Over Roomsche Schoonheid en een ezelstocht. Reisbelevenissen van een Amelander in Rome.

Bernard Molkenboer O.P (1878-1948) en Jan de Jong (1885-1955)

Bernard Molkenboer O.P (1878-1948) en Jan de Jong (1885-1955)

Toen de 23 jarige Jan de Jong uit Nes Ameland in 1908 in Rome zijn studie theologie en filosofie begon ging er een wereld voor hem open. Tot dan toe had hij ruim 10 jaar doorgebracht in de beslotenheid van het klein-seminarie in Culemborg en het groot-seminarie in Rijssenburg. In 1908 werd hij tot priester gewijd en kreeg van zijn bisschop de kans zijn studie voort te zetten in Rome. Jan gebruikte al zijn tijd naast zijn studie om de stad Rome te ontdekken. Dagelijks trok hij erop uit. Eerst met zijn vriend Jan Smit, de latere bisschop in Noorwegen. Na een half jaar met zijn nieuwe vriend Bernard Molkenboer. Deze dominicaan studeerde vanaf 1909 in Rome kunstgeschiedenis. Hij had hem al eens ontmoet in een tram in Huissen waar Jans oom Sipke notaris was.

Ansichtkaart Jan de Jong van Rome

Ansichtkaart Jan de Jong van RomeBernard Molkenboer en Jan de Jong trokken dagelijks, meestal na 16.00 uur, Rome in, de stad die ze op hun speurtochten steen voor steen ontdekten. Molkenboer gebruikte die tochten om daar boeiende reisverhalen over te schrijven die gepubliceerd werden in tientallen Centrum-artikelen. Later in 1913 verwerkt in een dik en rijk boek "Roomsche Schoonheid". Ik had het geluk dat ik dit boek, met de reisverhalen met Jan de Jong, onlangs bij een antiquariaat op de kop kon tikken.

Door BH Molkenboer op

Eén van de mooiste belevenissen was de driedaagse zwerftocht door de bergen van midden-Italië. Dat was naar het bergdorpje Subiaco waar het leven van de Heilige Benedictus zich afspeelde. Op de tweede dag maakten de beide vrienden een fameuze tocht naar Oleva op de rug van gehuurde ezels, over bergkammen en langs afgronden. Er ontwikkelde zich een soort galgenhumor over hoe ze zichzelf eerst als de priester en de leviet zagen die op hun ezeltjes in het Palestijnse bergland de geplunderde wandelaar voorbij liepen. Toen het avontuurlijker werd, zagen zij zichzelf meer zitten op hun grauwtje en bruintje als Don Quichotte en zijn schildknaap herboren. Een paar keer tuimelden ze van hun ezeltje, gelukkig aan de ongevaarlijke kant van het ravijn. De vrolijkheid herleefde toen de ezelsjongen na twintig mislukte pogingen om hun nationaliteit te raden een van de priesters aankeek een uitriep, Giapponesi! Japanners. Toen ze in de namiddag in de brandende zon Olevano bereikten schreven ze met de dagtekenen van 29 maart 1910 hun namen in het gastenboek. Het is prachtig, beeldend beschreven in het boek van Molkenboer.

      Molkenboer.

Ook Jan beschreef deze reis naar zijn vader en familie op Ameland. Minder bloemrijk, eenvoudiger en zich telkens verontschuldigend dat hij per ezel reisde, dat het niet duur was en toch noodzakelijk. Jan heeft zijn hele leven de gewoonte gehad om middels een briefkaart zijn familie even te laten weten dat het goed gaat. Als die vele kaarten zijn bewaard gebleven. Zo ook de kaart die hij stuurde aan vader vanuit Subiaco.  Wij nemen nu gedeelten over van de reisbeschrijving van Jan aan zijn familie in Nes.

Rome 3 april 1910.

Waarde  vader,
Verschillende malen heb ik al over Romes kerken geschreven - nu eens voor de afwisseling de beschrijving van een kleine reis, die ik dezer dagen gemaakt heb. We hebben eenige dagen vacantie-naar huis gaan als vroeger, gaat niet-  altijd studeren nog veel minder- een reis van een paar dagen in Italië is zeer goedkoop en mooi en nuttig. Ik had dus voor een paar weken reeds pater Molkenboer, een Hollandse dominicaan, die ik van Huissen uit reeds vroeger kende, die een maand of vijf in Rome is en met wien ik veel wandel, afgesproken een klein uitstapje naar de Sabinerbergen te maken. Zo gij weet ligt Rome in een grote vlakte, die van alle kanten door bergen wordt ingesloten, en een van die berggroepen zijn de Sabinerbergen, zo genoemd naar het volk, dat voor 3- 4000 jaar die streken bewoonde en dikwijls met de Romeinen oorlog voerde. Ze beginnen een uur of acht ten zuidoosten van Rome en zijn bij helder weer van hieruit goed zichtbaar, ze bestaan uit kale witte steenrotsen, niet vruchtbare dalen er tussen en bereiken een hoogte van 1800 meter (zes en dertig maal de Hollumer vuurtoren).
Maandagmorgen om half acht gingen we op de trein, eerst een mooie reis door de Campana, de schilderachtige vlakte rond Rome, toen in Tivoli, in het begin der bergen, daar was ik vroeger al eens geweest. Van den trein uit zagen we de prachtige watervallen en na drie uur sporens waren we in Subiaco. Subiaco is een stadje van tienduizend inwoners, echt Italiaanse met steile, smalle straten tegen de berg oplopend, met donkere huizen uit grote steenblokken gebouwd. Met wel tien kerken, in het midden is een ruimer lopende waterbron, waar de vrouwen in grote koperen kruiken water putten, die ze dan op hun hoofd zetten  en met de armen over elkaar wandelen ze heel kalm naar huis. Paarden ziet men bijna niet- die kunnen niet lopen in de bergen en nog veel minder wagens voortrekken langs de smalle paadjes. Alles geschiedt door ezels en muilezels, die je bij tientallen ziet, beladen met hooi, hout of vaten die aan beide kanten over de rug naar beneden hangen.
Subiaco is vooral beroemd als de plaats waar de H.Benedictus als kluizenaar woonde en ongeveer 500 na Christus het eerste klooster der Benedictijnen stichtte die later het noorden van Europa beschaafd maakten, (ze waren tot ongeveer 900 na Christus ook op Ameland). In Subiaco zijn e rnog meer beroemde kloosters der Benedictijnen, een toegewijd aan de H. Scholastica, de zuster van H. Benedictus, en een toegewijd aan den H. Benedictus, nog hoger op, waar hij zelf eerst als kluizenaar leefde en waar men in de nabijheid nog de rots ziet, uitgehold door het herhaaldelijk knielen op die plaats door den Heilige. Dat laatste klooster is vooral merkwaardig- langs een smal paadje stijgt men omhoog en door een klein boschje komt men bij het klooster dat als het ware aan de steile rotsen hangt- ik begrijp niet hoe men daar het heeft kunnen vastmaken.

Ansichtkaart Subiaco

Daarnaast is een kerk, als het ware in de rotsen uitgehouwen. De muren worden voor het grootste deel door rotsen gevormd en om die te verbinden zijn enige muren gebouwd. Er zijn verschillende kapellen -  boven elkaar-  langs een trap daalt men naar beneden. Het is echt een plaats om voor God alleen te leven - ik heb zelden een plaats gezien, waar de natuur grootscher is. Het klooster zelf gebouwd tegen een steile steenachtige witte rots-  waar geen sprietje groeit- diep onder je voeten zie je een diep smal dal, met prachtige groene bomen, waardoor het riviertje loopt, dat je kunt horen ruischen. Aan de andere zijde van het dal, vlak tegenover het klooster verheffen zich weer hemelhoge, steile rotsen. En alles is zo stil en rustig- geen geluid van de wereld dringt er door.
Den nacht brachten we door in Subiaco en toen wachtte ons een prachtige dag.

 

Achterkant Jan de Jong aan zijn vader

Waarde vader,
Ben hier met p. Molkenboer  in Subiaco, 3 uur sporens van Rome, waar de beroemde kloosters zijn van H. Benedictus en zijn zuster H. Scholastica.
Hartelijke groeten aan allen.
J. de Jong

 

We wilden nog verder de bergen ingaan - een spoor is daar niet. Wegen voor wagens ook niet, een hele dag lopen en stijgen en dalen is dodelijk vermoeiend. Dus bleef niets over dan een ezel te bestijgen. Dezen één dag te huren kost bijna niets- we stuurden de hotelhouder uit om een paar te zoeken en om half negen stonden een paar van die lieve diertjes gezadeld en wel voor het hotel met twee jongens om de weg te wijzen en ze aan te drijven. Ik heb nooit op een paard of ezel gezeten, geen wonder dat ik in het begin wel eens mijn evenwicht verloor en er half afviel. Maar je valt van een ezel niet hoog en dus kan het niet veel kwaad en later reed ik prachtig. Het was het begin van een prachtige tocht, we reden langs een langzaam stijgende weg aan den voet van hoge, met sneeuw bedekte bergen, door prachtige dalen, zeer vruchtbaar met olijven en vijgenbomen en wijngaarden, door kleine riviertjes doorsneden. Maar langzamerhand ging het hoger, daar groeide niets meer en voerde een smal kronkel paadje over harde steenrotsen, en het was warm, evenals je in de zomer in zandduinen loopt. De ezels zijn vast van stap en kennen de weg en zullen nooit een misstap doen, maar ik vertrouwde me toch niet. Ik was iedere keer bang, als de weg iets daalde, voorover over de kop van den ezel te slaan en dan was je reddeloos verloren.De weg was geen meter breed en bij een val zou je van een hoogte van 1000 meter recht naar de diepte vallen. Ik koos dus de verstandigste partij en ging maar naast den ezel lopen  - doch dat gevaarlijke stuk duurde maar een half uurtje. Om twaalf uur waren we in Rocardi Stephano, het hoogste punt. Daar wat gegeten in een herberg, waar de kippen om de tafel liepen en toen ging het langs een mooie breede weg langzaam naar beneden, om half vier reden we Olevano binnen, een prachtig stadje, waar we overnachtten.
Ofschoon ik een bang half uurtje had, wat eigenlijk echter overdreven was, want zo gevaarlijk was het niet en pater Molkenboer bleef op zijn ezel zitten, was het de mooiste tocht die ik in Italië gemaakt heb. De volgende morgen, woensdag, gingen we om half zes met de automobiel naar Geazzano, waar we in twintig minuten waren en de H.Mis lazen in de beroemde pelgrimskerk van de Moeder van Goeden Raad. Toen nog ene wandeling van 3 uur naar Palaestrina dat we ´s middags eens bekeken en woensdagavond om zeven uur thuis.
Mijn brief is ten einde. Verder geen nieuws. ik ben uitstekend gezond en hoop van u allen hetzelfde. Hartelijke groeten ook aan t. Janke, broers, zusters, familie, den eerwaarde pastoor Scholten en Marijke. Uw zoon J. de Jong.

 

 

De kameraden Bernard Molkenboer en Jan de Jong bleven hun hele leven bevriend. Molkenboer werd bekend als Vondelkenner en werd docent aan de Universiteit van Nijmegen. Jan de Jong werd professor aan het Groot-seminarie Rijssenburg, daarna president en uiteindelijk aartsbisschop van Utrecht. Als er op het seminarie voor de circa 300 studenten de jaarlijkse feestavond was dan werd Molkenboer vaak uitgenodigd als feestprediker. Vaak verhaalde hij dan voor zijn jonge publiek over de ezelsreis van hun president. Tot groot vermaak van Jan de Jong.  

een processie in Huissen. Voorop loopt in zijn dominicaanse habijt prof B. Molkenboer. In het midden loopt met lantaarn Sipke de Jong, notaris in Huissen en oom van Jan de Jong.Op deze foto een processie in Huissen. Voorop loopt in zijn dominicaanse habijt prof B. Molkenboer. In het midden loopt met lantaarn Sipke de Jong, notaris in Huissen en oom van Jan de Jong.

Geschreven door Anne de Jong

Meer van de Ouwe Pôlle: