. De walploeg bestaat uit Gribbert Bakker, Gerrit Visser, Piet van der Laag en Cornelis Neij.  De plaatselijke commissieleden zijn G.J. Visser, H. Felkers en K. Jelsma. Aan het einde van de oorlog krijgt de bemanning allerlei dubieuze opdrachten van de Duitsers. Duidelijk is dat een aantal officieren tracht weg te komen ofwel bepaalde zaken in veiligheid willen brengen.

Naar het bevrijde gebied

Wanneer op 6 mei Botte Neij en zijn bemanning opnieuw een dubieuze opdracht krijgen met betrekking tot de barkas, zoals al een aantal keren vaker is gebeurd in de afgelopen dagen, vaart Botte Neij naar het inmiddels bevrijde Holwerd waar ze een “reuze”week bij de Engelsen doorbrengen. Hans Bruin en Jan Faber komen een dag later met een roeiboot in Holwerd aan!

Zondag 13 mei keert de reddingboot naar Ameland terug. Hoewel het eiland nog niet bevrijd is, pas op 24 juni verlaat de Duitse bezetting het eiland, ondervindt men geen last meer van de Duitsers en krijgt men op 17 mei weer de eerste Nederlandse opdracht om een zieke naar Holwerd te vervoeren.

Schipper Botte Neij van Ameland

Onderscheiden voor diensten in oorlogstijd

Botte Neij, Jan de Jong, Sietse de Jong, Lolke Kanger, Eeuwe de Vries, Klaas Bruin en Anne Bruin ontvangen van de maatschappij een kleine zilveren draagmedaille voor hun diensten in de oorlogstijd.

Afscheid burgemeester J.B.W. Bolomeij

In mei 1946 wordt afscheid genomen van de voorzitter van de plaatselijke commissie, burgemeester J.B.W. Bolomeij. Hij was gedurende de bezettingstijd door de Duitsers vervangen door de van Texel afkomstige NSB burgemeester Bauke Bakker. De heer R. Walda is de nieuwe burgemeester van Ameland en wordt, zoals nog steeds gebruikelijk, tevens voorzitter van de plaatselijke commissie.

Station Nes opgeheven

In verband met de weinige animo voor het station Nes, dat nog steeds alleen maar de beschikking had over een roeireddingboot en nauwelijks meer werd ingezet, wordt het station in 1947 opgeheven. De boot wordt verkocht aan de zeevaartschool te Amsterdam.

>> Bekijk het overzicht van schippers van reddingsstation Nes

Gelukkig komt het station Hollum nog niet in aanmerking voor de aanschaf van een tractor zodat men vooralsnog gebruik blijft maken van de paarden en hun voerlieden. Er zijn regelmatig problemen met de “Abraham Fock”, vooral de motor van de boot veroorzaakt problemen. Zo wordt de boot zo nu en dan vervangen door de motorreddingboot “Prins Bernhard”. Hoewel dit een geheel ander type boot is past deze wel op de wagen. Overigens is het aardig om te zien dat zowel de “Abraham Fock” als de “Prins Bernhard” zo af en toe worden gebruikt met de bij de boot behorende mast. Zoals bekend is deze mast met het zeiltuig in het bezit van onze stichting gekomen tijdens de opening van het reddingsmuseum op 30 maart 1991. De (oud)-medewerkers van de reddingmaatschappij van Terschelling brachten dit naar Ameland.

Reddingsacties na de oorlog

MS “Fortuna”

Op 26 januari 1946 strandt het ms “Fortuna” tussen paal 4 en 5. Hoewel er geen gevaar is voor de bemanning gaat de reddingboot ter assistentie naar het gestrande schip toe. De reddingboot blijft tot het schip op 28 januari door sleepboten wordt losgetrokken.

>> Lees over de stranding van ms Fortuna

SS “Ivar”

Op 24 oktober 1949 loopt het Deense ss “Ivar” op weg van Hamburg naar Rotterdam ten noorden van Terschelling op een zeemijn. De reddingboten van Texel, Terschelling, Ameland en Oostmahorn worden gealarmeerd. Een deel van de bemanning verlaat in 2 sloepen het zinkende schip. De kapitein, stuurman en 8 bemanningsleden blijven aan boord. Een sloep met 7 bemanningsleden bereikt na een lange tocht het strand van Ameland. De andere sloep met 5 bemanningsleden wordt een prooi van de golven en niet meer gevonden. Sleepboten van Terschelling, waaronder de legendarische “Holland” zetten het steeds verder zinkende schip buiten de vaargeul aan de grond. Met moeite haalt de “Holland” de laatste 10 bemanningsleden van boord. De reddingsboten maken nog een lange zoektocht naar de verdwenen sloep echter zonder resultaat.

Tjalk “Geri”

Drie dagen later, op 27 oktober 1949, raakt een tjalk, geladen met straatstenen voor de weg Nes-Hollum, op het wad bij Nes in nood. Schipper Wierdsma van Stavoren van de tjalk “Geri” heeft de hoop redding al opgegeven en wacht de ondergang van zijn schip in de kooi af. Zijn vrouw en een 3-jarig zoontje zijn ook aan boord.  Met veel moeite weet men het gezin te redden. Wanneer men van de tjalk wegvaart ontdekt de schipper dat al zijn papieren en geld nog aan boord zijn en dus besluit schipper Botte Neij terug te keren om dit van het schip op te halen. De tjalk blijft drijven want de volgende dag lukt het om het schip naar de steiger in Nes te brengen waar de stenen worden gelost.

Koninklijk

Ook is Botte Neij, volgens een krantenartikel, (waarschijnlijk met zijn vrouw) op 15 november 1949 aanwezig in de Ridderzaal te Den Haag ter gelegenheid van de uitreiking van het predikaat “Koninklijk” aan de beide reddingmaatschappijen ter gelegenheid van hun 125-jarig bestaan.  Minister-president Drees mag namens de Koningin het predikaat uitreiken middels nieuwe, van een kroon voorziene, maatschappijvlaggen. Prinses Wilhelmina spelt  een flink aantal redders onderscheidingen op. Ook koningin Juliana en prins Bernhard zijn hierbij aanwezig. Botte Neij krijgt hier een zilveren medaille voor menslievend hulpbetoon uitgereikt. Vanaf 11 november 1949 is de NZHRM dus de KNZHRM geworden.

Bij de Koninklijke Reddingmaatschappij in 1949 zijn Botte Neij als schipper en Anne Bruin, Klaas Bruin, Hans Bruin, Gooi G. Visser, Jan de Jong, Gerrit Visser, Jan Visser en Eeuwe de Vries als opstappers in dienst. Voerlieden zijn G. Ruijgh, P.A. Barf, B.D. de Boer, G.C. de Boer, H. de Jong en A. Nagtegaal. De walploeg bestaat uit Jan Visser, Leendert Visser, Jacob Visser en Pieter IJnsen.  Volgens mij is in het lijstje Piet van der Laag vergeten of hij moet in 1952 al vervangen zijn door Pieter IJnsen.

Acties met de strandreddingboot

MS “Hansine”

Begin januari 1951 strandt ’s nachts geheel onopgemerkt een 72 jaar oud Duits ms “Hansine”op het oostpunt van Ameland. Van de vijf bemanningsleden spoelen er 3 op Ameland aan. Het schip is 32 meter lang, 5.20 breed en meet 170 ton. Het schip is geladen met hout en zo’n lading is natuurlijk welkom op het eiland. Maar het is voor de bemanningsleden een vreselijke ervaring geweest om daar op “de Hon” te stranden. Het is winter en het water is ijskoud. Pas de volgende morgen worden de slachtoffers gevonden.

Zeiljacht “Helge”

16 juli 1952 strandt een zeiljachtje ten zuiden van de Koffieboonplaat. Een Deense zeiler is met een wel zeer oud zeiljacht op weg naar Panama. De boot heeft een gebroken kiel en een defect roer. De reddingboot trekt het bootje vlot en brengt de zeiler naar routeboei ET 12 zodat hij zijn reis kan vervolgen. De man blijkt ook bijna geen proviand aan boord te hebben en krijgt nog een blik scheepsbeschuit mee. Al met al was de reddingbootbemanning de hele dag in de weer met de “Helge”. Wanneer blijkt dat de man weer voor het Amelander Gat wordt gesignaleerd, gaat de reddingboot voor anker om direct weer hulp te kunnen bieden.

De volgende ochtend is de “Helge” uit het zicht verdwenen. Ruim een week later strandt het jacht op het eilandje “Griend” bij Terschelling. Het bootje komt niet meer los. De kiel wordt van de boot gezaagd en de tocht van de Deen eindigt op Terschelling waar het bootje wordt verkocht.

MS “Diet”

In december 1953 strandt de “Diet” ter hoogte van Nes. Ook hier hoeft de reddingboot niet in actie te komen want de bemanning weet veilig het strand te bereiken met behulp van enkele eilanders. Jan en Jelte Toxopeus weten met hun sleper “Zeevalk” het schip los te krijgen en wanneer ze ook nog de motor van het schip aan de praat krijgen slepen ze de ongelukkig “Diet” naar Rotterdam.

Koninklijke onderscheiding

Op 30 april 1955 kreeg Botte Neij, vanwege zijn verdiensten voor het reddingswezen de zilveren eremedaille verbonden aan de orde van Oranje-Nassau opgespeld.

De laatste reddingstochten

MS “Gruno”

Op 26 september 1956 wordt nog een vergeefse zoektocht gedaan naar 3 verdwenen bemanningsleden van de Nederlandse kustvaarder “Gruno”. Na een aanvaring met het Russische schip “Kolomna” zinkt de kustvaarder binnen enkele minuten. Vijf opvarenden worden aan boord van de “Kolomna” genomen. De kapitein Arend Wieringa, zijn vrouw en een Duitse matroos worden vermist. Na een langdurige zoektocht waarbij alleen een olievlek wordt gevonden, aanvaardt de reddingboot de terugreis.

Zeiljacht “Amadeus”

Op 23 juli 1957 eindigt de huwelijksreis van William Goldman (25 jaar) en Marian Lonhurt (19 jaar) met hun zeiljacht “Amadeus” op het noord-west van Ameland. De reddingboot schiet het bruidspaar te hulp. Het jacht is lek geslagen, staat vol water en zit op een zandbank in de branding. Nadat het schip is leeg gehoosd en het lek provisorisch is gedicht wordt het los getrokken. Het jacht wordt naar Terschelling gesleept waar de Rijkspolitie te water het jacht overneemt en voor reparatie naar Harlingen brengt.

Jappie Buwalda

13 juli 1958 maakt de 13-jarige Jappie Buwalda uit Holwerd angstige uren door wanneer hij op zondagavond met een plastic bootje bij de Holwerder pier afdrijft terwijl het flink waait. Twee mannen, werkzaam bij de landaanwinningwerken gaan met roeiboot met buitenboordmotor achter Jappie aan. Na enkele kilometers weten ze Jappie te bereiken en de jongen aan boord te nemen. De motor is echter niet sterk genoeg om terug te varen en zo drijven ze af naar het oosten.  Pas de volgende ochtend ontdekt de reddingboot van Ameland het bootje en brengt Jappie en zijn redders naar Holwerd tot grote vreugde van de Holwerders.

Klaas Bruin

Op 22 september 1958 raakt de 57-jarige Klaas Bruin tijdens onderhoudswerkzaamheden aan de motor van de reddingboot bewusteloos. Wanneer schipper Botte Neij in het boothuis arriveert, blijkt hij al te zijn overleden. Hulp mocht niet meer baten. Klaas Bruin maakte sinds 1939 deel uit van de bemanning en maakte 62 reddingstochten mee. Het op 25 september geplande afscheid van schipper Botte Neij wordt verplaatst naar 2 december 1958. Een trieste dag voor niet alleen de medewerkers van de reddingsmaatschappij maar voor het hele dorp.

Afscheid van roeier en schipper Botte Neij

Tijdens het afscheid van Botte Neij komen vele sprekers aan het woord. Botte bedankt kort en krachtig met de woorden “Bedankt jongens”! Lang geniet Botte Neij niet van zijn verdiende pensioen. Op 16 november 1963 overlijdt hij op 66-jarige leeftijd. Slechts enkele maanden heeft hij een AOW-uitkering “van Drees”  ontvangen.

Botte Neij op latere leeftijd

Jan de Jong volgt hem op als schipper maar al in april 1959 legt hij zijn functie neer omdat de functie van schipper moeilijk is te combineren met zijn werkzaamheden. In juli 1959 wordt hij opgevolgd door de 59-jarige Sietse de Jong.

Bronvermelding:

  • Engelina Visser-Neij
  • “Het Reddingwezen op Ameland 1824-2005” van J.A. Blaak
  • “Skip op Strân” van Hans Beukema
  • "De Particuliere Busondernemers van Ameland 1923-1967” van R.F. de Boer
  • Archief Leeuwarder Courant