Besmettelijke ziekte op Amelander schip ‘Jan en Cornelis’

Bij het zoeken naar overlijdens van Amelanders in Amsterdam ontdekten we dat in 1821 in een korte periode veel bemanningsleden van het pinkschip ‘Jan en Cornelis’ stierven. Dit schip stond onder gezag van de Amelander kapiteins Jacob Clasen Duijf (1760-1844) en zijn schoonzoon Gribbert de Jong (1795-1860). Twee kapiteins op een schip is best bijzonder. Aan boord bevonden zich meer Amelander bemanningsleden. Wat was de oorzaak van de vele sterfgevallen op het schip? Dankzij de kranten uit die tijd kunnen we het achterhalen: er blijkt een besmettelijke ziekte uitgebroken te zijn! Op basis van het verslag van matroos Cornelis Abrahamsz (1802-1879), een van de bemanningsleden aan boord van ‘Jan en Cornelis’, weten we wat er gebeurd is.  

Cornelis Abrahamsz op latere leeftijd.

Cornelis Abrahamsz op latere leeftijd.

 

Cornelis Abrahamsz.

Tijdens ons onderzoek naar de vele sterfgevallen aan boord van het schip ‘Jan en Cornelis’ werden we via conservator Diederick Wildeman van het Scheepvaartmuseum in Amsterdam gewezen op het verslag van matroos Cornelis Abrahamsz. Van hem hebben ze een handgeschreven verslag van 353 pagina’s. Cornelis trouwde op 20 juli 1832 met Catharina ‘Kaatje’ Douwes Dekker (1809-1849). Zij was een dochter van Engel Douwes Dekker en de Amelandse Sietske Eeltjes Klein. Haar jongere broer Eduard Douwes Dekker is de beroemde schrijver Multatuli. Hoe Cornelis, Kaatje heeft ontmoet daarover later meer. Voor nu volgen we het verhaal van het pinkschip ‘Jan en Cornelis’ aan de hand van het verslag van Cornelis. Op 7 juli 1821 lag het schip op de rede van Batavia. In oktober 1821 voer het door de Indische Oceaan waarna het twee maanden later in Kaapstad aankwam. Over het schip ‘Jan & Cornelis’ schreef hij:

“Het schip de Jan & Cornelis was een Hollandsch maaksel van Oud model, zeer lage boorden, en een half gezonken kajuit evenals op de kofschepen en op dezelfde wijze ingaanden in de zij aan stuurboord, het schip en tuig was ten geheel geharpuist, het ruim was beladen met Koffij en Specerijen, en in het tusschendeks hadden we behalve water & Provisiën eenige terugkeerende matrozen en onderofficieren van de Marine die bij de Slag van Palembang gekwetst en verminkt of ook ziek geweest waren.”

Uit de “Biografie van Cornelis Abrahamsz Jr.” En over het verloop van de reis schreef Cornelis:

“Wij waren in Octob. van Batavia vertrokken behalve onze Kapitein hadden wij noch een kapitein zijnde de Schoonzoon van de kapt. Duif Kapt. Gribberd de Jongh en er was slechts eene stuurman daar de andere gestorven waren en in Straat Sunda was er noch eene der manschappen overleden en overboord gezet.”

Miniatuur van Trijntje Duijff (1798-1878), vrouw van Gribbert de Jong.

Miniatuur van Trijntje Duijff (1798-1878), vrouw van Gribbert de Jong.

Jacob Duijf was getrouwd met Dieuwertje Hofker (1768-1842) met wie hij een dochter had. Deze dochter was Trijntje Duijff (1798-1878) van wie ook een miniatuur geschilderd is. Trijntje trouwde op 30 december 1818 met de Amelander Gribbert de Jong. Gribbert voer drie jaar later als supercargo met zijn schoonvader Jacob op de ‘Jan en Cornelis’ die sinds 1802 het bevel over dit schip voerde. Over kapitein Jacob Duijf schreef Cornelis het volgende:

“Onze kapitein was eene ouderwetsche stijfkoppige Amelander, het is hierwel de moeite waard om hier van een paar staaltjes te verhalen. Eens dat ik kort na mijn herstel aan 't roer stond verweet hij mij mijne ziekte als zoude ik zelve daar van de oorzaak zijn, op joe'n vorige schip heb je het schraal gehad, en niet aan de wal geweest en nu heb je 't vol op en eerst moest je noch eens aan de wal en daar ben je nu ziek van geworden, en daar sta je nouw een fatsoenlijk manskind en haast geen schoenen aan de voeten. Ik had uit zuinigheid in 0.I. lang op blootte voeten gelopen om mijn goede schoenen te bewaren tot mij in de koude en het slechte weder kwamen, en stond nu het mooij weder was met een paar oude schoenen die ik dacht dat mij noch wel dienen konde. Ik trok het mij evenwel niet zwaar aan.”

Cornelis wist niet dat hij 10 jaar later met zo’n eigenwijze Amelander zou trouwen. Toch was hij tevreden over zijn verblijf:

”Op de Jan & Cornelis beviel het mij wel en ik deed mijn best om mij nieuwe rang van volmatroos waardig te maken, blijde in het vooruitzicht van weder naar huis te zullen varen.”

In de Bataviasche courant van 14 juli 1821 staat vermeld welke goederen 'pas aangebragt' zijn met de ‘Jan & Cornelis’ van kapitein Duijf

In de Bataviasche courant van 14 juli 1821 staat vermeld welke goederen 'pas aangebragt' zijn met de ‘Jan & Cornelis’ van kapitein Duijf

“Heerschende ziekte”

Gedurende de lange zeereis van Nederland naar Nederlands-Indië had de bemanning een grote kans om ziek te worden. Ook Cornelis ontkwam hier niet aan:

“Ik had behalve dit ongeval eens eene galkoorts gehad op dit schip en was zeer blijd dat ik het nu gezond en wel verlaten kon daarwij kort na onze terugkomst van Macasser de doctor als 't eerste slachtoffer der Cholera Morbus verloren hadden en er noch eene matroos gevolgd was.”

Er heerste dus cholera in Nederlands-Indië. Iemand die cholera opliep, braakte gal en had daarnaast nog een vreselijke diarree. Wanneer men de cholera bacterie via vuil drinkwater binnen krijgt en deze de zure maaginhoud weet te passeren, komt ze vervolgens in de dunne darm terecht. Men heeft dan kans na enkele dagen overvallen te worden door een hevige darmontsteking. Daarbij komen hevige braakbuien waarbij een galachtig braaksel wordt uitgespuugd. Spoedig daarna wordt dit gevolgd door een waterige diarree zodat men door vochtverlies binnen enkele uren komt te overlijden. Als cholera op een schip uitbrak, liep iedereen risico. Zeker de opvarenden die een mindere weerstand hadden. Cornelis schrijft het volgende:

“Er stierven in die tijd vele schepelingen aan de heerschende ziekte ook scheen het lang verblijf op de Reede van Batavia in die dagen nadeelig op de gezondheid der zeelieden te werken. Als mede oorzaak daarvan geloof ik dat het slechte drinkwater kon aangemerkt worden. Wij haalden dat destijds uit de rivier van Batavia waarin het door deszelfs onreinheid een kleur had als Chocolade en bezonken zijnde 1/3 bezinkzel bevatte, om het nu eenigsins onschadelijk te maken voor drinken werd het aan boord gekookt en miste daardoor het aangename frisse van helder bron of regenwater. Ook werden de matrozen bij de heerschende ziekte bang voor dezelve en als men iets in ’t lijf voelde dacht men reeds die ziekte te hebben en voor de verpleging in het hospitaal waren de schepelingen over het algemeen zoo bevreesd, dat zij zich verbeelden dat als zij daarheen moesten dat zij dan zeker nooit hun schip weder zoude zien. Op de Jan & Cornelis waren er ook reeds eenige overleden dit schip dat met 39 manschappen in alles uit Europa vertrokken was had bij ons vertrek van Batavia ook reeds 10 verloren en ik vreesde destijds ook een van de slachtoffers van het is. Climaat te zullen worden daar ik een paar weken voor ons vertrek ook ernstig ziek werd en met een paar andere van het volk ziek in 't volkslogies op den grond lag.”

De beschieting van Palembang, Sumatra, 24 juni 1821 (Martinus Schouman)

De beschieting van Palembang, Sumatra, 24 juni 1821 (Martinus Schouman)

In 1821 wordt de Slag om Palembang in Nederlands-Indië uitgevochten. Om die reden zijn aan boord van ‘Jan & Cornelis’ niet alleen 39 bemanningsleden maar ook troepen: 100 man en 2 officieren. Deze manschappen hadden niet een al te beste weerstand en velen vielen ten prooi aan cholera. Ook de bemanningsleden werden ziek want toen het schip in Amsterdam aankwam, werd op 24 april 1822 van tien bemanningsleden de overlijdens aangegeven. Onder hen vier Amelanders:

· Abraham Sijmens Bakker, zeevarende, geb. Ameland, overl. 02-07-1821 ter rede van Batavia
· Teunis Jans Kievit, zeevarende, geb. Ameland, overl. 13-08-1821 ter rede van Batavia.
· Jan Lausen de Jong, zeevarende, geb. Ameland, overl. 11-10-1821 ter rede van Batavia.
· Jacob Jensen, zeevarende, geb. Ameland, overl. 11-10-1821 in het Mil. Hosp. Weltevreden in Batavia.

Aan boord was het als zieke geen pretje zo wordt duidelijk uit Cornelis zijn verslag:

“Het is dus wel te begrijpen dat wij die ziek waren het daar beneden zeer benauwd en akelig hadden als men gezond in gezelschap aan het een of ander lijdende is, dan kan men elkander noch vertroosten en opbeuren maar inwendig ziek dorstig lusteloos zonder toespraak, dan eens of 2 maal pr dag de docter, dan zoo'n bedompt donker vertrek, daar over dag ieder ogenblik de gezonden op en neer inlopen, en het zoo spoedig mogelijk weer uitlopen om de benaauwde en onaangename lucht die er in heerschte te ontlopen, in zoo'n toestand is men niet gestemd om de lotgenoten op te beuren of toe te spreken, maar zelf klagende en lijdende terwijl ik daar dan zoo benaauwd koortsig en dromerig op de grond in 't logies nederlag gebeurde het dat buurman die naast mij lag zulke vreemde en ontrustende geluiden maakte, dat de Docter er bij gehaald werd, deze verklaarde dat hij stervende was, en niet lang daarna of hij was dood; hoewel ik nu vreesde dat het mijn beurt ook spoedig worden zou zoo was toch noch te veel afkeerig van de dood om er zoo digt bij te willen blijven en ik kroop met mijn plunje zoo veel ik kon van het lijk af en op een andere plek het duurde echter niet lang of het zelve werd op het dek gehaald en zoo als ik later hoorde op het eiland Kuiper begraven. De ziekte waarin ik voor de dorst niet anders te drinken kreeg dan gort water met azijn en stroop begon erg te vervelen en neerslagtig te maken.

Gezicht op het eiland Kuiper in de baai van Batavia. Hier werd een van de bemanningsleden van de ‘Jan & Cornelis’ begraven.

Gezicht op het eiland Kuiper in de baai van Batavia. Hier werd een van de bemanningsleden van de ‘Jan & Cornelis’ begraven.

Uiteindelijk zou Cornelis herstellen van de ziekte. Hij schrijft:

“Ik was intusschen in zoo verre hersteld dat de Doctor begreep dat ik eens de lucht mocht komen en kroop dus ’s avonds toen de lucht wat bekoeld was om 5u met behulp van iemand de trap op naar 't dek doch niet lang was ik daar of alles was mij zoo vreemd en raar en draaide me voor de Ogen, dat ik spoedig in elkander zakte en bewustloos werd. De Doctor bragt mij weer bij en hielp mij naar beneden van die tijd af aan werd ik dagelijks meer in de lucht gebragt en herstelde ik langzamerhand zoo dat ik toen we in Zee waren weder dienst begon te doen.”

In de kranten staat het aantal slachtoffers van cholera in Batavia (18 aug 1821)

In de kranten staat het aantal slachtoffers van cholera in Batavia (18 aug 1821)

Cornelis ontmoet Kaatje

Jacob Duijf was na aankomst in Nederland niet langer de kapitein van de ‘Jan en Cornelis’. Op 13 juli 1822 wordt een zeebrief en een Turkse pas aangevraagd voor de nieuwe kapitein Jan Sikkes Kroon. Jacob werd in 1825 kapitein van het fregat ‘Cornelis Houtman’ net als zijn schoonzoon Gribbert de Jong. Tevens werden ze beiden later lid van het Amsterdamse zeemanscollege ‘Zeemanshoop’.

Ook Cornelis vervolgde zijn zeemanscarrière. In 1822 meldt hij zich bij kapitein Engel Douwes Dekker. Dekker woonde met zijn gezin aan de Binnen Brouwersstraat in Amsterdam. De kapitein was niet thuis, maar zijn dochter wel, die vroeg of ze een boodschap kon doorgeven. ‘Neen dank u’, antwoordde Cornelis, die haar met ‘meisje’ had aangesproken, ‘dan zal ik de kapitein wel op de beurs opzoeken. Dag juffrouw.’

Ze gaf de boodschap door. Maar kapitein Dekker was van deze manieren niet gediend. ‘Als jij bij iemand aan huis komt, dan dien je in 't oog te houden tegen wie dat je spreekt, en te weten waar je staan moet!’, zei hij bars tegen Abrahamsz. ‘Je moet maar eens aan boord gaan en spreken met de stuurman en kom morgen om 9u dan bij mij aan huis.’

Catharina Douwes Dekker

Catharina (‘Kaatje’) Douwes Dekker (1809-1849)

Het meisje die de deur open deed, was Kaatje. Tien jaar later trouwde Cornelis met Kaatje. Blijkbaar had hij een betere indruk op zijn schoonvader gemaakt. Ze kregen zes kinderen. Hun dochter Anna Abrahamsz (1837-1908) zou later als tienjarig meisje met haar vader aan boord een reis naar Nederlands-Indië maken. Dit manuscript is reeds onderzocht en uitgegeven onder de titel Journaal eener Oostindiesche Reis : De belevenissen van een tienjarig meisje in 1847 en 1848. Cornelis was inmiddels opgeklommen tot kapitein. In 1849 stierf Kaatje op 40-jarige leeftijd. Vijf jaar later hertrouwde Cornelis met Helena Elisabeth Onnen.

Wie graag het complete relaas van Cornelis wil lezen, moet nog even wachten. Er zijn concrete plannen voor onderzoek en een uitgave. De Linschoten-Vereeniging heeft de intentie van de gehele biografie een complete uitgave te maken. Het zal nog wel even duren voordat dit boek verschijnt.

VRIENDEN WORDEN

Word vriend van Amelander Historie! U ontvangt iedere maand onze historiekrant en krijgt een gratis e-book cadeau! 
 
 

Meer Amelander Historie:

Vrienden worden van stichting 'De Ouwe Pôlle'

Steun onze stichting 'De Ouwe Pôlle' als vriend. Vanaf 18,50 euro ontvangt u 3 x per jaar het blad 'De Pôllepraat' en steunt u onze activiteiten en musea! Met uw bijdrage maken we ons sterk voor de Amelander cultuurhistorie en erfgoed!