De opkomst en groei van het Noordzeebad op Ameland (1)

Het zwemmen in zee of rivier werd tot de achttiende eeuw door gegoede burgers als een onzedelijk volksvermaak beschouwd. Geleidelijk ontstond echter ook een andere badpraktijk. Artsen, hygiënisten en moralisten liepen voorop om het verband tussen wind, lucht, zee, golven, strand en duinen aan te tonen en raakten over het verrassend gunstige effect op lichaam en ziel niet uitgepraat. En vanaf ongeveer 1750 kwam onder hun aanvoering en begeleiding uit de vollopende steden een jaarlijks toenemende trek naar de kust op gang. De zee werd een middel bij uitstek tegen uiteenlopende kwalen en de schadelijke invloed van vervuilende steden. Door een toenemende angst voor tuberculose werden de positieve eigenschappen van het zeewater sterk opgehemeld. Er was geen zuiverder en zuurstofrijker lucht dan zeelucht. Kustplaatsen waren echter helemaal niet op deze trek naar zee ingesteld. Badaccommodaties waren er nog nauwelijks. Maar in navolging van de in het binnenland gelegen kuuroorden veranderden ze in badplaatsen en het doortrekken van spoorlijnen tot aan de kust deed de rest. De zo intens naar herstel en harmonie op zoek zijnde burgers werden badgasten. Zo ontstond een strikt aan kuurvoorschriften gebonden mode van het zeebaden. En dit therapeutisch gerichte model bevorderde de uitvinding van het strand en bepaalde in toenemende mate voortaan de strandgewoonten.

Door Jan A. Blaak

Engeland was koploper. Maar vanuit dit land drong deze badpraktijk ook geleidelijk door tot langs de kusten van de Oostzee, Noordzee en het Kanaal. En zo ontstonden tussen 1800 en 1820 ook de eerste badplaatsen aan de Oostzee en vervolgens ook langs de Noordzeekust.

Veelal was de totstandkoming van een badaccommodatie het werk van kooplui, ambtenaren of artsen. Langs de Duitse kust kreeg Norderney zo als eerste in 1797 een zeebadvoorziening. En in 1800 werden er al 250 badgasten geteld. In 1819 was dit aantal tot 832 gestegen en kreeg dit eiland de status van ‘staatsblad’. Lange tijd was het bovendien de zomerresidentie van het koningshuis Hannover. Vanaf 1801 kreeg ook het eiland Wangeroog zijn badgasten, beschikte het over een badkoets en drie jaar later over de verdere noodzakelijk geachte badaccommodatie. Wyck op het eiland Föhr werd in 1819 badplaats en het eiland Helgoland volgde in 1826. Scheveningen krijgt in 1818 zijn eerste strandvoorziening, een door een visser neergezet gebouwtje. En Zandvoort was al in 1830 de meest vooraanstaande badplaats van ons land; Domburg volgde in 1835; Katwijk in 1840; Ameland in 1853 en ten slotte Noordwijk in 1866. Intussen hadden ook de eerste voorbereidingen op Schiermonnikoog plaatsgevonden. En tegen het einde van de 19de eeuw had ook dit eiland in de keten van Noordzeebadplaatsen een eigen - bescheiden - plekje veroverd.

Badpaviljoen van Ameland in 1854

Badpaviljoen van Ameland in 1854

Het badleven op Ameland

Voor de vele honderden kampeerders die elk jaar weer naar het Friese eiland Ameland trekken en daar hun tent of caravan enkele dagen of weken gaan bewonen, is 'Duinoord' een begrip geworden, niet alleen doordat 'Duinoord' de oudste camping op Ameland is, maar ook vanwege het feit dat in die omgeving het Amelander badleven begon en daar de eerste zomerwoningen werden gebouwd. In de jaren vijftig van de negentiende eeuw bestond er nog geen bestrating op het eiland. Het vee liep er elk jaar na 20 september (de zogenaamde 'vrijgang') vrij rond; her en der lagen er dan grote mesthopen langs de paden en landweggetjes, die bij slecht weer in ware modderpoelen veranderden. De dorpen waren door hekken afgeschut. Van een vaste oeververbinding met Holwerd of andere plaatsen aan de vaste wal was nog geen sprake. Desondanks werd er reeds over een mogelijk 'badleven' nagedacht.

Allicht met het oog op de toekomstige ontwikkelingen liet de voortvarende burgemeester Van Heeckeren - hij was van 1837 tot 1888 Amelands eerste burger - de wegen ophogen en verbeteren. Er gebeurde echter meer tijdens zijn burgemeesterschap. Enkele notabelen togen naar J. M. Baart de la Faille, arts te Leeuwarden, om zich door hem uitvoerig te laten voorlichten over de medische voordelen van een zeebad. Maar daar bleef het niet bij: ze brachten ook een bezoek aan dr. J. H. Warren, rector van de Latijnse School te Dokkum. Deze had in de zomer van 1852 de van 1797 daterende badinrichting op het Duitse Waddeneiland Norderney bezocht. Hij informeerde hen over het model van de badkoetsen die daar werden gebruikt.

Dr. Warren omschrijft deze badkoetsen in zijn correspondentie als 

'planken kamertjes op wielen, die worden gebruikt om zich in het zwalpend nat te begeven. Zij hebben van binnen eenige haken om horlogerie en kleedingstukken aan te hangen, een paar banken en een schelkoord om aan te geven dat men de zee weer wenscht te verlaten, en worden door den badknecht of de badvrouw verplaatst'.

Hieronder een advertentie uit 1853:

Zeebad-inrigting te Nes op Ameland,

zal geopend worden den 15 Junij e.k , en zal er alzoo van dien dag af gedurende

het Badsaizoen gelegenheid bestaan tot het gebruik van ZEEBADEN niet

wel ingerigte BADWAGENS en van WARME en LAAUWE BADEN in het

BADHUIS aan het strand. - De Postschuit vertrekt dagelijks van Holwerd naar

Ameland op de dagen van volle en nieuwe maan des morgens te 9½ uur en vervolgens

 iederen dag ¾ uur later tot op den dag vóór volle en nieuwe maan,

dan weder des morgens omstreeks te 9 uur enz. - Bestellingen van buitengewone

scheepsgelegenheid bij J. BERGMANS in de Gouden Klok te llolwerd ; franco-

aanvraag om inlichtingen omtrent de Bad-inrigting enz bij de Directie te Nes op Ameland.

Het eerste badhuis op Ameland

Reeds in de herfst van 1852 begon men op Ameland met het bouwen van een badhuis en het vervaardigen van twee badkoetsen naar het model van die op Norderney. Het badhuis werd gebouwd ongeveer 250 meter ten westen van de huidige Strandweg, boven op een duin. Volgens het bestek en de tekeningen werd alles onderhands aanbesteed. Dit had tot gevolg, dat enkele aannemers van de vaste wal er in de winter van 1852-1853 in slaagden het badhuis en de badkoetsen af te bouwen, zodat alles reeds voor het zomerseizoen van 1853 in gereedheid kon worden gebracht. Sikke G. van der Leest was de aannemer. De badkoetsen werden door G.T. de Ruiter uit Hollum in elkaar getimmerd.

De opening van het eerste badhuis en badleven vond plaats op 15 juni 1853.. In vrijwel alle regionale bladen werd melding gemaakt van dit heuglijk feit. De eerste badknecht werd Reinder Edes. Met zijn paard bracht hij de badkoetsen in zee. De koetsen mochten niet op het strand blijven staan, maar moesten tot kniehoogte in zee worden gereden, daar de vrouwen anders te veel bekijks zouden krijgen! De eerste badjuffrouw was Catharina Former. De badkleding had in die tijd overigens wel wat ‘meer om het lijf’ dan nu. De heren droegen een soort hansop met lange pijpen tot aan de knieën en mouwen tot de ellebogen. Dit meestentijds horizontaal gestreepte badkostuum kon aan de voorkant door een lange rij knoopjes worden afgesloten. De dames droegen een lange broek met een kort jack, dat om het middel met een ceintuur werd dichtgebonden. Het baden in zee, met inbegrip van het gebruik van een handdoek, en het afspoelen met zoet water in het badhuis kostte 0,10. Voor het baden in warm water in het badhuis werd f 0,20 berekend.

Advertentie in een provinciaal dagblad over de verkoop van het eerste badhuis op Ameland

Advertentie in een provinciaal dagblad over de verkoop van het eerste Badhuis!!

 

Opkomst en ondergang

Nes kende drie herbergen: die van Johannes Gaatje Wagenaar (thans bekend als hotel Hofker), 'Het Wapen van Ameland' vanDominee Roorda maakte reclame voor het eerste badhuis op Ameland Sybrand Obbes Bakker (thans hotel De Jong) en de herberg van Andries David Vellema (hier is nu 'Baarsma's Mode' gevestigd aan de Torenstraat). Toch hield men er rekening mee, dat deze herbergen in de tijd die wij nu 'hoogseizoen' noemen, vol zouden kunnen raken. Daarom werd de inwoners van Nes gevraagd kamers beschikbaar te stellen, waar de badgasten tegen een billijke prijs konden eten, drinken en overnachten. Twintig inwoners gaven aan deze oproep gehoor en waren bereid hun kamers te verhuren, maar van deze gelegenheid is destijds niet veel gebruikgemaakt. Wel is het opvallend dat de panden van de toenmalige kamerverhuurders de pensions van nu zijn geworden. Merkwaardigerwijze hadden de badgasten ook weinig belangstelling voor de slaapgelegenheid die hun in het onderkomen werd geboden, dat naast het badhuis was gebouwd. Was het er misschien niet gerieflijk genoeg?

Het lag voor de hand, dat de verbinding met Holwerd terdege onder de loep werd genomen. Dit resulteerde uiteindelijk in een geregelde overvaart tussen Nes en Holwerd: de postschuit voer tenminste één keer per dag, waarbij de vertrektijd afhankelijk was van het getij. Desgewenst kon men vanaf het vasteland zelfs gebruikmaken van een extra schuit, mits dit van te voren aan J. Bergmans, eigenaar van 'De Gouden Klok' te Holwerd, werd opgegeven.

De energieke Amelanders propageerden hun badinrichting niet alleen in de advertentiekolommen van de noordelijke dagbladen, maar ze namen zelfs ds. J. Roorda (zie foto hierboven), de predikant van de Nederlands-hervormde gemeente te Nes, in de arm om hun 'waar' aan de man (de vrouw) te brengen. Deze nijvere zielenherder liet in 1854 'Zeebad Inrigting op Ameland - de wenschelijkheid, oorsprong en aanvankelijke daarstelling' verschijnen, een boekwerkje waarin hij de loftrompet steekt over Ameland als badplaats. Het Scheveningen van het Noorden. 

Het badhuis omstreeks 1905

Het (derde) badhuis omstreeks 1905. Links zien we staande meester Pieter J. Braaksma met baard. Hij schreef enkele jaren later het bekende boekje Ameland, geïllustreerd. Een berijmde gids voor de bezoekers van dit eiland. Hij was toen hoofd der school in Nes

'Het is heus niet meer noodig naar Scheveningen of Norderney te reizen om zeebaden te nemen,' zo betoogt ds. Roorda, die blijkbaar allround predikant genoeg was om ook de stoffelijke belangen van zijn gemeenteleden te behartigen. 'Men vindt nu immers een badplaats vlak bij de deur, men behoeft slechts naar Ameland te gaan, waar men in heete en lauwe baden van zeewater kan baden, of in de open zee.'

Aardig is ook de wijze waarop de dominee over de Amelanders schrijft: 'Ze zijn zindelijk en vriendelijk, hebben ook een zekere mate van beschaafdheid, voortvloeiende uit de zeevaart, die hen met allerlij menschen in aanraking doet komen, terwijl de jonge meisjes veel in Amsterdam en elders dienden, waardoor zij vooral in de kookkunst bedreven waren.'

Het derde badhuis van Ameland in de beginjaren 1905-1910

Het derde badhuis in de beginjaren, zo rond 1905-1910. Het interieur, met rechts staande pachter Jan Gabbe Scheltema. Links staat Tjerk Klein, zijn zwager. Mogelijk staan er nog meer familieleden op.

Op de 'promotende' predikant rustte dan ook geen enkele blaam, toen de aannemer in de zomer van 1855 niet met de uitbreiding van het badhuis gereed was gekomen. Enkele eilandbewoners zagen dit echter als een ongunstig voorteken. Toch werd in 1856 - vanwege de toevloed der badgasten - nog een stenen bijgebouw bij het badhuis opgetrokken. Slechts twee vaste klanten ontdekten het kuuroord in Nes het eerste jaar. Twee jongemannen uit Leeuwarden met kinderverlamming reisden geregeld af naar het eiland. Tweehonderd losse gasten bezochten het zeebad in het openingsjaar. In 1857 en 1858 kwamen er echter zo weinig badgasten naar het eiland, dat de badinrichting in maart 1859 van de hand moest worden gedaan. De mensen die er hun geld in hadden gestoken, zegden namelijk hun vertrouwen in de rentabiliteit van de onderneming op. Men hoopte nog een gegadigde te vinden, die de exploitatie voort zou kunnen zetten. Die hoop bleek echter ijdel. In het jaarverslag van aandeelhouders lezen we het volgende:

Verslag van den Staat en toestand  der Zeebad-inrigting op Ameland

over den jare 1858/’59, als: Toestand der Inrigting

‘Na de opening van het badsaisoen in het vorige jaar, werden al dadelijk twee kamers in het Badhuis betrokken, waarbij het bezoek zich echter alleen tot het midden van Julij bepaalde.

De eerste maand van het badsaisoen was daardoor zeer ongunstig voor de inrigting.

Van af half julij tot het begin van September wordt de inrigting drukker bezocht, doch op verre na niet zoo druk als het vorig jaar.

Uit deze provincie bezochten slechts zeer enkelen de inrigting.

Maar alle bezoekers waren Groningers, welke over de inrigting, bediening enz. bijzonder te vreden waren.

In het begin van September waren echter reeds alle bezoekers vertrokken.

Voor de baden werd slechts ¦ 193,– ontvangen, welke opbrengst op verre na niet voldoende was om daaruit de kosten van Badrijder-badvrouw enz. te bestrijden.

De ontvangsten waren over het geheel merkelijk minder als het voorgaand Jaar en ontoereikende van de uitgaven te kunnen dekken.

Het Bestuur achte het daarom raadzaam de aandeelhouders met deze ongunstige uitkomst in kennis te stellen, en dezelven gevoelen te vragen, hoe verder te handelen.               

De meerderheid voor den verkoop zijnde is daartoe overgegaan.

Voor het oude Badhuis werd slechts ¦ 425,– geboden, waarvoor hetzelve voor alsnog niet is gegund.

Voor het nieuw gestichte badhuis waren geen gegadigden.

1902 vlak na het gereedkomen badhuis van Ameland

1902, vlak na het gereedkomen badhuis. De eerste badgasten hebben zich in een strandstoel genesteld

Toestand der Gebouwen, meubelen en Badkoetsen.

De gebouwen, meubelen, badkoetsen zijn in goed staat gebleven.

De gebouwen hebben eenige reparatien van betrekkelijken onbelangrijke aard noodig, als zich bepalende bij gewone reparatien.De meubelen dienen aangevuld te worden.

Het in den omtrek van de gebouwen opgestoven zand moet opgeruimd en den omtrek weder met stroo beplant worden.

Met eene som van ¦ 500,– ongeveer rekent men alles weder in goede staat te kunnen laten brengen.

 

Bedienden

Omtrent de bedienden valt niets mede te delen.

Staat der geldmiddelen, werking van het reglement en tarief

De ontvangsten beliepen ongeveer ¦ 700,– minder als het vorig jaar.

De staat der geldmiddelen is ongunstig, daar er toch den 12 dezer, buiten de kosten van de veiling, een te kort van ¦ 300,– bestond.

 

Er is alzoo minstens ¦ 1300,– noodig voor het te kort te dekken en de noodige herstellingen te laten doen. Het tarief voor logement enz. is voldoende.

Het Reglement nopens de administratie en het beheer der inrigting, zoude dit eveneens zijn, wanneer de inkomsten toenemende, in plaats van afnemende waren. Thans echter zijn de kosten van administratie en der huishouding te groot.

Het bestuur meent zich overtuigd te moeten houden dat de inrigting, op den tegenwoordige voet voort gezet wordende, steeds een nadelig saldo zal opleveren.

Door de aandeelhouders zal in deze vergadering een besluit genomen moeten worden hoe verder met de inrigting te handelen. Overigens hebben thans niets meer mede te delen.

Aldus uitgebragt door den secretaris der Zeebad inrigting op Ameland in de algemeene vergadering van aandeelhouders te Leeuwarden den 26 Mei 1859.

Van Heeckeren

Interieur van het derde badhuis omstreeks 1915. Wie op de foto staat is onbekend

Interieur van het derde badhuis omstreeks 1915. Wie op de foto staat is onbekend


In 1860 werd het badhuis ten overstaan van notaris E. Meijer te Holwerd voor fl. 330,– aan Gabbe Jans  Scheltema verkocht (de vader van Jan Gabbe, de latere pachter van het paviljoen in 1902, en de eigenaar van het paviljoen in 1917). Het logement met de paardenstal, ook wel het ‘Groote Badhuis’ genaamd, ging voor fl. 1956,– over aan Sikke G. van der Leest.

Jan Gabbe Scheltema, Pietje Scheltema met hun kleinzoon Jan Anthonie Scheltema in 1930

Jan Gabbe Scheltema, Pietje Scheltema met hun kleinzoon Jan Anthonie Scheltema in 1930

Bekijk het vervolg: Het tweede badhuis van Ameland (1880-1890)

Meer Amelander Historie:

Vrienden worden van stichting 'De Ouwe Pôlle'

Steun onze stichting 'De Ouwe Pôlle' als vriend. Vanaf 18,50 euro ontvangt u 3 x per jaar het blad 'De Pôllepraat' en steunt u onze activiteiten en musea! Met uw bijdrage maken we ons sterk voor de Amelander cultuurhistorie en erfgoed!