Dorpsverhaaltjes door Ben de Jong, Richard Kiewiet en Anne de Jong

Ben de Jong van AmelandRichard Kiewiet van AmelandAnne de Jong van Ameland

Gedurende de maand januari 2021 wordt elke dag een dorpsverhaal van Oost-Ameland geplaatst. Deze verhalen zijn verzameld door Ben de Jong, Richard Kiewiet en Anne de Jong. Zij nodigen u uit op deze verhalen te reageren (aan te vullen of corrigeren). Maar nog belangrijker: deel uw verhalen met ons! Onderaan deze pagina vindt u een formulier waarmee u ook verhalen kunt delen. We hopen dat de verhalen behouden blijven voor de toekomst.

Deel 33: Port

Samengesteld uit verschillende artikelen, door Anne de Jong

Het verhaal achter een advertentie, gepubliceerd in diverse "couranten "in april 1865.

Advertentie bij het verhaal over Port

In bovenstaande advertentie wordt de verkoping aangekondigd van een grote partij rode en witte portwijn, afkomstig van het gestrande Portugese schoonerschip Deolinda, kapitein A.J. Antunes. 

Wanneer een schip strandde – en dat gebeurde regelmatig in die tijd – kwam er een hele organisatie op gang. Er waren precieze afspraken hoe met de schepen en goederen omgegaan diende te worden. In de tijd van de Cammingha's en Oranjes behoorden al het rondhout, de overloopse balken en 't ijzerwerk aan de landsheer, de watervaten en luiken aan de secretaris en de commissaris en al het overige aan de burgerij. Voorts kreeg de Landseigenaar een tiende deel. In ieder dorp stonden pakhuizen.

De bergers van de gestrande goederen waren verdeeld in drie klassen: de wagenaars, de handbergers en de oude mannen. De wagenaars kwamen met hun rijtuigen op het strand, ze waren met ongeveer 120 personen en trokken de helft van drie/tiende bergloon. Handbergers – mannen jonger dan 55 jaar –  moesten de goederen uit het wrak op de wagens bergen. De oude mannen gingen niet naar het strand, maar losten de goederen van de wagens in het pakhuis. Evenals de handbergers werden ze ook wel de Halfdeelers genoemd. Ieder van deze drie klassen had in elk dorp twee vertegenwoordigers. Die van de handbergers en oude mannen trokken dubbele porties en die van de wagenaars van elk schip een gulden. 

De Baljuw, later de Grietman of burgemeester was tevens veilingmeester. De goederen die niet aan bederf onderhevig waren bleven bewaard totdat de eigenaar aangaf wat hij met de goederen wilde doen. Hij kon ze terugnemen tegen betaling van de kosten óf zijn zes/tiende deel aanvaarden bij verkoping. Soms hield de handberger er negen gulden aan over en de wagenaar dertig gulden.

We hebben een prachtig ooggetuigenverslag van de toen zesjarige Dirk Kooiker (*11 november 1859, †10 november 1942), beter bekend als Sjapes Dirk. Het werd opgetekend in 1939.

Dirk Kooiker aan het woord

Het was 7 januari 1865. Het Portugese schip Deolinda had tijdens een zware storm al de hele nacht in de branding voor Buren liggen dansen. Het was duidelijk dat het schip het niet zou redden. De eilanders stonden de stranding vanaf strand gade te slaan. Voor het ochtendlicht was het schip wrak geslagen en in de loop van de opvolgende uren raakte het strand bezaaid met zakken boekweit. De bemanning bestond uit moedige kerels die met hun eigen sloepen aan wal kwamen. Inmiddels waren de jutters al bezig de volle zakken tarwe te vergaren.

Toen de bemanning op strand aankwam, bleken ze echter "zo dronken als Maastricht" te zijn! De oude Dirk Kooiker had er zestig jaar later nog grote schik om: "En schreeuwen dat ze deden! En ze wezen maar, ze wezen naar de zee die daar als een wild dier lag te brullen." Niemand begreep wat er nou precies aan de hand was. Er konden geen mensen meer op het wrak zijn. Maar opeens zagen ze het! Ineens begrepen ze waarom die vreemde zeelui met hun waggelende benen daar een vreugdedans maakten en toen ze dat wisten, deden ze mee. Want achter elkaar dansten een groot aantal wijnvaten over de golven naar het strand toe.

Midden tussen de bemanning en de jutters stond een zwart-ogig, pienter kereltje en ze begrepen dat hij de kapitein moest zijn. Het mannetje schreeuwde maar steeds: "Port!!... Port!!... Port!!" en dan sloeg hij zichzelf op de borst, alsof ie met elke slag een volle fles voor zichzelf opeiste. De jutters knikten maar, het driftige kereltje sussend, en wezen op de vaten die aanspoelden. Maar de vent hield niet op. Hij bleef om port schreeuwen tot eindelijk iemand ontdekte, dat de man helemaal geen port verlangde, maar de strandvonders er op zijn manier opmerkzaam op wilde maken, dat zijn schip een Portugees schip was en of de heren daar rekening mee wilden houden! Maar die vonden het allang best. Een dag lang deden ze niets anders dan wijnvaten verslepen. In de middag kwam "kapitein Port" warempel nog een keer langs en dit keer kon niemand hem misverstaan, want op zijn zwaaiende benen stond hij voor ze met in zijn armen flessen porto en een Keulse pot vol oude jenever.

Dertig wagens hadden ze nodig gehad om de wijn te bergen en ze kregen dertien gulden de man voor iedere karrevracht!

Sjapes Dirk kijkt er na al die jaren voldaan en verlekkerd op terug: "Aan zo'n schip heb je als jutter nog es je plezier! Daar zit muziek in, man! Wijn en port en van-alles-en-nog-wat! Dagen lang feest, omdat die vreemde snurkers natuurlijk zo maar niet weg waren en maar bleven trakteren en dan nog een bom duiten voor al je gesjouw en geploeter. Best, man, best, kom daar nou tegenwoordig es om! We hebben toch zeker negentig gulden de man aan die rare Portugees verdiend en daarom zie ik die kleine, zwarte kapitein nu nog voor me, alsof we gister op het strand hebben staan springen!" 

Dirk Kooiker alias Sjapes Dirk van AmelandDirk Kooiker alias Sjapes Dirk met planken aan het sjouwen

Bekijk de eerdere verhalen van Oost-Ameland onderaan deze pagina

Dorpsverhaaltjes door Ben de Jong, Richard Kiewiet en Anne de Jong

Deel 1: over Nico Bosch

1. Over Nico Bosch

Nico Bosch met daarachter zijn zwager Rudolf Bossinade
Nico Bosch met daarachter zijn zwager Rudolf Bossinade
 

Verteld door Anne de Jong

Nico Bosch (1894-1974) in 1923 gehuwd met de Holwerdse Aafke Wiersma (1888-1983).

Naast Nico Bosch woonde Klaas van Jeppe ( Groenewold).. Klaas van Jeppe had als hobby het fokken van kippen. Hij had altijd wel een kip op eieren zitten om kuikentjes uit te broeden. Die kippen wipten ook wel eens over de haag en liepen dan in het kampje van Nico Bosch. Nico kwam dan boos uit zijn huis vliegen en joeg de kippen terug. Op een dag had Nico wat hooirookjes op zijn kampje staan en was er weer een rel over de kippen geweest. Klaas ging 's avonds heen met een zestal "fuule eieren" (Zoals je weet zijn dit eieren waar de kip drie weken op heeft gezeten en die niet bevrucht waren maar die verschrikkelijk stinken als je ze breekt.) naar een hooirookje van Nico en maakte daaronder met wat hooi een mooi nest en legde daar die fuule eieren in. De dag erop ruimde Nico de hooirookjes op en vond een nest met eieren. Na eerst wat schichtig naar het huis van de buurman te hebben gekeken, ging de pet af en werden de eieren voorzichtig naar zijn vrouw gebracht. Je begrijpt het leedvermaak wat in huize Groenewold beleefd werd en het verhaal werd nog vaak naverteld.
Het huis van Nico Bosch aan de Reeweg in Nes
Er werden ook verhalen over Nico Bosch verteld die niet waar gebeurd zijn maar bedacht door dorpsgenoten. Zo gaat dus het verhaal dat in oorlogstijd Nico Bosch in de duinen liep. Hij moest aldaar zijn behoefte doen en juist op dat moment kwam er een Duitse soldaat over de duinkam. Papieren Bitte! Och dat hoeft niet , zei Nico Bosch, "Ik red me wel met een bosje helmen."

Of die keer dat er een Jehova Getuige aan de deur kwam. Hij heeft die persoon een uur lang zijn verhaal laten vertellen tot aan het einde hij zei:"We blijven toch maar bij de spar."
 
De boerderij van Klaas van Jeppe Groenewold. De foto is genomen vanaf het erf van Nico Bosch.
Het woonhuis van Klaas van Jeppe Groenewold. De foto is genomen vanaf het erf van Nico Bosch.
 

Het kwam in de oorlogsjaren regelmatig voor dat er grote luchtballonnen over kwamen met touwen met ankers daaraan. De bedoeling daarvan was dat het anker vernielingen aanrichtte. Een keer kwam zo'n ballon over Nes richting de zeedijk. Nico Bosch zat op dat moment te melken bij de Lije sloot. Nico, sterk dat hij was, dacht die ballon wel te kunnen houden. Hij pakte het ankertouw, hange, hange, niet loslaten.... De ballon sleepte hem dwars door de Lijesloot. Toen moest hij wel loslaten.

Nico Bosch was altijd een grote sterke man geweest. (Verteld door Richard Kiewiet).

In het smederij van Theo van Heintjes in Buren stond een aambeeld. Het was daar een komen en gaan. Een soort praathuus. Het was een kunst om dat ding van weet ik hoeveel kilo boven je hoofd te tillen. Wij als knapen probeerden dat vaak. De kunst was dat hij met beide handen gestrekt omhoog getild moest worden. Bijna niemand lukte dat. Toen Nico een keer langs kwam werd hem gevraagd om het ook te proberen. Ook Nico lukte het niet en dat zinde hem niet. Na een week kwam ie terug. Hij zei, nu kan ik het wel en hij hield het aambeeld een paar seconden met gestrekte handen boven zijn hoofd. Nico had de hele week thuis aan het oefenen geweest om dat dooie ding de baas te wezen.

Door het vele krachtwerk was hij op zijn ouwe dag erg stijf en wrak. Krubinteg op zijn Amelands.
 

Zuidkant van de boerderij van Nico en Aafke

Zuidkant van de boerderij van Nico en Aafke

Als Nico eieren van zijn vrouw Afke bij ons moest halen, belde zij van tevoren ons op. "Let op, Nico komt bij jimme en vang hem op." Nico kon namelijk zijn been vanwege zijn stijfheid niet meer over de stang van de fiets krijgen. Zijn vrouw hielp hem op de fiets en duwde hem aan. Zo fietste Nico naar Buren en wij vingen hem op. We lieten hem dan zacht tegen de schuur aan vallen zodat ie op de fiets kon blijven zitten. Nico bleef daar op de fiets tegen de schuur aan hangen wachten. 10 eieren in een tasje achterop en Nico werd weer rechtop gezet en aangeduwd naar Nes.

Een damesfiets kopen zonder stang.....nee dat was voor vrouwen en niet voor mannen.

Deel 2: over Kleine Jantke

Deel 2: over Kleine Jantke

Kleine Jantje
Kleine Jantke
 

Verteld door Ben de Jong

Kleine Jantje woonde bij Ome klaas en tante Catharina.Hij was een oude zeeman. Hij was bij Douwe Janne Paulus Brouwer om de clandestiene radio te beluisteren. Paulus had een radio in de schuur onder het stro verstopt. Nu hoorde hij dat de Duitsers de slag gingen verliezen bij Stalingrad. Paulus zei tegen hem, Jantje nu moet je voorzichtig wezen met tegen wie je hierover meepraat. Jantje zei dat hij dat zou doen. Doch na de berichten ging hij naar Oom Anne zijn winkel om wat pruimtabak te kopen en toen hij de deur in kwam van 
de winkel stonden daar twee grote Duitsers met hoge petten op. Jantje was verrast en zei meteen:"Jimme krijen op je mieter he! Dat hêw ik net hoard bij Paulus"

Gelukkig maar dat de Duutsers geen Amelands verstonden.

Jan’tke woonde bij Klaas Oud in. Toon van Klaas zat eens bij hem op de fiets. Ze kwamen van strand, voor op de bagagedrager, hadden ze een paar lange balken liggen en de kleine Antoon zat er bovenop. Op de Strandweg, die nog onverhard was, raakten ze vast in het mulle zand en de hele zaak ging om. Of iets in die geest Jant´ke lustte ook wel een borrel en op een keer nam hij er eentje teveel. Op een keer was hij vermist en raakten Buremers aan het zoeken. Ze vonden hem in een greppel bij het bonkepaaltje bij Nes.

 

Deel 3: over Beppe Jan Molenaar

Deel 3: over Beppe Jan Molenaar

Door Anne  en Ben de Jong

Beppe Jan

Over die bel ken ik nog een verhaaltje. Wij hadden hier op de lagere school een meester genaamd Timmermans. Hij heeft hier wel veertig jaar aan school gestaan. Een aantal jaren geleden kwamen zijn zuster en haar man naar Ameland en zij waren op zoek naar de familie van de kardinaal. Zo kwamen ze bij Anne de Jong. Ze hadden twee dingen bij zich. Een Romeinse Missaal die volgens hen van kardinaal De Jong was geweest en die na zijn dood geschonken was aan de Kardinaal de Jongschool in Nes waar meester Timmermans les gaf. Die heeft dat boek gehouden en nu is het bij mij. Ook hadden ze bij zich deze bel van Beppe Jan. Die was na de dood van Beppe Jan gegeven aan de school omdat de schoolbel kapot was. Uiteindelijk werd die bel aan museum Swartwoude in Buren geschonken.


Beppe Jan Molenaar Ameland

Een verhaal was van Beppe Jan, de omroeper. Hij wist niet altijd wat de boodschap betekende die hij moest voor lezen en soms was het erg moeilijk wanneer hij boodschappen kreeg van de burgemeester enz. Dat voordat hij op weg ging met zijn bel en fiets, lazen hij en Antje Tieman altijd eerst wat hij moest omroepen. Als Antje in de gaten had dat Jan het nu goed begreep dan stuurde zij hem op weg. Wij waren op de zuidhoek de eersten die de bel hoorden en vlogen altijd naar buiten en ons mim ook. Op zekere dag hadden jonge jongens van Buren wat sabotage gepleegd en dat had de moffen erg kwaad gemaakt. 

Jan moest omroepen dat: “Dit moest ophouden en anders zouden de misdadigers gefusilleerd worden.”  Dat betekende dood geschoten worden.

Maar hij en Antje konden het niet begrijpen en hij kon het ook niet uitspreken, eindelijk toch op weg. Bij de driesprong bij Sip van de Klei en Gerrits Jan, ging de eerste bel en Jan zei - Als dit weer gebeurt worden de misdadigers GEFELICITEERD.

Het was een woord dat hij kende en zo ging het over het hele Buren. Hij wist nooit waarom men er zoveel over lachten. Ik heb het zelf gehoord.

 

Deel 4: 'Geert hoger!'

Deel 4: 'Hoger Geert!' 

Verteld door Anne de Jong

Een educatieve gebeurtenis die vaak verteld wordt in de familie. Geert Polet (1893-1969) was nog een heel klein jongetje toen hij hoog de ladder op klom die in het hooivak stond. Zijn vader zag het gebeuren en was bang dat hij zou vallen. Hij dacht bij hemzelf, als ik nu begin te schelden dan wordt ons Geert zenuwachtig en valt van de ladder. Dus hij dacht: ik moet het anders aanpakken. Hij riep naar boven: “hoger Geert!”. Geert zat ondertussen al in de hanebalken.  Geert riep terug “Ik durf niet hoger”. “Nou kom dan maar naar beneden”, zei vader. Toen hij weer op de begane grond stond kreeg hij een pak slaag.

Geert was een broer van Andries Polet. Dat is de vader van Ids Polet. Ze hadden de boerderij aan de Ballumerweg in Nes. Hun ouders heten Ismaël en Jetske Polet – Spleet. Er waren nog drie zusters: Risje, Aafje en Antje .

Diezelfde Geert is een keer een winterlang aan het egaliseren geweest in de binnenduinen, in wat we nu de Vlakte van Polet noemen. Op een dag klaagde iemand bij zijn moeder Jetske, dat Geert de grond te veel op hoogte bracht en het daardoor te droog bleef in de zomermaanden.  De reactie van moeder was:  "Ik had die joah’ fan't winter beter in ut hoaifak opslúte kinnen."

Geert werkte later eerst in de melkfabriek van Nes en ging later in Holland in de zuivel.

Dorpsgezicht Nes

Deel 5: Douwe Appelman

Deel 5: Douwe AppelmanDouwe Appelman van Ameland

Als de kardinaal op bezoek kwam bij zijn broer Jacob, was Gerbentje immer wat gespannen. Ze wilde zich van de beste kant laten zien en het mooiste servies kwam op tafel. Op een keer stond Douwe Appelman, de schilder,  voor de achterdeur. De kinderen werden er gauw heen gestuurd want er was bezoek en het paste niet. Maar Douwe liet zich niet tegenhouden. "Ik kom", met enkele krachttermen slakend, "foar Jan pastoor. Die hét nóg bij mij in de klas séten, ik moet him spréke!" Waar ging het over: Douwe had een offerte uitbracht om de rk kerk van St. Nicolaasga te verven. Of Jan pastoor niet kon zorgen dat hij het werk kreeg? Naar verluid heeft hij later wel een rk kerk geschilderd, maar niet die van St. Niek. Of daar de invloed van Jan Pastoor voor is aangewend is niet bekend. 
Douwe Appelman was nog een jonge vent, nog niet gehuwd met Marta van der Geest. Hij kwam uit een huishouding waar het financieel niet ruim was. De familie Appelman wonde in de Westerlaan, tegenover de Gereformeerde Kerk in Hollum.  Er was een kippenboer in Hollum die had een zieke kip die dood ging. De man gooide de dooie kip over de haag waar Douwe Appelman hem vond. De dooie kip ging mee naar huis. Daar zeiden ze, "Heerlijk foar in de soep fan saterdech." Douwe antwoordde:"Niks wachte tot saterdech. Ik wil nou kippesoep, saterdech kin ik wel doad weze."

Deel 6: De hond Nero

Deel 6: De hond Nero

In de oorlogsjaren, omstreeks 1942, nam de familie van Japik en Gerbentje,  een jonge hond over van Anne Oud. Deze ging het eiland verlaten omdat hij zich had aangemeld bij de Nederlandse politie. Dit tegen alle adviezen van de eilanders in. Hij kwam later in gewetensnood en kreeg problemen met de bezetter. Uiteindelijk kwam hij in een concentratiekamp terecht waar hij sterk vermagerd en verzwakt werd bevrijd door de Amerikanen. Kort na thuiskomst overleed hij hieraan. 

Anne Oud

Maar om op de hond terug te komen. De hond heette Nero, en was een uitstekende konijnenvanger. Regelmatig kwam hij met een mals konijntje uit de duinen. Op een keer was kardinaal De Jong op bezoek bij Gerbentje. Hij liet duidelijk blijken dat hij de naam Nero niet wist te waarderen. Keizer Nero was immers één van de ergste christenvervolgers van de jonge kerk. Één keer ging het mis met Nero. Hij zag de keukendeur openstaan van Johannes Kienstra, de schoenmaker. Zijn vrouw had net een stuk spek gekookt. Nero ging er mee aan de haal en naar huis. Johannes de schoenmaker ging op zijn fiets achter hem aan. Zo kwamen ze bij Gerbentje aan. Nero met een stuk spek, waar de vork nog in stond, en Johannes buiten adem. 
De kardinaal, Catrien, Gerbentje, Johan en Japik

V.l.n.r. De kardinaal, Catrien, Gerbentje, Johan en Japik

Deel 7: De ster marrie Corrie

Deel 7: De ster merrie Corrie

Door Anne de Jong

Op een paardenkeuring in Ballum werd het paard van Japik ster verklaard. Dat betekent dat het een paard is met uitmuntende bewegingen en zeer geschikt voor fokmerrie.  Piet Kooiker, de broer van mijn oma Gerbentje, was daarover zo enthousiast dat hij al op fiets vooruitsnelde naar Nes om Gerbentje het nieuws van de stermerrie te vertellen. De merrie werd wel gebruikt voor het boerenwerk maar ook voor de arreslee. Zo heeft zoon Jan, Dirk de Boer ('rape Dirkje'; 1901-1983) samen met zijn vrouw Metje Hofker eens een lift gegeven op de arreslee. Jan kwam terug van sleejagen uit Ballum. Toen Dirk op de slee stapte, Metje zat op de staart, zei Dirk: "In nou fó’t." Het paard kwam met drie man uit Ballum en was in Nes nog vol vuur. Japik hield niet van zo’n vurig paard. Het was niet geschikt voor de melkwagen en hij was benauwd dat zijn zoons Jan en Jacob met het paard op de loop zouden gaan. Hij heeft Corrie verkocht wat Jan altijd heeft gespeten.

Jan met ster merrie Corrie.Jan met ster merrie Corrie.

Jan met ster merrie Corrie.

Deel 8: Een spook

Deel 8: Een spook...

Opgetekend door Anne de Jong. Een waargebeurd verhaal verteld door Japik en Gerbentje.

Deze gebeurtenis moet zich hebben afgespeeld voor 1867. Mijn grootvader Japik is van 1894. Dus het verhaal is vanuit verre overlevering. 

Op een donkere avond zag iemand een lichtje in de miede. Dan ging het eens aan en het weer uit. Het duurde wel een paar uur. Wat zou dat toch zijn? En het ging maar heen en weer, dan weer een eindje oast ân dan weer een eindje west ân. "Dat is niet te vertrouwen, dat moet een spook zijn; een kol. Ik zal een paar mannen halen." Poelmes Piet was er ook bij, en dan zullen we er op af. "Wij met zijn allen kunnen die köl wel aan." Ze namen knuppels mee. Toen ze uiteindelijk dichter bij het lichtje kwamen, hoorden ze:“Ik bin ferdwaald, ik bin ferdwaald.” Toen vonden ze 'Juie Hikke'. Een verwarde oude vrouw uit Nes.

Deze Poelmes Piet moet Pieter Former (1806-1867)zijn. Zijn moeder was Sarah Abrahams Rosalia Boody, bijgenaamd rooie Saar. Haar man Arjen Former was zeeman en heeft haar meegenomen uit Plymouth, Engeland. Volgens Epke van der Geest was het een " lichtekooi uit Plymouth". Dat kon hij ook alleen maar weten uit overlevering. Ze is hier blijkbaar goed ingeburgerd en overleden in 1844. Rooie Saar had een zuster die ze liet overkomen. Echter deze zus maakte het zo bont dat ze snel weer is terug gestuurd naar Engeland. Volgens Arjen Former was eentje wel genoeg.
Arjen Former en rooie Sally Boody hadden vier kinderen, waaronder Jacob Former (1804-1875). Hij werd door zijn Engelse moeder Jake (Engels: 'Djeek') genoemd. Op Ameland verbasterde dat tot Jijke. (Opvallend is dat men Gerrit Former (1909-2003), de vader van Benno en Peter, ook Jijke noemde. Er was daarvoor ook nog een JijkeTrien.)

Jacob Former (Jijke) trouwde met Grietje Klein (1804-1882). Ze kregen zeven kinderen, waaronder Pieter Former. Pieter Former (1841-1917) huwde Johanna Oekes Metz (1839-1871). Uit dat huwelijk waren drie kinderen waaronder Gerbentje Former (1869-1945). Deze Gerbentje huwde met Jan Molenaar ( 1862-1935). Deze Jan maakte als zeeman reizen bij de Rotterdamse Lloyd. Na een ongeval aan boord nabij Singapore brak hij een been en herstelde daar niet goed van. Ook had hij een paar vingers gebroken. Hierdoor kon hij geen zeeman meer zijn en werd veehouder. Alhoewel het melken hem moeilijk af ging. Veel werk kwam op de schouders van vrouw Gerbentje en hun dochter Sietske.

Jan Molenaar had als bijnaam Oeke Dore Jan. Maar ook wel Jan Tip, omdat hij kreupel liep.Hun kinderen werden genoemd: Oekes Douwe, Oekes Hant'ke, Oekes Pieter, Oekes Siets en Oekes Griet. Een grote familie. De rode haren van Sarah Rosalie Boody zijn in de genen van hun nageslacht gebleven en zie je wel eens terug.

Met dank aan het geweldige geheugen van verhalenverteller Gerda (van Oekes Siets) Twickler.
De miede van Nes, Ameland
De miede van Nes

 

Medicijnen of psychische zorg waren in deze tijd niet voor handen. Lees wat Jan de Bakker op 12 januari 1913 aan zijn zoons in het seminarie schreef: 

Christiene, de vrouw van Dirk Former, is gek in ’t hoofd, dat lijkt niet zoo mooi, tuschen beiden is ze zoo kwaad, dat de vrouwen geen baas van haar kunnen worden, daarom is er af en toe een man om haar op te passen, ik heb er ook al een nacht geweest. In deze week kan haar man thuiskomen, het is te hopen dat het dan wat beter wordt, als dan de kinders ook weer eens thuis komen, die ze haar afgenomen hebben, want die waren niet bij haar vertrouwd, en daar roept en schreeuwt ze nu meest om, die wil ze over hebben.”

Deel 9: Grootmoeder

Deel 9: Grootmoeder

Verteld door Anne de Jong
 

Gerbens Sipkes de Jong geboren op 25 oktober 1873 te Buren en overleden op 25 februari 1973. Hij trouwde op 12 april 1902 te Ameland met Catharina Joanna Boelens. Zij was geboren op 4 augustus 1874 te Buren en is overleden op 15 november 1961 te Buren. Als dorpsnaam hadden ze respectievelijk 'Antje Gerben' en 'Tjet Trien'.

Grootmoeder, zoals haar kleinkinderen haar noemde, was reeds op hoge leeftijd toen ze bemerkte dat de kat jongen had gekregen. De kat had haar jongen in een nest gelegd op het zoldertje van het oude huis. Gerben en Trien woonden reeds samen met dochter Tjet in het door haar nieuw gebouwde huis dat schuin voor het oude huis was gebouwd. Grootmoeder klom de gammele trap op en verzamelde de pasgeboren katjes met het doel ze te verzuipen in een emmer water, zoals dat toen gebruikelijk was. Ze had de katjes in haar schort gevouwen en zou zo de trap af. Ze viel daarbij naar beneden en brak haar heup en haar arm. Opereren was toen niet mogelijk en grootmoeder kwam op bed te liggen. Elke dag kwam zuster Rienks uit Hollum, grootmoeder wassen. Naaste familieleden, onder wie mijn moeder Catharina en haar neef Antoon, tilden haar dan met vereende krachten boven haar bed waarop de zuster haar kon wassen en doorligplekken kon bepoederen. Deze pijnlijke situatie heeft wel langer dan een jaar geduurd waarna grootmoeder in november overleed. Mijn moeder heeft vele maanden 's avonds bij grootmoeder overnacht om haar bij te staan. Tjet kon zo haar nachtrust krijgen, die werkte in die tijd als wijkverzorgster en kraamhulp.
De laatste wens van grootmoeder was als ze begraven werd dan moest er een mooi paard lopen voor de wagen met kist. Jan van Tjitses Molenaar had een heel mooi paard en dat heeft haar naar haar laatste rustplaats getrokken. Als dank voor mijn moeders zorgen bracht Antje Gerben enige tijd later een mooie foto bij haar waar hijzelf opstond rijdend op fiets door de Buren.

februari 1957

Antje Gerben op de fiets door Buren

Antje Gerben op de fiets door Buren

Deel 10: Op de Klei

Op de Klei

Verteld door Ben de Jong


Op de Klei boeren - Ben de Jong
 

Deze foto van Opa, Mim en Vader (met blauwe kiel en witte pet) van mijn album doet mij herinneren aan een verhaaltje dat ik vroeger verscheidene keren heb gehoord. Het was toen der tijd de mode voor mannen om een blauwe kiel te hebben met grote witte knopen en een witte pet op in de zomer. Nu was het hooitijd en het was wat laat in de middag en hooi moest op de wagen van een ver afgelegen weiland. Nu bleek dat het hooi eigenlijk niet allemaal op de wagen kon. Jan Bruun, Jan Lap en Sip stonden hierover te praten, totdat Sip besloot als hij het goed en fatsoenlijk op de wagen zou laden, moesten ze het maar proberen. Zo gezegd, zo gedaan. De wagen was heel erg hoog geladen en Sip besloot erop te blijven zodat met zijn gewicht het hooi op zijn plek bleef. Jan Lap was de voerman en de twee paarden trokken de zware wagen langzaam naar de boerderij. De weg was echter een ruwe landweg en toen ze een bocht om gingen, verloor de wagen het evenwicht en de hele wagen met hooi viel om. Sip kwam op de kop in de modder van de sloot terecht. De mannen haalden hem eruit, maar de witte pet ligt daar nog steeds. 

Op de Klei boeren - Ben de JongOp de Klei boeren - Ben de Jong

Deel 11: Kaat Jan Beijaard

Over Kaat Jan Beijaard

Door Anne de Jong
Kaat Jan Beijaard Ameland

Jan Beijaard (1892- 1981) is geboren in Buren en overleden in de Stelp. Hij was gehuwd met Gerbentje Boelens (1898-1968). Ze hadden in het centrum van Nes een kruidenierswinkeltje en drogisterij. In de zomer stond er naast het winkeltje een ijscotent met ijs uit de zuivelfabriek van Hollum. Op vrijdag werd er achter de winkel vis gebakken. Nu is daar gevestigd Vishandel Metz.
Ooit kwam iemand met de vraag of de winkel ook "babbyzalf" verkocht. Jan riep vervolgens naar zijn vrouw Gerbentje: “Hêwwe wij ok noch babyzalf, kiek jou us in de in de etalage.” 

Winkeltje van Kaat Jan Beijaard Reeweg Nes Ameland

Het winkeltje van Kaat Jan Beijaard aan de Reeweg in Nes

Toen moeder Gerbentje overleed, bleef er een echte mannenhuishouding over. Vader Kaat Jan met nog drie vrijgezelle zoons in huis: Peetje, Rikus en Theo. De mannen waren tamelijk hardvochtig naar elkaar.
Kaat Jan kwam regelmatig bij zijn zus Doortje, die getrouwd was met Pieter Molenaar (Oekes Pieter). Kaat Jan had vaak last van hartritmestoornissen. De familie van Oekes Pieter wist ondertussen wel hoe ze daarmee om moesten gaan. Als Kaat Jan er weer viel dan werd direct geroutineerd begonnen met reanimeren. Meestal één flinke klap op de borst en dan deed Kaat Jan het wel weer. Echter de arme man was na tijd wel erg beroerd. Zoon Peetje kwam eens langs toen er weinig leven in zat en zei toen de historische woorden (ze worden nog gebruikt in de familie): "Oh mèske, stop maar. Hij is ferrekt!"
Zo moest Kaat Jan, bijna aan het eind van zijn leven, met de ambulance naar het ziekenhuis in Leeuwarden. Hij was, dacht ook de arts, zo goed als dood. Tijdens de reis in de ambulance zat de wijkverpleegkundige naast de brancard te breien. Ineens schiet Kaat Jan omhoog:"Niks niet dood." De verpleegkundige die schrok zich wel bijna dood.
Toen uiteindelijk Kaat Jan op zijn sterfbed lag, stonden zijn zoons bij het bed. Hij kreeg te horen:"Nou man, doe dien gebit in je bek. Ik weet noch wat we met ôns mim beleefd hêwwe."

Theo van Kaat Jan waar winterdag te jagen. Hij had sien hoan met. Ut waar ôfgrieselek kòòd, ók foar de hoan. Dearom had hij de hoan onder de jas. Doë hij pisse mós, stón hij in de kòòde onder sien jas te graaien naar sien ferkleumde pieleman. Doë hij him in de hannen had, sette hij an om sien blaas te legen. Echter hij had de flööt fan de hoan in de hân.

Op het eind van zijn leven waren Theo’s beide benen geamputeerd; hij zat in de rolstoel. Hij woonde nog thuis met hulp van de thuiszorg. Op een dag met mooi weer was Theo in zijn rolstoel met behulp van een vrouw van de thuishulp aan het wandelen. Hun tuin liep nogal schuin af en hop daar floepte hij voorover uit de rolstoel. Broer Rikus zag het gebeuren en zei tegen de thuishulp: "Dou moeste dij maar rêdde, ik hêw noch nooit achter un karke met un há’tke reden in dat doën ik nou ôk niët."  

Peetje Beijaard, Uilke Haanstra, Theo Beijaard van Ameland

Peetje Beijaard, Uilke Haanstra, Theo Beijaard

Morgen plaatsen we het verhaal over Sjapes Dirk

Deel 12: Sjapes Dirk

Deel 12: Sjapes Dirk

Verteld door Ben de Jong

Dan was er een verhaal van over Dirk Kooiker. Hij woonde aan de Strandweg in Buren. Hij was herder op de Vennoot. Daarvoor moest hij zorgen dat de schapen niet op de rug terecht kwamen en ook zorgen voor de hokkelingen en de jonge paarden. Op een zeker moment waren de jonge kinderen aan het experimenteren wat ze konden doen met hun lichaam. Zoals met hun knokkels lawaai maken, oren opvouwen en ook een voet achter in je nek leggen. Dat was moeilijk en ook om die weer uit je nek te krijgen. Het schijnt dat Dirk de jonge kinderen had gadegeslagen, want een paar dagen later was Dirk verdwenen. Hij kwam `s avonds niet thuis. De volgende dag ging men hem zoeken en vond hem in de Oerdduinen: met beide benen in zijn nek. Hij kon die er niet meer uit krijgen. Een pijnlijke boel.
Dirk Kooiker alias Sjapes Dirk van Ameland

 

Bargepiest - verteld door Richard Kiewiet

Als er een varken geslacht werd dan kon men de bargepiest krijgen. Men moest er alleen wel om vragen. De bargepiest werd gebruikt voor het vetten van de zaag. Dat was gebruikelijk. In het kleine slagerijtje van Hengst in Buren werden de Buremer bargen geslacht. Dat was voor ons als kinderen een feest om te zien. De boeren brachten lopend zelf de bargen naar toen het derde huisje van Buren aan de Pastoor Scholtenweg. Als een barg niet vooruit wilde lopen, moest men hem niet vooruit trekken maar achteruit aan zijn staart. Dan liep ie automatisch weer vooruit. Wij kochten de bargeblaas en gebruikten die om te voetballen. Slager Fluitsma slachtte ook aan huis. Het varken werd dan op een laddertje gebonden en daarna met een scherp mes en een stevige draai doodgestoken. Het verse bloed werd opgevangen in een emmer en kinderen in de buurt werd gevraag om stevig in het bloed te roeren zodat het niet stolde. Daar werd bloedworst van gemaakt.

Dirk Kooiker (alias Sjapis Dirk) liet bij slager Fluitsma ook zijn varken slachten. Meestal was het een varken van 200 pond. Hij vroeg aan de slager of hij de bargepiest ook kon krijgen. Uiteraard voor invetten van zijn zagen. Echter zijn barg was geen beer maar een zeug die geen piest had. Fluitsma heeft hem toen maar een stuk spek gegeven om zijn zaag vet te houden.

Deel 13: over Dirk Kooiker en Duifje Metz

Deel 13: Dirk Kooiker en Duifje Metz

Dirk Kooiker (1859-1942) gehuwd met Duifje Metz (1875-1917)

Dirk KooikerDirk Kooiker van Ameland

Verteld door Richard Kiewiet

Jaap (zijn oudste zoon) heeft me vele verhalen verteld. Onder andere hoe zijn moeder (Duifje Metz) overleden is. Ze woonden waar nu Henk Metz de fietsenmaker woont. Destijds een driedubbele woning aan het begin van de Strandweg.
Zij trok met een puthaak de deksel van het jarregat los die klem zat. Onverwachts schoot de deksel los en ze viel met haar hoofd achterover op de stenen rand van de groep. Ze heeft dagen in de kamer gelegen met vele pijnen. Onregelmatig ging Jaap naar zijn pa toe, die in de groentetuin tegen de grens van hotel de Klok aan was gelegen met de mededeling dat hij moest komen, want ma maakte erg rare geluiden. Het moet een lijdensweg zijn geweest en Jaaps jongere broer Rikus lag als kindje tegen zijn moeder aan. Op de kamervloer waar ze standaard sliepen. Ma was al een poos dood maar het kind Rikus lag ertegenaan en wist niet dat zijn moeder al gestorven was. Jaap sliep `s nachts wel boven en keek door de pannen naar de hemel zo open was het dak. Het was armoede troef in die jaren. Geen vet om konijnen te braden, die kookten ze daarom in water.

Deze Dirk verloor ook nog zijn dochter Gerbentje (1895-1919) die naar Amsterdam was gegaan om als dienstmeid te dienen, dit uit armoede, zoals vele Amelander meiden deden. Ze kwam terecht in een zeemanshuis en raakte besmet met een ziekte en stierf daar. Vader Dirk kon niet op de begrafenis omdat hij daar geen kleding voor had. Als schoeisel had hij alleen klompen. Barrekiet (Cristine Wiebenga-Boelens, bekende Amelandse die daar woonde) heeft de begrafenis verzorgd en betaald.

Achter op de foto links Jan Boelens en echtgenote Gon en Jaap Wiebenga. Voor vermoedelijk een zoon van Pieter Boelens de molenaar, Christine Boelens (Barrekiet) en echtgenoot Barend Wiebenga.

Achter op de foto links Jan Boelens en echtgenote Gon en Jaap Wiebenga. Voor vermoedelijk een zoon van Pieter Boelens de molenaar, Christine Boelens (Barrekiet) en echtgenoot Barend Wiebenga.

Morgen plaatsen we deel 14 over Jaap fan Sjapes Dirk

Deel 14: Jaap fan Sjapes Dirk (I)

Deel 15: Jaap fan Sjapes Dirk (1906-2001) II

Door Richard Kiewiet
 

Jaap van Sjapes Dirk (1906-2001)

Jacob Kooiker, zoon van Dirk Jacobs Kooiker en Duifje Jacobs Metz

Jaap van Sjapes Dirk Kooiker was een bekende natuurman die zijn halve leven als herder op het Vennoot gewerkt heeft. Jaap en zijn familie haalden hun eten bijna altijd uit de natuur. Op een donkere, maanloze nacht ging Jaap weer het veld in om de strikken te controleren waarmee hij konijnen ving. Het was achter de Kooiplaats op het eind van de dijk. Daar lag voor 1930 nog een groot duin, waarvan het zand gebruikt is om de dijk aan te leggen. Op deze plek is later een jong bos ontstaan. In de volksmond "om oost" noemen we dat Het Nye Bosje. 

De plaats waar de strikken stonden had Jaap gemarkeerd door er een knoop in de helmen te leggen. Hij had zijn hond bij zich die tevens getraind was om konijnen met de lichtbak te vangen. Jaap had al een paar konijnen uit zijn strikken gehaald toen er ineens iets gebeurde wat Jaap nooit heeft kunnen verklaren. Er kwam een merkwaardig geluid op hem af; een geluid wat hij nooit eerder gehoord had. Het maakte hem bang. Hij dacht gelijk aan een spook! Het was een pikdonkere nacht, Jaap zag niks en durfde ook zijn lamp niet aan te doen. Het geluid kwam steeds dichterbij…..zijn hond kroop trillend van angst stijf tegen hem aan….. Maar er gebeurde niks en na ongeveer een minuut was het geluid weer weg. Jaap heeft toen zo snel als hij kon zijn paar konijnen in zijn juten zak gedaan en heeft de weg naar huis hollend en struikelend afgelegd.

Uit angst is Jaap daarna drie weken lang niet meer in het veld geweest.

Kooiplaats / Buren op Ameland

Jaap had een zuster Rimkje (1899-1988) die getrouwd was met de Zeeuwse Jan de Waele (1900-1975). Ik kwam ook veel bij Rimkje de Waele. Die heb ik eens dronken op bed gebracht. Ze was toen al ver in de 80. 

Tante Riek (de vrouw van Jaap) was jarig geweest en dan zat iedereen op een keukenstoel op een rijtje naast elkaar aan een glaasje jenever. Het was een gezellige avond en de jenever smaakte best. Riekus, Jaaps vrijgezelle broer, en hun zuster Johanna, die op het eind van de Strandweg in de duinen woonde, nipten vrolijk mee aan de jenever. Op het eind van de avond zei Riek tegen me: "Bring dou Rimkje even naar huus, want die rêdt het niet met al die jenever op.". Zelf was ik ook teut... Zo ging ik dus met kleine Rimkje aan de arm naar haar huis. En vrólijk dat ze was en de weg werd steeds langer, met bochten erin die helemaal niet bestonden. Toen moesten we in haar kleine huis de smalle steile trap op. Dat werd een hele hijs. Op dat kleine bed daar boven moesten haar kleren uit en de nachtjapon aan. "Doeg tante Rim, lekker slapen. Tot morgen." 

Ik was halverwege de trap naar beneden, toen ze ineens hard riep: "Ik moet pissen!!" Oeff… ook dat nog. "Bring de pot", luidde het bevel. Ze leunde tegen de muur met de benen wijd en ik op de knibbels met de pot ervoor. Ze miegde verdomme de hele pot vol! En ze bleef maar vragen of ik haar man, Jan de Waele, vroeger kon verstaan. Hij sprak nl. in een Zeeuws dialect, wat je nauwelijks begreep. Jan was toen al vele jaren dood. 

De volgende dag was ze weer helder en fris en moest ik de nageltjes van haar kanariepietje knippen. De teennagels van haar broer Jaap knipte ik op zijn verzoek ook wel. Dat waren van die dikke kalknagels waar bijna geen schaar doorheen kwam.

Deel 15: Jaap fan Sjapes Dirk (II)

Jaap fan Sjapes Dirk (1906-2001)

Jaap en zijn broer wilden graag naar het café van Metke Paulus om te steurkaarten, maar hadden geen geld. Toen vingen ze na dagen wachten twee eenden in hun klemmen die ze in een plas op het Vennoot hadden staan. Vol trots kwamen ze thuis en de eenden werden aan een spijker aan een balk in de kamer gehangen. Ze zouden verkocht worden voor een kwartje zodat ze naar het steurkaarten konden. Toen kwam pastoor op bezoek en later bij vertrek keek hij omhoog naar de eenden en meldde dat hij daar best wel zin aan had. Toen de pastoor de deur uit was zei Dirk tegen zijn zonen:"Nou jullie hebben het wel gehoord, zeker?" Tja... de eenden werden dus geslacht en naar pastoor gebracht en dat werd geen steurkaarten dat jaar.

Konijnen vallen zetten op Ameland

Kooikers vrouw brak een been. Toen de dokter kwam zei hij tegen de dokter ...Dokter, die poat lèèt te noa’delek. 

Jaap was hoeder op het Vennoot en deed dat soms op blote voeten. Als een koe stond te schijten ging hij om zijn voeten op te warmen in de warme stront staan.

Schapenhoeder op Ameland

Hij moest de speulske koeien naar de bolle brengen in Buren. Bij Jan van de Bolle Barte. Een keer wilde een koe niet om liek en die heeft hij pas op het strand bij paal 19 kunnen vangen. De duinenrij achter de stuifdijk was toen nog open en smal. In 1953 is deze duinenrij aan de strandkant voor het eerst helemaal afgesloten. Toen moest ie lopend naar Buren met de koe in de hand.

Als ze stiekem konijnen hadden gevangen, haalden ze die de volgende morgen op in een melkbus. Dat viel niet op. 

Jaap fan Sjapes Dirk heeft naar eigen zeggen "zoveel konijnen gevangen dat die bij elkaar niet in de Boeg van Klein Vaarwater pasten."

Deel 16: Roelof Elgersma (1879-1945)

Deel 16: Roelof Elgersma (1879-1945)

Door Richard Kiewiet 
 

De sundachse poat van Roelof Elgersma (1879-1945)

Roelof Elgersma van Ameland met een houten poot

Roelof Elgersma (1879-1945), getrouwd met Betje Bloem (1884-1975)

Simon Elgersma's vader Roelof had een houten poot als gevolg van een bedrijfsongeval. Roelof was eerst zeeman, maar vanaf zijn huwelijk met Betje in 1909 was hij opper in de haven van Amsterdam. Op een gegeven moment moest een locomotief aan boord van een schip gehesen worden. Terwijl het gevaarte in de kraan hing, schoot een locomotiefwiel los en kwam op het dek van het schip terecht. Het doodde de maat en schampte het been van Roelof. In het ziekenhuis werd zijn been verbonden en Roelof kreeg vervolgens helse pijnen. Hij moest niet zo kleinzerig zijn, werd gezegd. Toen het been door een dokter gecontroleerd werd, bleek dat het afgebonden was en niet meer gered kon worden; het werd bij de knie afgezet. Roelof werd vervolgens ontslagen, want een mankepoot, dáár hadden ze in de haven niets aan. In juni 1914 is hij met vrouw en kind van Amsterdam naar Ameland verhuisd.

Roelof heeft diverse baantjes gehad: bij de huisarts, als opzichter bij de bosbouw en als dorpsomroeper en lantaarnpaalopsteker. Hij ging met een laddertje bij de (gas)lantaarnpalen in het dorp langs om die aan te steken. Dat laddertje is in bezit van zijn kleinzoon die hier nog regelmatig komt.

Als Roelof te strandjutten ging, kon je aan zijn pootafdruk in het zand zien waar hij geweest was. Op een dag zat hij met zijn maat uit te rusten op de strandduinen met zijn bosje gejut hout nog op de rug. Dat hout werd vroeger zodanig met touw gebundeld, dat ze het op de rug konden dragen, terwijl de ellebogen in het touw rustten. De jutters liepen dan wat voorover om het in evenwicht te houden.

Eenmaal uitgerust, stonden ze weer op. Maar wat gebeurde er….? Elgersma's houten poot brak af!

Waarop hij tegen zijn maat zei: "Gaan dou even naar huus om mien sundechse poat op te halen." Dat was een poot die hij gebruikte als hij zondags naar de kerk ging, want er zat een schoen aan. 

En aldus geschiedde.

Foto gemaakt voor het huis nabij Mosterman aan de Burgemeester Waldaweg.
  Foto gemaakt voor het huis nabij Mosterman aan de Burgemeester Waldaweg.Vlnr August Kienstra (barbier), Cornelis de Vries (boer), Oeke Metz (boer), Roelof Elgersma (zeeman, later dorpsomroeper) en Geert Bloem (strandjutter).(Bron: Nostalgisch gezicht van Ameland.)  

Deel 17: De stranding van de Engelse schoener "Oreon"

Deel 17: De stranding van de Engelse schoener "Oreon"

Verteld door Anne de Jong
 

In de vroege ochtend van 11 december 1872 liep de Engelse schoener "Oreon" tijdens een zeer zware noorderstorm ter hoogte van de Kooiplaats op het strand. Het was – geladen met steenkool – van Newcastle onderweg naar Zierikzee onder kapitein G. Boucher. Nadat de stranding bekend was geworden, liet de burgemeester de reddingboot van Nes uitrukken. 

Ook landbouwer Pieter Sipkes de Jong uit Buren en zeeman Bote Doekes Bakker uit Nes begaven zich met spoed naar de plek des onheils. Het was inmiddels dag geworden en de zeven bemanningsleden aan boord van de gestrande “Oreon” konden Pieter en Bote op het strand zien staan. Omdat de reddingsboten waren stukgeslagen, zagen ze geen andere mogelijkheid dan zich aan stukken rondhout vast te binden en zo in het water te springen. Het lukte hen echter niet bij het strand te komen, omdat de zee hen steeds terugwierp. Pieter ging vervolgens te paard in zee en wierp hen een lijn toe, die Bote had meegenomen. Zo sleepte hij, bijgestaan door Bote, alle zeven drenkelingen op het strand. Toen de reddingboot arriveerde, werd juist de laatste man aan land gebracht.

De uitgeputte en naakte (!) geredden (bij het verlaten van het schip hadden ze zich van al hun kleding ontdaan) werden vervolgens naar Nes gebracht. Daar kregen ze droge kleding en alles wat verder nodig was. De vastgelopen "Oreon", inclusief de lading steenkool, werd op 29 december 1872 te koop aangeboden via een advertentie in de Leeuwarder Courant.

In zijn rapport aan het hoofdbestuur van de N.Z.H.R.M. stelde burgemeester van Heeckeren voor om zowel Pieter als Bote een beloning van ƒ10,– te geven. Zonder hun inspanningen waren de zeelieden zéker verdronken.

Pieters Sipkes de Jong zijn reddingsactie Pieters Sipkes de Jong

Pieters reddingsactie in beeld gebracht.                                                     Een portret van Pieter

Redder Pieter Sipkes de Jong (1826-1912) was strandvonder en boer in de meest oostelijk gelegen boerderij van Buren aan de Kooiweg. De in 1806 gebouwde boerderij was zijn geboortehuis. Hij is er zijn hele leven blijven wonen samen met zijn vrouw Janke Metz.

Pieter was voor die tijd een "grote" boer: hij had 24 koeien. Ook had hij een stier van gekruist Fries ras. Het dekgeld bedroeg destijds tussen de 60 en 95 cent. Daarnaast bezat Pieter één van de twee door paarden aangedreven karnmolens die Buren rijk was.. De andere was van zijn zuster Antje Sipkes, die getrouwd was met Tjeerd Jans Kiewied en op de hoek van de huidige Willibrordusstraat/Tiemen Boelensweg woonde.

In de hooitijd had Pieter wel drie hooiwagens (hier noemen we die kraakwagens) in gebruik: één op het land, één in de schuur en één onderweg. Een kraakwagen had twee hoge zijschotten bestaande uit smalle planken, de zogenaamde scheeën. Als het hooi eenmaal op de wagen geladen was, werd bovenop in de lengte een balk gelegd die aan de voor- en achterkant van de wagen werd vastgesjord met behulp van de touwen, zgn. ‘krake-touwen’, die aan die balk bevestigd waren. Zo werd de lading hooi “gezekerd”. 

Pieter was ook de eerste boer op Ameland die een maaimachine aanschafte.

Kraakwagens met hooi

Deel 18: onze oude boerderij

Deel 18: onze oude boerderij

Door Anne de Jong
Oude boerderij van Johan de Jong

Dit was onze oude boerderij in Nes. In de loop van de jaren tachtig, toen ik zo oud was als mijn beide kinderen nu zijn, heb ik de schaalvergroting meegemaakt: de overgang van de kleine boerderijen in de dorpen naar de moderne grote ligboxstallen in het buitengebied. Onze boerderij stond aan de Burgemeester Waldaweg in Nes. Er konden 28 koeien, 13 hokkelingen en wat kalveren staan. Mijn oom Jacob de Jong had een roggebroodbakkerij onder hetzelfde dak. Aan de andere kant van de weg was de boerderij van Hendrik Hofker, schuin tegenover stond die van André Mosterman met 30 koeien en aan het eind van de straat bevond zich de kleine boerderij van Jan Postma. 

Het leven was overzichtelijk. De melk ging naar de fabriek in Hollum, het voer kwam van de katholieke, christelijke of algemene voercoöperatie en iedere week kwamen er vier of vijf veehandelaren langs. Het toeristenseizoen duurde een week of zes en in de winter was er de eilander beslotenheid. Mest uitrijden ging de hele winter door en een flinke mestdam naast de boerderij in het dorp vond men heel gewoon. Ganzen zag je niet op het boerenland. Een zekere boerenconcurrentie was er natuurlijk ook. En er was altijd vraag naar grasgewas. Een vetpot was het niet. Wel bestond nog steeds de herkenbare Amelander cultuur van belevenissen vertellen en smeuïg doorvertellen. 

Ik herinner me dat mijn vader eind april de koeien naar buiten wilde doen. Ze hadden zes maanden aangebonden op stal gestaan. Wij hadden geen grond bij de boerderij in het dorp en daarom vroegen we de veerijder, Klaas de Vries – of Klaas van Jur, zoals wij hem noemden – om het vee op te halen en naar het land bij het Zwanewater te brengen. Het werd een dag vol gedoe en geheister met die stijve en stramme koeien. 

Een dag later deed overbuurman André Mosterman de koeien naar buiten. Hij zette de deuren open, liet de koeien eerst een uur rondspringen in het veldje bij zijn stal om ze daarna loslopend door het dorp naar de Miede of de Skorum te brengen. Zijn dochters Froukje, Aukje en Carla gingen vooruit om bij de tuinhekjes te staan, zodat ze de koeien daar om konden keren. Terwijl hij daarmee bezig was, riep hij naar mijn vader: “Ik doe het zo, dat is wat goedkoper!”. Hij had het nog niet gezegd of een koe drukte het raam van zijn woonhuis eruit. Weg winst! 

Ik zie nóg de melkbussen aan de weg staan. Eens in de twee weken zat de enveloppe met melkgeld onder het busdeksel. Er waren wel boeren die de bus met de enveloppe soms tot de avondmelking aan de weg lieten staan. Dat zou vandaag de dag waarschijnlijk geen goed idee zijn….

Deel 19: Drie Freemdelingen

Deel 19: Drie freemdelingen

Earguster kreeg ik bezoek van drie jonge mînsen die op soek ware naar un groepsaccommodatie. Se ware fan un groate frije Baptistische Gemeente în woue foar 110 jongeren un weekind op Amelân organisere. Un moaie klant, alle bedden beset. Se souen bei drie kampeerboerderijen lâns in dan kieke welke ut meest geskikt waar. Ik hêw se ut hele huus siën laten în uutlèèd wat de mogelekheden binne. Soa as ik alteed doën hêw ik an ut begin sèèd dat ik ha’tstikke doof bin. Dat ging knap feader. Toen se fôt soue naar ut folgende adres froeche se me of se foar me "mochten bidden" foar genezing fan mien slecht gehoor. Ik docht: "Dat kin noait gien kwaad." So, ik hêw froechen om dan niet alliën foar mien gehoor te bidden maar ók foar mien familie. 

Dear stonne we dan. Buten, fol op de stiënkoäde Oastewien. De drie freemden om mij hene, de foarbidder had sien hân op mien oor, in oanderhân hong ur een snottebel fan de koäde an mien snuut. Onder ut bidden kon ik me niet goëd konsintreare. De ge'dachten flooche deur mien kop. Ik sâch allerlei gesichten uut mien groate familie foarbij kómmen die wel wat steun în bemoediging bruke konne. Ôk in un flits un gedachte fan, ik hoop al dat se bij ons boeke. Niet erug gepast fèself maar dat hêwwe je met soawat. Na ut gebed deed de foarbidder un stap achteruut în sei: "Kun je me horen?". Ja, dat kon ik. Toen deed hij noch twie stappen achteruut: "Kun je me nú horen?". Ja dat kon ik. "Alleluia!". Ut leek un wonderbaarleke genesing, egter buten kin ik alteed beter hore as binnen. Nadat we elkander de hân skud hêwwe, stapten se weer op hun fiets naar de folgende kampeerboerderij. 

Gustermiddag om drie uur kreeg ik een mailtje: "We willen graag bei jim boeke." 

Ut gebed is ferhoard…., alliën niët helemaal folgens plan. :-)

Gebed is verhoord

Deel 20: Tromkefreters

Deel 20: Tromkefreters

Door Anne de Jong
 

Eind jaren 60 en ook de jaren 70 waren de jaren van mijn jeugd aan de Reeweg in Nes. De Reeweg was de belangrijkste doorgaande weg vanaf de veerdam het dorp in. 

Gedurende de bouwvakvakantie was het heel druk, maar in de wintermaanden waren de eilanders onder elkaar. Als weermannen Hans de Jong of Jan Pelleboer een mooie zomerse dag voorspelden, kwamen er veel dagjesmensen. Vrijwel allemaal liepen ze voor ons huis langs, richting strand; honderden, als het er niet meer waren. Vaak toeristen van één en hetzelfde type: families die een dagje naar "it Amelân" gingen, misschien wel hun enig dagje uit per jaar. 

De vader sjouwde een grote boodschappentas mee, gevuld met proviand voor de hele dag. "Tromkefreters" noemde mijn moeder ze altijd. De tas was gevuld met een fles Hooghoudt ranja, een thermoskan koffie, een zak doppinda's en een trommel vol brood. Pa had vaak een gebruind gezicht, bruine onderarmen en droeg een korte broek waar witte benen onderuit staken. Moeder droeg een bloemetjesjurk en had een nieuw permanentje. Ze werden gevolgd door een schare opgewonden kinderen en vaak kwamen opa en oma daar nog achteraan gesloft. Een belevenis voor de familie waar lang naar toe geleefd was! 

Zo rond vijf uur 's middags kwam het hele circus weer van strand met rode gezichten van de zon en vermoeid van het strandplezier. En dan kocht pa – met een royaal gebaar – voor zijn schare een heerlijk softijsje bij bakkerij De Jong. Dat was de enige besteding die men zich op die dag permitteerde. Sóms, als opa in een royale bui was, trakteerde hij op een bord patat met appelmoes bij De Meerpaal. 

"Tromkefreters", "de gewone man" en "Jan met de pet" zijn zachtjesaan verdwenen en hebben plaatsgemaakt voor "Henk en Ingrid". Ze komen nog steeds, deze mensen. Maar de tijden zijn veranderd. Nog voor ze de zeedijk over zijn, zitten ze al op een luxe huurfiets met zeven versnellingen, al dan niet met elektrische ondersteuning. De route gaat niet meer rechtstreeks naar strand om daar de hele dag vermaak te zoeken en meegebrachte etenswaren te nuttigen. Nee, de enige bagage is een klein trendy rugzakje, een iPhone en een creditcard. Vlug even op de fiets langs strand, bos en duinen en dan flaneren in het dorp, uitgebreid eten in een van de vier strandpaviljoenen of lunchen op een verwarmd terras. Geld speelt daarbij minder een rol, want dat wil "de gast" wel laten rollen. Maar hij verwacht wél zo veel mogelijk "beleving" voor zijn geld en bij voorkeur in een zo kort mogelijke tijd.

Inmiddels wordt jaarlijks meer dan 100 miljoen euro omgezet in het toerisme op Ameland. Ook de ondernemers zijn met hun tijd meegegaan. De kinderen van de vroegere "tromkefreters" zijn gewaardeerde gasten geworden. Ameland kan ze niet meer missen. Laten we zorgen dat Ameland hen kan blijven bieden waar ze voor komen. Maar laten we daarbij niet vergeten dat we zuinig op ons Amelân moeten zijn. 

Veerboot Maria Louise Ameland

Gezin op het strand

Deel 21: een mestvaalt ook wel "een dam"

Deel 21: Een mestvaalt ofwel "een dam".

Hanneke Fluitsma (van Piet Boelens) was nog een jonge meid. Het was die week Burekermis en daarom had was een vriendin over uit de grote stad. Samen gingen ze naar het café van Metke Paulus in Buren. Het was gezellig die avond en het begon al wat later te worden. Op een gegeven moment moest die stadse vriendin naar het toilet. Maar die hadden ze daar niet. Wie zijn behoefte kwijt moest ging op hurken boven de groep zitten en dat was dat. Dat zag de jongedame niet zitten; het leek haar een veel beter idee om buiten een geschikte mogelijkheid en plaats te zoeken. Dus ging ze naar buiten en deed in de luwte haar behoefte, en in het donker…. Wat ze daarom niet in de gaten had, was dat ze op de dam zat, met haar achterste op de stiekels! Ze schijnt de rest van de avond nogal vaak jeuk aan haar bibs gehad te hebben. 

Ik heb het Hanneke Boelens horen vertellen toen ze al op leeftijd was, maar ze moest er nog steeds vreselijk om lachen. 

Hanneke Boelens

Op een keer kregen we een nieuwe burgemeester. Samen met de wethouder maakte hij een wandeltocht door het dorp om zo kennis te nemen van het dorp. Na een poosje zei de burgemeester dat hij al die mestbulten bij die boerderijen en huizen toch niet zo'n nette bedoeling vond en dat daar toch eigenlijk wat aan gedaan moest worden. De wethouder antwoordde: "Ja, maar burgemeester, die boeren moeten leven van die dammen!"

Deel 22: over Baaike de Smid

Deel 22: Barend Molenaar, alias "Baaike de smid" uit Buren

Door Annemieke Feldmann-Molenaar
Barend Molenaar in zijn smederij te Buren Ameland
 

Barend was het zesde kind van Willem Molenaar (1857-1945) bekend als Tjitse Willem en Catharina Kooiker (1862-1940). Catharina Kooiker noemde zich, net als haar vader Barend, ‘Kooij’ in plaats van Kooiker. Bij de Buremers was zij beter bekend als Berendtrien en ze was een pittige dame. Haar ouders waren Barend Seijes Kooij (1826-1891) en Doortje Dirks Metz (1832-1887) die beiden uit Buren kwamen. Willem Molenaars ouders waren Jacob Jacobs Molenaar (1812-1906) en Tjitske Willems Metz (1825-1905) ook uit Buren.

Tjitse Willem Molenaar voer als jongeman op de walvisvaart. Dat bracht een aardige duit in de zakje. Hij woonde in een boerderijtje aan de Willibrordusstraat 5 in Buren, en had net als alle anderen in het dorp  5 á 6 melkkoeien, wat jonge beesten, een paard en schapen. Na zijn trouwen met Berendtrien begon hij met de smederij. Berendtrien nam een meisje mee in het huwelijk, die Catharina heette. Ze kreeg de achternaam Molenaar. Nadat ze later met Theunis Kiewied trouwde, stond zij bekend als „Cathrine van de Kooi“, dus de oudste zus van Baaike.

Binnen het huwelijk van Tjitse Willem en Berendtrien werden Doortje, Tjitske, Rimkje, Jacob en Barend geboren. Doortje trouwde in Harlingen, Tjitske overleed al jong, Rimkje trouwde in Dokkum, Jacob, Jaapje genoemd, had een fietsmakerij en een winkel in Nes. Barend, alias Baaike, nam de smederij van zijn vader over en werd smid. Vooral het „paard beslaan“ en reparatie van landbouwmachines waren belangrijk voor de boeren. Alle kinderen van Tjitse Willem en Berendtrien waren getrouwd, behalve Baaike, hij had geen haast om een vrouw te vinden. Hij scharrelde met diverse dames, zoals duidelijk op oude foto’s is te zien, ging veel jagen en speelde graag kaart. Hij had de boerderij en hield zich bezig met het beslaan van paarden. In de smederij en boerderij hielpen vaak zijn oomzeggers Willem, Sip en Jacob Kiewied van zus Cathrine van de Kooi.

Baaike woonde bij zijn ouders in. De kinderen van zus Cathrine van de Kooi waren daar vaak in huis. Hun vader Theunis van de Kooi was jong overleden en daarom gingen de kinderen graag eten en logeren bij Pake en Beppe. Dat was altijd lekker en gezellig. Ook in de smederij was het vaak gezellig met Buremer boeren die rond het melken met elkaar de laatste nieuwtjes bespraken.
 
De Tweede Wereldoorlog ging ook aan Ameland niet voorbij. De Amelanders hadden in het begin met de Duitsers niet al te veel problemen. De smederij had zelfs door de Duitsers meer werk. Nadat de Duitse commandant werd opgevolgd door een ander, kwam er een strenger beleid en ook de Amelander jongemannen moesten voor de Duitsers op het eiland werken. Bij het niet nakomen van de regels, werden de jongemannen vastgezet. Zo werd Jaap van de kooi (Kiewied) gearresteerd en naar de Leeuwarder gevangenis gebracht. Baaike ging naar de commandant en vertelde dat hij voor zijn werk voor de Duitsers op Ameland, Jacob van de Kooi nodig had. Zo kwam Jacob gelukkig weer terug op Ameland. Tijdens de oorlog overleden zowel Berendtrien als Tjitse Willem Molenaar. 

Na de oorlog hoorde Baaike, dat er jonge meiden van de wal naar Ameland gekomen waren. Er werkte een meisje namens Aafke Postma uit Harlingen bij Rieke en Peetje de Bakker. Zij was een oppas voor de kinderen en hielp mee in de winkel. De kermis stond voor de deur en Baaike als echte jager, niet alleen van konijnen en eenden, trok zijn stoute schoenen aan om bij Rieke van Peetje de bakker aan te kloppen. In de bakkerij aan de keukentafel, vroeg hij Rieke of zij ‘ok docht’ of het misschien met hem en Aafke wel wat kon worden. Rieke moest verschrikkelijk lachen, want Baaike was zo aan het zweten, dat z’n goeie overhemd helemaal nat was geworden.
„Nou nou Baaike, dou moste niët bij mij wese, maar dou most Aafke self frage în dan moste deerna met de beurtskipper naar Harlingen naar hor óódelui“.

Zo gezegd, zo gedaan...

Op 12 mei 1949 trouwden ze en in Buren werd er zo gevlagd als nooit tevoren. Ze kregen de volgende kinderen: Bart (1950), Annemieke (1952), Tineke (1953) en Sjors (1958). Als jager had Baaike natuurlijk een hond genaamd Juno. De jachthond was op leeftijd en had last van zwerende poten. Dat ging met kleine kinderen niet, dus de hond moest weg. Baaike had zijn zuster Rimkje Ludema gevraagd of zij de jachthond Juno in Dokkum kon overnemen. De kinderen van zijn zus, verheugden zich, eindelijk een hond te krijgen. Met een bloedend hart bracht Baaike Juno naar Dokkum en dacht dat „het probleem“ van tafel was. Na drie dagen stond Juno echter blaffend weer voor de deur.
Hij was ontglipt uit Dokkum en te voet over het Wad weer naar huis gelopen.
Dus voer Baaike 2 dagen later weer met hond Juno naar Dokkum. Hij gaf zijn zus de raad de hond een hele week in huis te houden, dan zou Juno wel wennen. Twee weken later kwam de dijkwacht bij Baaike aan en vertelde dat er een hond onder aan de dijk lag. Hij wist dat Baaike’s hond in Dokkum zat, maar de hond die daar lag leek op Juno. Baaike stapte in z’n Jeep en ja hoor daar lag Juno helemaal op van vermoeidheid. Bij de eerste reis terug naar Ameland was het laagwater, maar nu was het hoogwater. De hond moest de hele weg terugzwemmen en was aan het einde van z’n Latijn.
Baaike nam z’n trouwe hond in de auto mee naar huis en belde zijn zus in Dokkum. Juno sliep drie dagen lang om daarna voor altijd op Ameland te blijven.

Een jaar later kreeg Baaike bij het beslaan van een paard een trap tegen z’n rug en kon niet meer lopen.  Dokter Ente zag als uitkomst, een rugoperatie en schreef een verwijsbrief voor het Bonifatius Ziekenhuis in Leeuwarden. Hij werd geopereerd maar de operatie mislukte en hij kwam als invalide terug. Maar Baaike liet het er niet bijzitten, knoopte een oude binnenband van een fiets om de voet van het been dat niet meer wilde en had in de andere hand een kruk. Zo kon hij het land in om te melken en in de smederij werken.
De smederij was altijd open en als er iemand wat nodig had schreven de klanten, de spullen die ze hadden meegenomen, in een boek. Daarna werden de rekeningen geschreven. Baaike had in de smederij ook klompen te koop. Op een dag kwam de zus van lange Piet Kooiker Jankje met de tweeling Jan en Jacob in de werkplaats. Aafke hoorde dat de jongens klompen nodig hadden en ging mee naar de smederij. Jankje keek Aafke van opzij aan en zei: “Ik sil dei toch nog even wat ségge: Baaike het de ferkering noait uutmaakt.“ 

Hij had ondertussen de boerderij, samen met zijn vrouw Aafke en kinderen, als pension omgebouwd. Nu had Baaike veel met Duitse gasten te doen en dat beviel hem heel goed. Elk jaar werd verbouwd en kwam er een kamertje bij. In de zomer was het erg druk met veel mensen om hem heen. In de wintertijd was het rustiger en er werd er vaak naar de radio geluisterd, gedobbeld en kaart gespeeld. 
Baaike stierf op 71-jarige leeftijd in juli 1975 in Leeuwarden.

Rekening van de smederij van Baaike/Barend Molenaar

Aafke Postma en Barend Molenaar op de slee, Buren Ameland

Barend Molenaar met hond Juno

Het gezin van Barend en Aafke Molenaar uit Buren, Ameland

Tjitse Willem en Barendtrien uit Buren Ameland

Barendtrien en Tjitse Willem

Jaap fan de Kooi. (Jacob Kiewied )

Jaap fan de Kooi. (Jacob Kiewied)

Bekijk meer foto's van Baaike de Smid in onze beeldbank!

Deel 23: Dijkdoorbraak

Deel 23: Dijkdoorbraak

Door Richard Kiewiet
Beppe Jan omroeper van AmelandJan Kiewiet, kippenboer Buren AmelandLegbatterij / kippenboer Kiewiet Buren Ameland

Het moet ergens in de eerste helft van de zestiger jaren van de vorige eeuw zijn geweest. Er joeg een vliegende storm over het eiland en de pannen van het eerste huisje van Buren lagen dan standaard rondom de schoorsteen te rammelen. Af en toe waaide er een af en iedereen in huis werd dan wakker.

Midden in de nacht hoorde mijn Pa – Jan Kiewiet, de kippenboer – een bel buiten. Eerst dacht hij nog dat hij droomde. De wind gierde om het huis. Hij ging rechtop in bed zitten en luisterde nog eens goed. Het was de bel van de dorpsomroeper Beppe Jan! Pa vlóóg uit bed. Beppe Jan was alweer verder, onderweg naar Nes om dat dorp te waarschuwen. Mijn pa sprong in zijn baaien hemd en witte lange onderbroek met losse handen over de ligusterheg (wat achteraf onmogelijk lijkt…) en holde hem achterna. Halverwege het voetbalveld haalde hij Beppe Jan in. "Wat is er aan de hand?!", riep hij en hun stemmen vervlogen in de wind. "Dijkdoorbraak bij Nes in de bocht bij de pier", meldde Beppe Jan, "Alle mannen boven de 18 jaar worden verzocht zich bij het dijkhuisje te verzamelen." Halverwege de ochtend kwam pa weer thuis. We hoorden dat het spannend was geweest, maar dat de kleine doorbraak met zandzakken was gedicht. 

De dijk was toen nog jong en niet zo hard. Bij storm lieten de boeren uit voorzorg de hekken los van de eerste stukken land die aan de dijk grensden. Zo zou het vee bij een eventuele dijkdoorbraak kunnen ontsnappen.

Leren jas van het Amelander strandEr was toen nog geen plastic en er waren dus ook geen plastic regenjassen, zoals we die nu kennen. De mannen droegen hele dikke, lange leren jassen, die vele kilo’s wogen. We noemden ze destijds "bomvrije jassen". De handschoenen waren van hetzelfde materiaal: heel dik en zonder vingers. Tijdens de werkzaamheden die nacht miste Willem "Willewil" Molenaar ineens zijn handschoenen. Na een poosje ontdekten de mannen dat Willewil zijn handschoenen onder zijn arm had. Door de kou en die dikke jas had hij ze zelf niet gevoeld. De hilariteit was groot!.

Dit was volgens mij het laatste dijkdoorbraakje. Wel heb ik in 1976 de golven nog over de (ouwe) dijk zien rollen in januaristorm die twee dagen duurde. Tijdens die storm verdween hotel Steinvoorte in zee. Ik liep toen met Anton Metz (Duumke) dijkwacht van Nes tot Ballumerbocht. We zaten met touwen aan elkaar vast en de dijk was door de uitlopers snotterglad geworden. Anton Metz liep voor me, toen er een erg hoge uitloper kwam die hem toch zijn middel nat maakte. Een kort moment zag ik alleen zijn bovenste helft nog, wat op zich niet zo bijzonder was, want Anton is maar een klein kereltje.

In het kader van het Deltaplan zijn de dijken inmiddels zodanig verhoogd dat er voor ons als dijkbewakers niet veel avontuur meer in zit.

Dijk van Buren Ameland

Deel 24: Stropen

Deel 24: Stropen

Door Richard Kiewiet
 

Stropen was vroeger heel gewoon. Je kon zo je eten gratis en voor niks uit de natuur halen. Al moest je niet betrapt worden, want dan werd het een dure grap! Er stonden forse boetes op.. 

Er werden verschillende stroopmethodes gebruikt:

  • Met veldstrikken die met een prik in de grond voor het konijnenhol werden gezet.
  • Met draadstrikken die aan de onderste draad van het rijksdraad werden vastgezet. Het rijksdraad is de prikkeldraad afscheiding tussen Rijksgronden en particuliere gronden en loopt van Hollum tot het Oerd.
  • Met een lichtbak.

De (val)strikken werden gemaakt van koperdraad dat uit een fietsdynamo gehaald werd. Voor konijnenstrikken werden zes draden gebruikt en voor hazenstrikken negen draden. De draden werden aan een steen gebonden die vervolgens werd gedraaid totdat alle draden tot één draad in elkaar gedraaid waren.

Om de strikken makkelijk terug te kunnen vinden werd de plaats waar de strik gezet was gemarkeerd door een knoop in de helm te leggen. Op één nacht werden tientallen strikken gezet die tegen de morgen weer werden opgehaald.

Stropen met de lichtbak was het meest gebruikelijk. Dat werd zowel met als zonder hond gedaan. In Buren werd hond Sep van Theo Veltman van de Suihoek daarvoor vaak gebruikt. Het moest pikdonker zijn en er moest een beetje wind staan. Het waren lange nachten. De beste stropers hadden op het voetbalveld de beste conditie. Theo Kiewiet, de smid, is een keer van vermoeidheid op het Oerd in slaap gevallen.

Als Buremer liep je ‘s nachts een slag om de vuurtoren heen en kwam je met een zak konijnen weer thuis. Jaap Kooiker liet de konijnen ook wel achter bij de Kooi waar zijn broer Rikus een stukje land had. Die haalde ze de volgende morgen op en nam ze dan mee in een melkbus, zodat niet opviel dat hij konijnen vervoerde….. Stropen was nl. ten strengste verboden!

Jaap Kooiker was om oost de beste en meest beroemde stroper. In Hollum was dat Freek Ney.Ik heb ze een keer samen gehad en zo wisselden ze hun verhalen uit. Freek ging 's nachts wel met een bootje vanaf zuidwest naar de Boschplaat te stropen.

Met Jaap Kooiker ging ik vaak mee. Altijd in stikdonkere nacht, lopend via het pad bij klein Paulke via het Scheiinghek naar de kooiduinen en verder. Kniep-licht met een 4.2 watt lampje erin en als de batterijen half leeg waren, ging er een 6.2 watt lampje in. Zoeken naar een konijn in het licht van de lamp en dan hard lopen om hem met een duikvlucht te vangen. En dan in de jutezak!

stropen op Ameland

Op de terugweg van de Vennootvlakte naar huis werd geen licht gebruikt en werden de vaste koepaadjes benut. Soms liepen we een paar stappen verkeerd. "Ho!", fluisterde Jaap dan zachtjes en keek om naar mij. Hij deed vier stappen terug en nam dan het andere koepaadje. In het pikdonker kende hij de weg op zijn duimpje. Bij thuiskomst werd de buit in de kelder gelegd en kwam zijn vrouw Riek standaard een jenevertje brengen als beloning. Ik was 14 jaar en vond het vies. Maar opdrinken deed je!

Jaap heeft zóveel konijnen gevangen in zijn leven, dat ze niet in de Boeg zouden passen, zei hij zelf altijd. 

Vier keer heeft hij voor het gerechtelijk hekje gestaan. Een rechter vroeg Jaap eens: "Is dat nou niet zielig voor zo’n konijn?". Waarop Jaap antwoordde: "Nou, meneer de rechter, als hij mooi braaf stil in de strop blijft zitten en het regent niet, dan heeft ie het zo gek nog niet!"

Later, heel veel later kreeg Jaap suikerziekte en moest zijn poot eraf. Ik was bij hem in het ziekenhuis en Jaap zei tegen me: "Mijn poot is eraf, maar ik vóel hem nog wel!" Omdat hij met een kunstpoot niet meer kon stropen, heeft ie van mij een konijnenpootje gekregen in het ziekenhuis. En ik zei erbij: "Dat brengt geluk.... voor de konijnen die jij niet meer kunt vangen nu."

Jaap zat daarna in een rolstoel en in die rolstoel breide hij netten voor mij waarmee je op het wad vogels ving met vliegende storm. Loopnetten en stalnetten. Op een dag kwam ik bij hem en zat het draad compleet verstrikt in zijn rolstoel. Hij kon geen kant meer op en moest nodig naar de WC.

Hendrik Nienhuis

Ook Nienhuis breide voor mij netten voor vogels maar dan met zwart draad. Dat ving beter dan vroeger, toen er alleen wit wollen netten waren. Zwart viel in het donker voor de vogels niet op. Ballumer snippen werden er ook in gevangen (scholeksters en wulpen).

In 1946 kochten Nienhuis en Bouwe Lont 30.000 gestroopte konijnen op. Nienhuis heeft me die verhalen verteld. Ze gingen daarmee naar poelier De Jong in Leeuwarden. Buiten hun tweeën om verkochten een paar families in Buren nog eens ca. 15.000 konijnen rechtstreeks naar Dokkum. Die eerste herfst na het einde van de oorlog was vlees erg schaars, terwijl er grote behoefte aan was. De prijzen lagen toen tussen de 2,20 en 5,00 gulden per konijn. Er waren zelfs mannen die ontslag bij de baas namen om nóg meer konijnen te vangen. Want het bracht goed geld op: Johannes Oud bijvoorbeeld kocht zijn trouwringen van zijn stroopgeld.

Er ontstond onder stropers wat onenigheid toen sommigen van hen in de maanden maart en april doorgingen met vangen. Er is toen afgesproken dat er standaard per 1 februari met konijnenvangen gestopt zou worden. Ook nu nog houden jagers die datum aan, zodat ze er van op aan kunnen dat er in de herfst weer veel konijnen zijn.

Richard Kiewiet en hond Rox op het Werd

Deel 25: Spanjaarden op Ameland

Deel 25: Spanjaarden op Ameland

Door Ben de Jong
Hotel de Boer op Ameland
Het was 1936 en de Spaanse oorlog was volop in gang. Over heel Europa verspreidden zich Spaanse vluchtelingen. Ook was er de internationale Brigade die tegen de dictator Franco een guerrillaoorlog voerde. Ze gingen samen met de communisten van die tijd en die bleken vriendschappelijk te zijn en hadden hetzelfde doel en dat was om Generaal Franco te verslaan. Vele jonge mannen van vele landen kwamen mee helpen en vormden de Internationale Brigade. Namen zoals Ernest Hemingway, George Orwell en mijn latere vriend Fred Senter had een diplomatieke achtergrond uit Oostenrijk.
Tegen deze achtergrond kwam in de dertiger jaren een grote hoeveelheid Spaanse vluchtelingen in Rozendaal. De Nederlandse katholieken waren zo uitbundig en vriendelijk dat ze de aankomelingen handenvol geld en eten gaven en ook warme overjassen en kleren want het was erg koud.
In Den Haag werd men ongerust. Men zag met grote onrustigheid dat de inwoners de vluchtelingen welkom heetten maar dit zou kunnen uitlopen tot een diplomatiek probleem. Men wilde graag geen kant kiezen want de afloop was onbekend. De tijden waren erg onzeker en een vrees kwam over het land. In Duitsland had men sympathie voor generaal Franco en men geloofde dat het vreselijke bombardement op de markt in Gurnica door Duitse vliegtuigen was veroorzaakt. Dit betekende dat voor het eerst in moderne geschiedenis de gewone bevolking het doel was van vermoorden op grote schaal. (Later werd dit opnieuw gedaan met het bombarderen van Rotterdam). Oorlog had nu een nieuwe betekenis gekregen.

Maar in Den Haag had een hogere ambtenaar een idee en zei tegen de Minister van Binnenlandse Zaken, de vluchtelingen zijn allemaal katholieken, waarom zou je de Aartsbisschop van Utrecht niet raadplegen. De Bisschop kreeg een telefoontje en hij zei, laat dat maar aan mij over, het komt wel in orde. Dit was Bisschop de Jong en hij belde Pastoor Koelman op van de parochie op Ameland en kwam overeen dat er wel een paar dozijn naar Ameland kond komen, maar het liefst alleen mannen.
Spanjaarden op Ameland

Zo kwam het dat er 39 Spaanse mannen op Ameland aankwamen en in Hotel de Boer (Later Hotel de Jong) ingekwartierd werden. Het schijnt dat het bisdom dat voor hun rekening nam, maar men vermoedt dat de regering het Bisdom wel wat tegemoet is gekomen. In ieder geval de regering was erg blij met deze oplossing maar de vluchtelingen moesten zich onthouden van de politiek en ook mochten ze niet naar het strand of naar de dijk en pier van de Waddenzee. Dit was om te voorkomen dat een schip hun clandestien zou kunnen ophalen zodat ze tegen generaal Franco konden vechten. Elke avond om 8 uur was er appèl. Ze waren al een lange tijd op Ameland en toen er een groot vuur in de droge Vleyen was uitgebroken (Oosten van Nes) Het vakantiehuis van de Duitse pastoor Jansen kon nog gered worden. De Spaanse mannen kwamen allemaal helpen om de brand uit te krijgen. Sommigen stampten het vuur uit met hun voeten.
Op een winter was het erg koud en veel sneeuw was gevallen na kerstmis. Amelanders waren erg vriendelijk tegen hen en maakten hun sleeën en paarden met bellen beschikbaar om de Spanjaarden zich als de drie wijze koningen te verkleden en kwamen aan bij de kerk tijdens de zondagmiddag dienst. Het werd een heel feest en men hoorde de paarden met bellen arriveren vanuit Nes. Dit maakte een grote indruk op ons jonge kinderen. Ik vermoed dat dit in de winter van ‘38-‘39 is geweest maar kan ook het volgende jaar zijn geweest.
In elk geval later moesten de Spanjaarden terug naar Spanje toen Franco de overwinnaar was. De oorlog was nog niet uitgebroken in Nederland.
Het vervolg van dit verhaal speelde zich af twintig jaar later aan de andere kant van de wereld in een klein stadje aan de noord kust van het zuidelijke eiland van Nieuw-Zeeland.
Ik was een zakenreiziger voor een elektrische goederenbedrijf en kwam op een keer in dit stadje, Nelson, aan. Op zekere avond na het avondeten ging men gewoonlijk naar de bar om nog wat te drinken. Daar kwam ik een man tegen met donker haar en donkere ogen en die mij vroeg uit welk land ik afkomstig was. Er waren toen erg veel nieuwe emigranten in NZ. Ik zei dat ik kwam van Europa maar hij bleef aandringen, ja maar welk land. Omdat ik dacht dat hij toch niet zijn aardrijkskunde kende zei ik van Nederland. Oh ja was het antwoord, waar in Nederland. Ik werd er een beetje moe van en zei van Friesland en van een van de eilanden. Ik dacht dat zal wel genoeg wezen, maar hij zei: “dat is zeker Ameland.” Ja zeker zei ik nu, geamuseerd, hoe weet u dat nou. Hij zei ik was op Ameland een twintig jaar geleden. Ik geloofde het nog niet want dat was te ongelooflijk. Toen logeerde hij bij Hotel de Boer. Nou ging ik het geloven. Hij ging verder en zei daar waren 39 Spanjaarden in het hotel en elke avond om 8 uur kwam de plaatselijk politieagent om ze allen te tellen. Ik sprak een beetje Spaans zei hij en met mijn donker uiterlijk dachten we met zijn allen een grap uit te halen. Ondertussen had hij mij ook verteld dat hij van Noorse oorsprong was en daar gedurende de oorlog had gewoond.
Op een zekere avond kwam de agent (vermoedelijk wacht meester Draaisma) en die ging tellen in het Fries:“Ien, twa, trije enz.” En hij kwam tot aan 40. Verbaasd ging hij hen nog eens overtellen en ging rond hen lopen maar wist niet wat te doen. Hij keek nog eens in zijn boekje en haalde zijn schouders op terwijl hij het boekje in zijn borst zak stopte, ging naar buiten en stapte op de fiets en verdween in het donker. Het was afgelopen. Er was veel hilariteit tussen de Spanjaarden. Hij had al die bijzonderheden niet kunnen weten en dus was ik overtuigd dat hij de waarheid sprak. Ook vertelde hij nog van die fijne klassieke muziek van Edward Grieg, de Scandinavische componist en hoe de Noren deze muziek maar bleven spelen gedurende oorlog om de bevolking maar moed in te laten houden.


Ben de Jong - Amelander en al 59 jaar wonende in Melbourne, Australia.
(Kerstmis 2020)

Spanjaarden op Ameland 2

Spanjaarden op Ameland 3

Spanjaarden in hotel De BoerSpanjaarden in hotel De Boer

Spanjaarden aan het voetballen op Ameland

Hotel de Boer op Ameland

Deel 26: Een ongelukje...

Deel 26: Een ongelukje...

Door Richard Kiewiet
Piet Witteveen uit Nes, Ameland

Piet Witteveen (1896-1992) was melkboer in Amsterdam, waar hij ook geboren was. Hij was getrouwd met Grietje Former (1903-1991) uit Nes. Ze hadden elkaar leren kennen, toen Grietje als dienstmeid in Amsterdam werkte. Na zijn pensioen zijn ze in Nes komen wonen, waar Piet koster werd van de RK kerk.

Piet was een klein, gezet mannetje en had altijd een rode snotterdoek bij zich; zo’n geruite boerenzakdoek. Onder de mis moest ie altijd zijn neus snuiten en trompetterde dan als een olifant! Ook had hij de gewoonte om tijdens het collecteren in de kerk het bakje met collectegeld eens extra te laten rammelen bij mensen van wie hij dacht dat ze wel wat meer konden missen.

Piet hield wel van een slokje en café-restaurant De Klok in Buren had – zoals wel meer ondernemers ­– behoefte aan kleingeld als wisselgeld. En dus had Piet de gewoonte om elke week het collectegeld van de zondagmis op de fiets naar Dorus te brengen. Daar kreeg hij standaard twee borreltjes en werd het collectegeld omgewisseld voor papiergeld. Dat ging dan weer terug naar pastoor. Maar soms nuttigde Piet wel iets meer dan die twee borreltjes en dan moest hij zich verantwoorden bij zijn vrouw Griet. Die hield hem "te plak".

Piet Witteveen Ameland

Piet kreeg soms opdracht om eieren voor thuis uit Buren mee te nemen. Hij kwam dan bij ons langs, in het eerst huisje van Buren, om tien eieren. We hadden tussen de 2.000 / 4.000 legkippen.

Op een late maandagmorgen kwam Piet weer eens bij ons langs, maar hij was nog niet aan de beurt. Hij scharrelde het lange kippenhok in en na een poosje keek ik in het kippenhok waar ie was gebleven. En daar stond hij…hélemaal achterin het dertig meter lange hok, van onder tot boven compleet onder de kippenstront! Met de handen ophoog jammerde hij: "Ooo, mijn lieve God! Ooo, mijn lieve God!" Wat was er nou gebeurd....?

Ik was bezig geweest met kippenmest opruimen en had – toen er een klant tussendoor kwam – het jarregat open laten liggen. Piet is, al wandelend door het kippenhok, in het jarregat gekukeld dat een meter diep was en heeft zo een bad in de kippenstront genomen….

Het was zó’n vreselijk komisch gezicht! Een klein, oud mannetje, hélemaal onder de kippenstront, dat met zijn handen in de lucht maar bleef jammeren: "Ooo, mijn lieve God! Ooo, mijn lieve God!" Ik schoot dan ook in de lach, waarop Piet stotterend uitbracht (want hij stotterde altijd iets): "Ik vind het gegegemeen van je dat je lacht!!"

Ik heb hem onder de tuinslang gezet en zijn kleren uitgetrokken. Hij had ook een lange witte onderbroek aan. Hij smeekte me om met hem mee naar huis te gaan om zijn vrouw Griet te vertellen dat hij er niks aan kon doen en dat het niet door de borrel kwam. Aldus geschiedde. Ik heb hem thuisgebracht en Griet uitgelegd hoe het zat.

Maar vervolgens waren wij een klant kwijt en moest Dorus in het vervolg zelf zijn wisselgeld bij het parochiehuis weghalen!

Kippenhouderij Kiewiet Ameland

Deel 27: Spoken in het Oostbos?

Deel 27: Spoken in het Oostbos?

Door Richard Kiewiet
Spoken in het Oostbos op Ameland?

Het is zomer 1990. Midden in de nacht gaat mijn telefoon, een "vaste" telefoon, want mobiele telefoons waren er nog niet. Een bekende jager aan de telefoon: of ik direct naar het Oostbos wil gaan! En "Ze schieten het hele Oostbos leeg op dit moment!" Dus ik antwoord: "Oké, ik kom eraan. Waar ben jij?" De beller bleek in in de telefooncel bij de Strandweg Buren te staan. 

Ik pik hem op en we rijden met lichten uit het pad naar het Oostbos in. En inderdaad komt er af en toe een knal uit het bos. Heel vreemd zo tijdens een zomernacht.

Aan de rand van het bos treffen we een onbekende auto aan die verstopt in de duinen geparkeerd staat. Het kenteken van de auto is afgeplakt en bij controle blijkt het om een Duits kenteken te gaan. Ik zeg tegen mijn melder (laten we hem Sip noemen): "Sip, hier heb je mijn geweer met een paar patronen en jij houdt de wacht bij deze auto. Als er onraad is, schiet je maar een paar keer in de lucht en dan kom ik naar je terug."

In het donker ga ik op onderzoek uit in het bos. Soms hoor ik vreemde geluiden en hier en daar zie ik een lichtflits uit het bos komen. Ook hoor ik af en toe een knal. Ik loop dieper het bos in en opeens zie ik… een soort spook!? Er waart een witte gedaante tussen de bomen rond! Nu ben ik opgegroeid in een tijd dat er nog spoken, demonen en witte wieven waren... en dus ben ik op mijn hoede!

Heel voorzichtig besluip ik de in het wit gehulde figuur en grijp hem van achteren bij zijn nekvel. Hij draait zich om en ik schijn met mijn zaklamp in zijn gezicht. Ik schrik me dood! Ik kijk naar een witte doodskop! "Oef!", denk ik, "demonen en witte wieven bestaan dus tóch!" Maar ook "het spook" schrikt! Het slaakt een hele harde gil en roept dan: "Hilfe...! Hilfe...! Bitte…! Bitte…! Wir machen ein Spiel!" Een spook dat in het Duits om hulp roept…..? Bij nader inzien blijkt de doodskop helemaal geen doodskop, maar een doodskopmasker te zijn, waarachter een Duitse toerist schuil gaat.

Wat bleek? Twee Duitse groepen waren zonder kinderen, maar met hun leiders een spel aan het spelen met rotjes en trektouwtjes. Die trektouwtjes hadden ze gekocht bij Dirkje van Siets (tegenwoordig Joop en Theo de Haan). De bedoeling was om elkaar bang te maken en ook moest er iets veroverd worden. Ik dacht nog: "Zijn we na al die jaren er nóg niet van dat veroveren af!"

Maar nu ging Holland winnen! Ik heb de groepen bij me geroepen en ónze spelregels uitgelegd. Daarmee was voor hen het spel verloren en dropen ze af naar de bewoonde wereld.

De rotjes heb ik in beslag genomen, evenals het witte doodskopmasker. Dat heb ik nog eens gebruikt op een eerste Sunterklaasavond. Maar niemand in de huuskes schrok van me…..

En gelukkig was er in de herfst nog genoeg wild voor de jagers in het Oostbos! 

Deel 28: "Gevangen in ijdelheid"

Deel 28: "Gevangen in ijdelheid"

Door Ben de Jong
 

Het is ruim honderd jaar geleden [februari 1920] dat het Amerikaanse vrachtschip ‘West Aleta’ strandde in de branding van Terschelling. Honderden vaten wijn spoelden aan en ook op Ameland werden vaten gevonden. In die tijd was het nog erg rustig op Ameland want een jaarlijkse vakantie voor arbeiders en kantoor lui was nog maar zeldzaam. Professionelen zoals meneer Kocken, tandarts in Groningen en meneer Kolkman, advocaat in Rotterdam, kwamen vaak met hun vrouwen, die zusters waren, rust zoeken op Ameland. Zij voelden zich behorend tot de hogere middenstand en hadden veel gereisd naar verre landen zoals Frankrijk, Spanje, Marokko, Griekenland en Turkije en ook naar Egypte. In Nes verbleven ze in Hotel Hofker, die ook rijpaarden te beschikking had voor de voorname gasten. Op zekere dag waren ze met zijn vieren op een lange wandeling langs het strand en vonden half weg het Oerd een groot vat wijn. Zij haastten zich naar de strandvonder, Antje Gerben, mijn grootvader, in Buren. Zo ontstond een levenslange vriendschap tussen mijn familie en de familie Kocken en Kolkman. Zo’n 25 jaar later bracht ik een bezoek aan meneer Kolkman die toen al gepensioneerd was en in Breda woonde. Dit was niet ver van Oudenbosch, waar ik op kostschool was. Over een heerlijke maaltijd in zijn villa vertelde hij mij van de mooie tijden die zij hadden doorgebracht op Ameland en het verhaal over de wijnvondst bracht veel plezier. Maanden later, toen de wijn op de veiling kwam, waren hij en Kocken de hoogste bieders, want zij wisten dat het geen gewone wijn was, maar hele fijne Spaanse Sherry. Hij vertelde ook dat hij veel gezien en gereisd had en vakanties had door gebracht in vele verre landen. Hij was weer eens op Ameland op vakantie en als gewoonlijk kwam de barbier [Kienstra] hem elke morgen scheren in zijn kamer in het Hotel. Na een praatje vroeg Kolkman, of the eilanders nogal eens ergens heen gingen reizen, zoals naar de vaste wal, en hij zei:” Neem nou jou bijvoorbeeld barbier, wanneer ben jij wel eens van het eiland af geweest.” De barbier ging rustig door met scheren en na een poosje zei hij: ” Ik ben net terug van een reis naar Sydney meneer. ” Kolkman was heel verrast en verbaasd. Want hij had er helemaal geen rekening mee gehouden dat vele Amelanders op de grote vaart hun brood verdienden en waren in meer verre landen geweest dan hij. Kolkman kon het zo mooi vertellen en hij schaterde met lachen want hij was in zijn eigen ijdelheid gevangen geraakt. 

onbekend gezin van Amelande twee koeien staat Louise Kocken en haar man

Op de foto met de twee koeien staat Louise Kocken en haar man. 

Boerenschuur Jan Beijaard in aanbouw uit Buren, AmelandTandarts kocken

Tandarts Kocken liet in Buren op de hoek Pastoor Scholtenstraat/Willibrordusweg een nieuwe boerderij bouwen. Hier is hij te zien tijdens de bouw. De boerderij was later in eigendom van Jo'tje Beijaard.

zinkend schipwijnvaten in de haven van Harlingen

Deel 29: Pea'd op de loop

Deel 29: Pea'd op de loop

Door Jan Scheltema.

In mijn jeugd, begin jaren vijftig, was er in de winter vaak veel sneeuw. Iedere boer die een paard had, had ook een paardeslee, ofwel een belleslee, hetzij voor plezier hetzij voor het werk. In de Reeweg in Nes was weleens ringsteken met bellesleeën. Als jongetjes stonden wij dan regelmatig aan de kant van de weg met de vraag: "Mâg ik efen met?".

Op een keer ging ik met mijn oom Gabbe Scheltema een paar rondjes door Nes sleeën. Ongeveer waar nu de Hubo is, kwamen we een paar jagers tegen, onder wie Wiebe Leenstra. De mannen wilden graag paard en slee even lenen om hooi naar de reeën te brengen. En dus gingen wij van de slee af en zij erop. Ter hoogde van de toren verscheen ineens een paard met een onbemande slee die met een noodgang op ons af stormde! Het bleek de slee van Tiemen Boelens (Tiemke Knar) uit Buren. Ik werd bij mijn kraag gevat en achter de muur bij Hannes en Pee gesleurd. Er volgde een enorme klap: hek kapot, slee kapot! Het paard ging in vliegende vaart door en viel neer in het land van Teunes Smid, volkomen leeg en uitgeput. En wij gingen natuurlijk kijken! De boeren probeerden met alle macht het paard weer in de benen te krijgen. Hij moest overeind natuurlijk, maar ik weet niet hoe Tiemen het verder gerooid heeft.

De oude arrenslee van Jan Scheltema, Nes Ameland, winter arrenslee

Jan Scheltema's slee, één van de oudste sleeën van het eiland. In 1929 is die nog gebruikt om over het bevroren wad mee naar Leeuwarden te gaan.

Jan Scheltema met zijn paard voor de arrenslee tijdens de winter op Ameland

Jan Scheltema op de slee

Deel 30: Henricus Artz, pastoor op Ameland van 1750-1771

Deel 30: Henricus Artz, pastoor op Ameland van 1750-1771

Door Richard Kiewiet
 

Er waaide een dikke storm over het eiland. De oude bomen bij de pastorie van de Rooms-Katholieke kerk, een oud boerderijtje aan de Ballumerweg, kraakten eronder.

Pastoor Artz lag half wakker in zijn bed. Hij kon niet slapen vanwege de storm buiten. Opeens hoorde hij iets. "Hoor ik nou iemand op de deur kloppen zo midden in de nacht?", dacht hij, "Hoor ik dat nou goed?: "Artz, naar het strand!" Nee, ik zal het me wel verbeelden." Maar vijf minuten later hoort hij het weer: "Artz, naar het strand! " En dus stapt hij in de donkerte uit zijn bed en kijkt bij de deur. Hij doet de deur open en staart in volledige duisternis terwijl de storm naar binnen giert. "Zie je wel, ik heb het me verbeeld." denkt de pastoor en gaat weer op bed. Maar na een kwartier hoort hij wéér gebonk op de deur: "Artz, naar het strand!" En wéér gaat hij zijn bed uit om te kijken en wéér is er niks te zien. Maar nú is deze goede priester ervan overtuigd dat hierin toch een wenk des hemels gezien moet worden, dus verlaat hij zijn huis en ijlt door duin en dal richting het Noorderstrand.

In de verte ziet hij een lichtje bewegen. Hij loopt richting het lichtje, maar dat beweegt zich langzaam verder van hem af. Hij blijft het lichtje volgen, door de duinen en via het Haverpad (er was nog geen bos). Het lichtje gaat richting strand en in deze vliegende storm volgt de pastoor dat vreemde lichtje. Dan gaat het langs de waterlijn en daar verdwijnt het lichtje opeens. Pastoor loopt naar de plaats waar hij het lichtje voor het laatst gezien heeft en daar – op de vloedlijn – ziet hij een drenkeling liggen. Een volledig uitgeputte man, die door de golven op het strand is geworpen. De goede herder knielt naast hem neer en hoort van de man, dat hij katholiek is en niets vuriger verlangt dan zijn biecht te doen. En nadat de man zijn zondenbeleden heeft, verleent de pastoor hem absolutie door de volgende woorden uit te spreken: "Ik ontsla u van uw zonden in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Amen." 

Pastoor heeft nog maar net het woord "Amen" uitgesproken, of de drenkeling ontslaapt in de Heer…..

Man op het strand

Oude pastorie aan de Ballumerweg in NesOude pastorie aan de Ballumerweg in Nes

Oude pastorie aan de Ballumerweg in Nes

Deel 31: Beppe is zoek

Deel 31: Beppe is zoek

Door Richard Kiewiet
 

Ik schat dat het zo rond 1983 was. Op een novemberavond, rond een uur of elf, gaat de telefoon, terwijl ik zit te pakmaken met een paar vrienden. Frits Oud, Frits Metz, Anne Mosterman, Peter Boelens en Andries Molenaar (Aske) waren toen mijn sunterklazenmaten.

De stem aan de andere kant van de telefoon vraagt of ik kan helpen. Beppe is niet thuisgekomen na haar middagloopje vanmiddag door het Kwekerijbos en via het strand weer terug. Beppe is al oud en weduwe. Ze woont in het kleine huisje aan het Ballumerbos. De familie blijkt het hele Kwekerijbos al te hebben afgezocht en hebben daar roepend en schreeuwend naar haar lopen zoeken, maar ze hebben haar niet gevonden…

De familie heeft mijn hulp ingeroepen, omdat ik voor mijn nachtelijke schadebestrijding (d.w.z. konijnen schieten in donker) een paar grote, draaibare lampen op het dak van mijn Jeep heb staan en daarmee kunnen we in het donker zoeken.

Ik neem een familielid mee in mijn auto en vraag naar Beppes gebruikelijke middagroute. Haar wandeling gaat door het bos via het Westerpad naar het strand en dan rechtsaf over het strand via de Nesser opgang weer via de strandweg naar huis. We rijden het hele bos door en schijnen alles af. Op het strand ga ik echter niet rechtsaf, maar sla linksaf, richting Ballum. "Waar ga je nou heen?!", zegt het familielid, die we voor het gemak Jan zullen noemen. "Oude mensen vergissen zich soms, Jan.", antwoord ik.

Richting Ballum wordt het strand breder. De maan schijnt soms door de wolken en de zee is ruig. Het water komt op. Na een dikke kilometer zwaai ik mijn lampen nog eens een keer extra om en zie iets op de vloedlijn liggen. Eerst twijfelen we nog: stoppen of doorrijden? Dan besluiten we de auto toch te keren. Ik richt de lampen nogmaals richting de zee. Het plaatje wat we toen zagen kan zó in een film. Op de vloedlijn richt iemand zich op één elleboog op en zwaait zwakjes naar ons met de andere hand. "Verdomme, daar ligt ze!", zeg ik tegen Jan.

We rijden er naar toe en inderdaad, het is Beppe die daar op de vloedlijn ligt. We stappen uit de auto en haar eerste woorden zijn: "Nou, kienderkes, binne jimme dere….?" Jan vraagt aan haar "Nou, oude, hoe is het?" "Best!", antwoordt Beppe. Jan pakt haar in zijn armen op en sjouwt het oude mensje naar de auto. 

Beppe had daar dus al vele, vele uren in het donker gelegen. Waren we iets later gekomen, dan was Beppe waarschijnlijk door het opkomend water meegenomen en zo verdronken.

Vroeg in de nacht kwam Beppe weer thuis, waar de familie zich over haar ontfermde. "Het gaat best met mij." zei ze.

Toen Beppe liet merken dat ze wat last had van haar heup, is daar een week later in het ziekenhuis een foto van gemaakt. En daaruit bleek dat Beppe haar heup gebroken had. Beppe was een oermens én oude mensen klagen nooit.

Rox hond van Richard Kiewiet Ameland

 

Deel 32: spook onderweg naar Buren

Deel 32: Spook onderweg naar Buren

Door Richard Kiewiet
Huis van familie Kiewiet Buren AmelandFoto familie Kiewiet uit Buren Ameland

Het was eind jaren zestig vande vorige eeuw. In het eerste huisje van Buren was standaard een poes in huis die ‘s avonds naar de grote schuur gebracht werd om muizen te vangen. In die grote schuur lagen namelijk de zakken veevoer opgeslagen van de foeragehandel van de boeren ABTB (de Aartdiocesanen R.K. Boeren en Tuindersbond Afd. Ameland) en die werden anders door de muizen aangevreten. "Bring dou de kat maar effen naar de skuur.", werd me gezegd.

Dus loop ik met die zwarte kat onder de arm naar buiten de donkerte in en kijk automatisch in de richting van Nes. Op de hoek van de straat en het pad de Vrije Wil zie ik in de verte iets raars: iemand die helemaal in het wit gekleed is en een hele grote hoge hoed op heeft. Ik schrik me rot! Ik ren terug naar huis waar één van mijn broers voor het keukenraam zijn handen staat te wassen. "Kom!! Kom!!", roep ik voor het raam, "Een spook!!!" Hij vliegt naar buiten en ik wijs in de richting van Nes. Ook hij ziet het spook. De witte figuur met hoge hoed komt nader en glijdt langzaam naar beneden onze richting op naar het– toen nog onverharde – pad Vrije wil. 

Wij hollen naar binnen waar nog veel meer broers samen met onze pa in de kamer zitten. "Komme!! Allemaal komme naar buiten!! Er is een spook buiten!! Vijf, zes, zeven jongens springen op en rennen naar buiten! Naar de plaats waar het spook voor het laatst gezien is. Maar hij is weg….. Alle boompjes zijn we langs geweest, maar niks gevonden. Tot vandaag de dag is het een raadsel wat die verschijning ooit geweest kan zijn……

Spoken op het strand van AmelandZwervers op Ameland

Reageer op de dorpsverhaaltjes van Oost-Ameland

Reageer op de verhalen. Wij sturen de reacties ook naar de schrijvers. Vul alle velden in en klik op 'Verzenden'.

Meer van de Ouwe Pôlle: