Belevenissen van Barend Boelens tijdens de oorlog (1940-1945)

WAT IK BELEEFDE

Hoe kon ik vermoeden dat dit zoo’n lange scheidingsperiode zou worden. Immers ik voer sinds jaren voor de Maatschappij Nederland’ en ging ook nu als reeds zoovele keeren de haven van Amsterdam uit. 

Wij waren gemonsterd op het s.s. Moena voor een reis naar Indië, onze Oost. Het was op de 3e maart van 1940 toen we vertrokken en voor we de lange reis opgingen moesten we eerst nog Engeland aandoen. Vreemd was de aankomst in Engeland. Er was zooveel beweging aan de wal toen we meerden. Meer dan ooit viel het ons op dat er bijzondere belangstelling bestond voor de lading. De papieren werden nagekeken. Het klopte en toch waren de autoriteiten niet tevreden. De Moena werd niet vrij gegeven en voor te vertrekken moest van de hoogere autoriteiten telefonisch bericht worden ontvangen. Veel wisten en begrepen we niet van dit geval. Toch voldoende om te merken dat het hier over de 247 kisten ging die in het ruim geladen waren in Holland. Die kisten moesten contrabande bevatten. Toch durfden ze het niet goed aan. Immers
Nederland was niet in oorlog met Engeland, Duitschland wel en de etiketten wezen duidelijk aan dat deze kisten munitie van de Hembrug bevatten. Na lang wachten kwam de opdracht de kisten te lossen. Het moest contrabande zijn. Of dit het was ligt niet aan mijn beoordeeling, maar wel moet vermeld dat onder die etiketten andere zaten die duidden op Duitsche afkomst. 

ss Moena getorpedeerd in de oorlog

Zo gingen we tenslotte de groote reis op naar Ned.Oost Indië. De reis verliep verder vlot en toen we in Priok aankwamen moesten we overstappen op de Poelou-laut. Met deze boot voeren we op de kust en toen we op zekeren dag in Priok kwamen hoorden we dat Nederland in oorlog was met Duitschland. Dit was dus op 10 Mei 1940. Er gingen veel gedachten door mijn hoofd. Hoe zouden ze het thuis maken. We hadden nooit oorlog gehad tijdens mijn leven. De radio verkonde wel nieuws maar dit was steeds ongunstig, al werd in de beginne nog wat moed gegeven. Nederland werd onder de voet geloopen en ieder peinsde hoe het met ‘t gezin zou vergaan dat achter gelaten was, aan ons zelve dachten we niet. Immers we zaten veilig in Indië en daar zou Duitschland geen oorlog gaan voeren. Neen niet voor ons zelf, maar de nu eeuwigdurende onzekerheid, dat was zwaar te dragen. Maar neen het zou zoo erg niet zijn. Engeland kwam te hulp en dan zou Duitschland gauw teruggeslagen zijn. We hadden geen flauw idee hoe het in Nederland zou gaan. Was het een groot slagveld? Zou er voldoende hulp zijn? Had Duitschland een machtig leger? Er rezen zoovele vragen. Dan hoorde we door de radio,”Nederland heeft gecapituleerd met uitzondering van Zeeland”. Zou daar stand gehouden kunnen worden? Was de IJzer4 in de vorige oorlog niet het water waar de Duitschers hun nederlaag begonnen was? Zou dit kleine stukje Nederland die eer te beurt vallen? Maar ach met de dagen verstreek de hoop. Vorstenhuis met Nederlandsche regeering naar Engeland vertrokken. De Duitschers trokken door Belgie. Belgie en Frankrijk vielen. Allen werd onder de voet geloopen en wij leefden voort in onzekerheid. Niemand had er eenig idee van hoe lang dit zou duren. Sommigen van ons beweerden dat de bondgenoten nu voldoende strijdkrachten zouden hebben en Duitschland het veroverde terrein wel spoedig terug zou moeten geven. Anderen waren er echter die weer niet zoo zeker meer waren van een geallieerde overwinning, ofschoon toch ver weg de meesten niet er aan twijfelden of Duitschland moest verliezen.

s.s. Poelou-laut

s.s. Poelou-laut

Wat konden wij er toe bijdragen om de overwinning zoo spoedig mogelijk te behalen. Varen, aan en afvoer van de verschillende oorlogbenoodigdheden. En zoo gebeurde. Al leverde dit gevaar op, allen waren trotsch mee te kunnen helpen aan dit eene groote doel. "Duitschland moet er onder". Gevaarvol was het want overal lagen de onderzeeërs op de loer. 

Thans gold list tegen list. Dikwijls werd in groote omwegen het einddoel bereikt om daardoor de vijand te misleiden. Zoo moet, terwijl het oorlog is in Europa, door ons de eerste reis gemaakt worden van Java naar Amerika. Onze route staat uitgestippeld. Via de Stille Zuidzee gaan we naar Baltimore. Dag en nacht moeten we met twee man in de mast voor de uitkijk, want mochten in de Atlantic de onderzeeërs op de loer liggen, hier zijn het de vestzakslagschepen en bewapende vrachtschepen. Volspanning wordt de horizon afgezocht of er ook iets valt te ontwaren en niemand verzaakt hierbij zijn plicht; immers het gaat voor de groote zaak. En zo komen we dan behouden met de Poulou-Lout in Baltimore aan.

Alhier kwam de mededeling dat de gehele bemanning moest overstappen op het s.s. Saleier dat geladen was om naar Engeland te varen. Eerst voeren we naar Halifix of een andere plaats om in convooi verder te gaan. Met een convooi van 50 schepen gingen wij de reis aanvaarden. Wij troffen het slecht met het weer want nauwelijks waren we in open zee of het werd slecht weer en de donkere grauwe wolken waren de oorzaak dat wij in de nacht uit het convooi vandaan geraakten, doch konden gelukkig in de loop van de volgende dag weer bij de anderen komen. Dit wordt de eerste maal sinds het oorlog is dat ik in een Europeesche haven zal komen. Wij beseffen geen van allen nog het gevaar omdat we niet volledig op de hoogte zijn van de toestanden en vinden het dan ook geheel niet abnormaal dat wij behouden in Engeland aankomen. Wij hebben, al hoorden we beklemmende verhalen, niet het directe gevaar ondervonden. In Engeland merkten we meer van de oorlog en werden meer de juiste situatie gewaar doch lang duurde ons verblijf hier niet want het was een in alle haast lossen en opnieuw laden om weer naar de Oost te vertrekken.

s.s. Saleier

s.s. Saleier

De Saleier is nu volledig berekend op oorlogstoestand. De boten (reddingssloepen) hangen in de talie's. Zwemvesten zijn aan de bemanning uitgereikt. In de sloepen is proviand voor enige dagen gebracht alsmede water, kompas, zeilen en andere benodigdheden. Toch werkte dit alles niet bijzonder veel op ons in omdat geen van allen dachten dat er ons iets zou gebeuren. Bovendien voeren we in convooi althans een gedeelte van de route en dat was het misschien wat ons dat grote gevoel van veiligheid gaf. Wij voeren weer in convooi. De machines liepen regelmatig en het werd reeds eentonig het ons zoo zeer bekende ritme. Af en toe hielden we een kleine oefening wanneer het geval eens mocht zijn dat we de boot zouden moeten verlaten.

Dan klonk het fluitsignaal van de eerste stuurman en met de opdracht “laat liggen wat ligt” was het rennen naar de booten en ik moet zeggen we waren daar al zoo in geoefend dat het de gewoonste zaak der wereld scheen te zijn. Toen begreep wellicht geen van ons allen dat er groote kans bestond dat dit vertoon eens werkelijkheid zou worden.

Ik overwoog naarmate wij verder op ons doel afgingen dat het misschien niet overbodig was dat ik de voornaamste dingen van mijn persoonlijk bezit eens bijeen deed om in geval van nood dit toch in ieder geval mee te kunnen nemen. Foto's, wat geld, een weinig kleding en nog enkele dingen bracht ik bijeen in een klein pakje. Men kon nooit weten. Het zou toch niet allemaal voor de flauwe kul zijn maar steeds dat oefenen. De officieren zeiden er weinig van. Zoo hadden we reeds een heele afstand afgelegd. We bevonden ons nu in de Altantische Oceaan en koersten op IJsland af. Wat duurde het toch lang. Wat een verschil bij de doorvaart van het Suezkanaal. Naarmate wij IJsland naderden word de uitkijk scherper. Dag en nacht steeds twee man op uitkijk en we begrepen dat het ernst was. Nu zou het landverraad zijn wanneer ieder niet zijn best deed het schip behouden te doen overkomen. Het convooi was steeds bijeen geweest maar nu de laatste nacht, was van 11 op 12 April, hadden wij onze koers gewijzigd omdat de rest van de schepen naar Noord Amerika moest en wij als enkeling naar de Oost. Wij zagen dan ook niets meer van deze schepen. Radiocontact werd er niet gemaakt evenmin waren de lichten aan op de boot. Dit immers zou ons kunnen verraden en een dankbaar baken voor de vijand zijn.

Aanvankelijk ging alles goed, doch toen gebeurde het. Ik zat in de kajuit. Dan een siddering door heel het schip en werd onbewust in de hoek geslingerd. Bij mij was de baas timmerman. Ook hij werd een eind weggesmakt. Nu was het werkelijkheid geworden en we begrepen dat de torpedo zat. Dan een tweede schok nog voordat we beiden op de been waren. Een gedachte gold. Hier uit de kajuit vandaan want direct verzuip je. Ik voelde dat ik een heele smak gemaakt had, doch voldoende kracht om overeind te komen. Ik weet mij te herinneren dat ik duizelig werd. Dan zie ik de baas timmerman wegrennen. Bij de deur kijkt hij nog om naar mij. Dan weet ik dat ik op dek sta. Aan mijn gemaakt pakje heb ik niet eens gedacht. Dat blijft dus achter. Aan dek zie ik allen al bij de booten. Gelukkig hebben allen de kalmte bewaard. Het schip zinkt snel. De boten hangen los en allen zonder uitzondering komen levend in de reddingsbooten. De kapitein stapt het laatst in. Dan klinkt zijn stem nogmaals voordat we het schip voorgoed aan het lot overlaten en worden nogmaals de manschappen geteld. Allen zijn er. Een keer was er spanning. De telling wees uit dat er een man ten weinig was doch gelukkig was een abuis gemaakt. Wij allen waren gered al dobberden wij nog op de baren.

Dit viel voor op Witte Donderdag naar ik meen op 13 April 1941 om 17 uur. Binnen vijf minuten zonk de mooie Saleier. Van de eerste schrik bekomen begonnen allen zich te realiseren; daar dreven we nu 600 mijl ten Zuiden van IJsland. Hoe kregen we wal? Maar er werd niets geen tijd gegund hier lang over na te denken. We zagen de onderzeeër vlak bij ons boven komen. Angst kwam over de bemanning. We hadden al zoo dikwijls gehoord dat na de torpedeering de onderzeeërs boven kwamen en de bemanningen met de machinegeweren weg maaiden. Ook ik dacht nu niet anders of mijn laatste uur was geslagen. De commandant der onderzeeër vroeg welke boot het was die hij getorpedeerd had. Het vragen was overbodig want hij wist het immers wel. De naam stond er met koeienletters op. In spanning wachten we af wat nu zou gaan gebeuren. Ik zag hoe op de toren der duikboot een pelikaan geschilderd was. Het teeken van zelfopoffering. Manschappen kwamen op dek der duikboot. Er word druk gepraat. Waarover gesproken werd hoorden we niet. Toen commandeerde de commandant iets en allen verdwenen in de toren.

Langzaam begon de duikboot onderwater te gaan en niet nadat er eenigen tijd verstreken was voelden we ons gerust; we werden dus niet gemitrailleerd. Thans begon de overpeinzing omtrent onze te verwachten redding. Er was eenige hoop dat een vaartuig in de buurt was die de noodseinen had opgevangen, want de marconist had de seinsleutel vast gezet en dan gaan automatisch de S.O.S. seinen de lucht in totdat het schip onder water is. Toch dienden we ons in te stellen op een langdurig zwalken op zee.

Van belang was dat de drie sloepen bijeen bleven om elkaar zoonoodig te kunnen assisteeren. Na de eerste schrik was er dan ook een bijeenkomst hoe te handelen was. Het liep toen al tegen de avond. Begrijpelijk was dat we in de nacht nooit opgepikt konden worden, althans niet gemakkelijk omdat geen licht gemaakt mag worden uit vrees dat de vijand ons het nog lastig zou maken. Met een lijn werden de booten aan elkaar gemaakt en zoo lieten we ons deze nacht drijven. De nacht was koud. Er waren er die nagenoeg geen kleeren aan hadden, de menschen uit machinekamer en stokers waren zeer licht gekleed en zoo hadden ze het schip moeten verlaten. Dan waren de kleeren veel nat geworden zoodat we zooveel mogelijk beschutting zochten onder een zeil dat we spanden. Eetlust was er niet dat kwam van de spanning. Het is heus niet aangenaam te weten dat men ver van land zit en niet te weten of er redding zou komen. Immers in dit laatste geval mochten we zoo weinig mogelijk van deze plek af gaan om de opsporing te vergemakkelen. Na de avond kwam de nacht en we wachten; na de nacht kwam de morgen en we wachtten; na de morgen kwam de middag en we wachten. Er kwam geen hulp. Hoe we ook tuurden en al hoe we rondzochten met onze oogen er was niets in de kim te ontwaren. We zouden met de oogen alle hulp naar ons toe willen trekken doch het hielp niet. Ik dacht even na hoe erg het zou moeten zijn zoo een, twee, drie weken rond te dobberen en er kwamen enkele boeken in mijn gedachten waarin ik van zulk een rondzwalken gelezen had. Bij verschillende onder ons kwamen reeds trekken van moedeloosheid op het gelaat. Nu juist in deze tijd. Oorlog, iets hadden we er nu van meegemaakt, en wat kon er nog gebeuren. Op de dag hadden we de sloepen onderling losgemaakt. De zee was wilder geworden en het aaneenzitten belemmerde de waakzaamheid der sloep. We hadden nu een huif boven de sloep gemaakt. Dat beschermde ons voor het binnenkomende water. De drijfzak hadden we uitgevierd en daar bleven we op liggen. Hierbij hielden we elkaar zooveel mogelijk in de gaten. Vaneen gaan zou noodlottig kunnen worden. Dan tegen de avond hoor ik iemand uit een der andere sloepen roepen. Nog eens. We verstaan het niet goed. De zee is wild geworden. Soms zien we niets meer van de andere sloepen. Dan zijn we tegelijk op een golf. Nu zien we elkaar en nu hooren we roepen: ”Schip in zicht". Het is zoo moeilijk met dit weer in zicht te krijgen. We zitten maar een moment op de golf dan in de diepte en het uitzicht naar de kim is weg. Komt het van links komt het van rechts, we weten het niet. Dan zit de naaste sloep weer op een top en we zien een richting uitwijzen. Wij turen ook en zien dan ook een rookpluimpje in de verte. Het wordt schemerig. Toch kunnen we nu een boot ontwaren. Zou het een vriend zijn, de vijand? Dat is nog niet te zien. We hopen allen. Het komt dichter. Neen nu gaat het met een bocht om ons heen. Het model geeft aan dat het een Amerikaansche oorlogsbodem is. Amerika is nog niet in oorlog met Duitschland. Kan ons gerusten wat dat betreft, We zwaaien met de riemen. Geen teeken geef de bodem. Deze vaart voorbij maar we hebben in elk geval gezien dat het een Amerikaan is. Ze moet ons ontdekt hebben, het kan bijna niet anders. Dan, vrees en hoop volgen elkaar op. Het schip vaart voorbij, doch dan zien we in de verte dat het zwenkt. Wonderlijk vaart deze oorlogsboot. We merken dat deze nu in steeds kleiner kringen rondom ons vaart. Kleiner en kleiner wordt de cirkel. Wat beduidt dat toch. Dan opeens volspeed op ons aan en denken een oogenblik dat we overvaren zullen worden. Kort bij ons zien we dat de machines volspeed achteruit gezet worden. Het schip ligt vlak bij ons stil in het water. De gezagvoerder staat op de brug. Hij roept ons toe zeer snel te komen. We trekken wat we kunnen aan de riemen om hieraan te voldoen en al is de afstand zeer kort toch neemt het een oogenblik in beslag. De gezagvoerder blijft roepen "Hurry up". We doen wat we kunnen.

De eerste van onze sloepen ligt nu langszij. De bemanning klimt Iangs de touwladder omhoog en als de laatste man uit de sloep stapt en aan de touwladder hangt staan de machines al weer volle kracht. Als we aan dek komen worden we ergens binnen geduwd. De deur op slot en nergens kunnen we naar buiten kijken. Daar klinken een paar schoten. Vermoedelijk zijn onze sloepen, die ons het leven voorloopig hebben gered, de grond in geboord. Dat schijnt zoo de gewoonte te zijn. We zien niemand van het personeel. En na verloop van een kwartier hooren we hevige explosies.

USS Niblack

We raden wel maar weten niet wat het kan zijn. Even later komt iemand bij ons in het vertrek. De deur gaat open en we zien de zee weer. Rondom ons is het allemaal olie op de zee. De bemanning van de Amerikaan zegt niets. We vragen maar worden niet veel gewaar. Als iemand van ons zegt "ik zie niets meer van de onderzeeër" liet een van de Amerikaanse bemanning zich ontvallen "daar zul je nooit weer iets van zien". We worden goed onthaald op de oorlogsbodem. Niets te kort en de verzorging is uitstekend. Waar gaan we nu naar toe. Als we het goed hebben naar IJsland. Dat is inderdaad zoo en komen na een angstige tijd in de sloepen gered door deze Amerikaan met dit schip op IJsland.

Hier moeten we wachten. Zoo we vernemen moeten we eerst naar Engeland en vandaar uit weer met een andere boot varen. Zoo gebeurt. We worden naar Engeland gebracht en wel naar Greenwich om vervolgens in Liverpool te belanden. Men kan merken dat alles nog niet goed vlot. De oorlog is nog betrekkelijk versch en Engeland, dat begrepen we nu pas, heeft zich nog volledig in moeten stellen hierop. Er valt dus zooveel te doen waardoor het begrijpelijk wordt dat wij niet één twee drie kunnen overstappen op een andere boot.

Doch om het relaas verder te doen zij dan vermeld dat we in Liverpool in twee ploegen werden verdeeld. De Maatschappij moest voor ons zorgen en de eerste gang was naar het zeemanshuis om ons onderdak te brengen. Hier moest ik walgen van ons onderkomen. Het wemelde van de wantluizen en de properheid was dienovereenkomstig. Hier wilde ik niet leven en diende mijn beklag hierover in bij de agent der maatschappij.

Nadat hier negen dagen verstreken waren kwam het hevige bombardement op Liverpool. Dit ging nacht na nacht en het was geen uithouden meer. Alles stond te dreunen en te schudden. Vele menschen verlieten Liverpool en zochten op het platteland een onderkomen. Wij waren er tot nog toe goed afgekomen al sloegen de bommen dichtbij ons in. Het was een groote vernieling en om het in één woord uit te drukken: het was verschrikkelijk. Engeland heeft dan ook een groot uithoudingsvermogen gehad anders ware het niet mogelijk geweest de oorlog voort te zetten. We begrepen terecht dat Churchill niets dan bloed en tranen kon beloven. Het werd ook mij te bar en besloot uit Liverpool te vertrekken. Eerst vernam ik of we spoedig moesten varen en toen dat nog niet het geval was verdween ik het platteland op. Waar ik terecht zou komen wist ik niet maar beloofd mededeeling hiervan te doen als ik ergens onderdak was. Begrijpelijk is dat het niet meeviel onderdak te verkrijgen. Immers er gingen zooveel menschen naar het platteland. Zoo trok ik met een matroos naar Zoutpool een badplaatsje. We liepen rond en konden onderdak met verzorging krijgen in een groot hotel dat naar het scheen ingericht was voor de meer gegoede klasse. We vroegen wat de pensionprijs was en dat was een pond per dag. Het was wel wat veel en of de maatschappij dit bedrag wilde vergoeden wisten we niet. Dat liet ons echter koud. Het stond ons hier goed aan en we bleven. Blij dat we waren nu verlost te zijn van die hevige bombardementen. Nog dezelfde nacht zagen we van ons nieuwe pension weer een aanval op Liverpool. Toen we hier ongeveer een week waren ging mijn makker naar zee. S.S. Moena was inmiddels in Engeland aangekomen en daar moest hij heen. Thans bleef ik alleen in Zoutpool. Ik wist niet hoelang dit verblijf hier zou kunnen duren en aangezien de Maatschappij niet alles vergoedt werd het mij te duur. Ik keek rond naar een ander pension en slaagde voor een half pond per dag. Dat scheelde dus de helft. Veertien dagen bleef ik nog in dit pension. Toen maakte ik een kustreis.

Toen s.s. Moena weer in Engeland kwam monsterde ook ik op de Moena en zou naar Indië gaan. Weer diezelfde lange reis van het ongeluksschip. We vertrokken uit Newpoort weer richting IJsland en dan langs een omweg, ongeveer buiten de kring waar de onderzeeërs lagen, rond de kaap. We deden Durban nog aan en kwamen in Priok aan. De Moena zag er zoo verschrikkelijk vervuild uit dat ze moest klasse (is schoonmaken). Dit was dan ongeveer in September 1941 dat ik weer in Priok was. De bemanning had recht op verlof en allen namen hun verlof op in Indië. Immers wachten tot ze in Nederland kwamen ging toch niet. Daar was het eind van weg en voor verschillende jaren opsparen mocht ook niet. Anderen waren er die het maar opmaakten omdat ze zeiden "we weten niet of we morgen nog leven en we kunnen het maar gehad hebben". Velen vinden dit misschien een raar gezegde maar men moet bedenken dat bij doorloopend gevaar het leven minder waarde begint te krijgen en er over leven en dood gemakkelijk en betrekkelijk waardeloos gesproken wordt. Omdat nu allen met verlof gingen bleef ik alleen aan boord en stond ik aan het hoofd van een aantal koeli’s die het schip moesten schoonmaken. Men moet een groote dosis geduld hebben met deze inlandsche menschen te kunnen werken. Het schip zat vol roest.

Dit moest afgehakt worden en als ik nu zeg dat er wel 300 hamers in zee geraakt zijn of door deze menschen gestolen, waarvoor men nooit kan oppassen en voorkomen, en met het niets liever doen dan luieren is in het kort geschetst hoe hopeloos het is met deze menschen een werk uit te voeren. Toch kwam de boot klaar en tot het zoover was werd de boot bemand met Laskaren (Indische matrozen) en bleef ik 14 dagen aan de wal. Deze 14 dagen bracht ik door op een theeplantage. Het was bij een administrateur die ik al eerder had leeren kennen en mij eens uitgenoodigd had. Gaarne maakte ik daar thans gebruik van.

Dit was in Garoet en kreeg een overzicht hoe de werkzaamheden op zoo'n plantage waren. Ik was bij deze administrateur thuis en heb daar een zeer aangename herinnering van. Hier in Garoet leerde ik inlandsche gebruiken en spelen. Ook ik speelde mee. Hoofdzaak was hier de wedstrijd in vliegers. Hier werd op gewed. Men moest dan trachten met de draad iemands anders draad door te snijden. Het gelukte mij nooit. Toen ik de administrateur te hulp riep liet die voor mij een vlieger vervaardigen met - en wat het belangrijkste is - een draad.

Daar werd de meeste aandacht aan besteedt want die moest scherp zijn om te kunnen snijden. Men smeert die draad in met lijm en glasgruis. Men tracht dan met de vlieger boven iemand anders te komen en tracht te snijden. Werkelijk met het nieuwe maaksel gelukte het mij eenige tegenstanders te verslaan. Tenslotte hield ik hier echter mee op, het vroeg te veel tijd. Later deed ik hier nog eens aan en ofschoon het niet juist bij het verhaal behoord meende ik dit toch even te moeten aanteekenen. Toen mijn verlof om was ging ik naar Soerabaja, daarna nog een maand in Tosari geweest en zat op 1 December 1941 in Semerang.

Indië was toen inmiddels in oorlog geraakt met Japan. Al was er wel rekening mee gehouden dat dit zou komen. Indië was toch nog niet berekend op deze schok. Alles liep practisch in de war. De organisatie was slecht. Niemand wist waar hij zich aan te houden had en bij velen werd reeds een paniekstemming waargenomen. We moesten bedenken dat er een groot aantal Nederlanders in Indië waren, dat Nederland de handen vol had aan Duitschland en het niet mogelijk was dat Indië zich zelve zou kunnen handhaven. De wildste geruchten gingen, maar doordat niet aanstonds de Jap in Indië landde kwam de kalmte terug naarmate de tijd verstreek. Mijn bezigheden waren niet veel. Ik moest namelijk waken bij de kantoorgebouwen der maatschappij. Dit was in hoofdzaak 's nachts en bestond hierin dat ik 's nachts in een kantoorgebouw moest slapen. Overdag was ik vrij. Ik kocht een nieuwe radio. Dan kon ik de berichten goed volgen. Die waren niet gunstig zoodat ik mij wel eens beangstigend afvroeg waar het naar toe moest. Naarmate de dagen verstreken steeg de spanning. Steeds werd er meer door de Japanners bezet, we voelden het gevaar nader komen. De slag in de Java zee had plaats gehad waarbij onze vloot grootendeels verloren ging. Met heldenmoed waren ze de dood ingegaan. Trots en fier ten onder. Weerstand geboden tot het bittere einde, dat door geen vloot geëvenaard is in de oorlog. Doorman, de moderne Trompen, de Ruyter. Zijn kernachtige spreuk ”Ik val aan, volg mij” zal door alle eeuwen voort blijven leven. Deze helden der zee, ze wisten in verre minderheid te zijn bij het aantal Japansche schepen. Toch ”Ik val aan”. Zij hebben getracht Java te beschermen voor de intocht der Japanners. Ze hebben deze wel vertraagd doch helaas niet kunnen verhinderen, doch de helden zijn wellicht ten onder gegaan met de gedachte de Jap krijgt Java nooit.

Zooals gezegd de Jappen kwamen toch korter bij. Het werd erg onrustig in mijn omgeving. Verschillende Nederlandsche ambtenaren e.d. verlieten Semarang al. De politie bleef voorloopig nog. Dan plotseling het bericht: de Jap op Java geland. Nu werd het een ware paniekstemming. Alle mannelijke Nederlanders waren al uit Semarang vertrokken. Een groot gedeelte in militairen dienst anderen om niet in handen van de Jap te vallen. Allen trokken naar het Zuiden om vandaar naar Australie te komen. Velen zijn dan ook van daaruit geëvacueerd. Jammer, de vrouwen bleven achter. De Jap komt steeds dichter bij Semarang. Alle weerbare mannen zijn nu uit Semarang vertrokken. Ook de politie verdween op het laatste nippertje en ze spoorden mij ook aan om mee te vertrekken. Ik zou dat gedaan hebben en voelde daar veel voor, doch er was iets dat me hiervan weerhield.

Ik schreef reeds dat er zooveel Nederlandsche vrouwen hier achtergebleven waren. Ik overdrijf niet dat bij allen een panische angst aanwezig was. Immers ieder hier in Indië weet dat de Jap een vrouw slechts als een handelsartikel beschouwt. Wat zou de Jap met hen doen? Begrijpelijk is dan ook dat elk der vrouwen trachtte zich aan mij vast te klampen, want had de vrouw een man dan zou de Jap dat eerbiedigen, zoo is de Jap. Elk der vrouwen vroeg mij om zich mijn echtgenoote te mogen noemen doch ging daar begrijpelijkerwijs niet op in. Al deze vrouwen en ook ik hadden verblijf in een groot hotel. Jammerend stonden de vrouwen rondom mij. "Wat moeten we doen mijnheer". Wat kon ik in deze omstandigheden anders doen dan adviseeren ”Blijven”. Het was toch niet mogelijk om met de vrouwen op pad te gaan en te voet. Verkeersmiddelen waren er niet. Dat alles was weg en wat niet weg was had met vernield. Bruggetjes liet men springen, alles werd stuk geslagen en op het moment dat de Jap dan binnenkwam was het een groote chaos. Doch met mijn advies om te blijven waren de vrouwen niet tevreden.

En als U bedenkt dat alle manvolk de stad uit was gevlucht laat het zich licht verklaren dat deze vrouwen zich hulpbehoevend voelden, vooral door de wetenschap hoe of zij door de Jap zouden worden bekeken. Toen een van deze vrouwen dan terecht aan mij vroeg; "En mijnheer wat doet U zelf, blijft Uzelf hier ook” meende ik de verplichting te hebben met mijn advies zelf niet te mogen vertrekken al had ik dat toen nog wel gekund. Ik vond het niet eerlijk tegenover hen ofschoon ik nooit anders had kunnen adviseeren.

Ik zocht mij zelf een taak. Ik kon mij als de hoogste autoriteit van Semarang beschouwen omdat de stad van mannen ontdaan was. Velerlei waren de vragen die aan mij gericht waren. Ik liep op straat en trachtte de bevolking, in deze vrouwen, te kalmeeren. Kwam langs het postkantoor waar een groote oploop van menschen was. Ik stond daar stil. Weer dadelijk kwamen er op mij af. Mijnheer het postkantoor is gesloten (Toean kantorpos toetoep). Kunt U ons helpen? (Dia bisa toeloeng). Ik begreep dat de menschen hun centen van de bank wilden hebben doch ook hier was niemand meer aanwezig. De telefoon ging. Ik luisterde en diende van antwoord. Van vele plaatsen kwamen aanvragen. Allen informeerden naar de toestand op Semarang, ook van Semarang zelf werden mij vragen gesteld. Helpen kon ik echter niemand want wist zelf niet veel hoe of het er bij stond. Ik heb lang op deze telefoonpost gezeten. Toen werd alles verbroken, buitenaf, en ik ging heen. Waardepapieren waren niet aanwezig. Het interesseerde me ook niet. Zoo in deze toestand wachtten we de Jap af. Vermeld zij nog dat ik het zoo belangrijk vond op de telefoonpost dat ik in twee dagen niet gegeten had. Het lijkt vreemd als over twee dagen gesproken wordt terwijl al gemeld is dat de Jap elk oogenblik kon komen, doch dit hield nog even tegen. Dan kwam hij Semarang binnen.

Wij stonden in het hotel waar wij toen verbleven. De vrouwen rond mij. Toch duurde het lang voordat de Jap bij ons kwam en toen deze tenslotte bij ons aankwam was er maar één beslissing voor de Jap: interneeren. Ik werd gescheiden van de vrouwen en in Juni 1942 moest ik mij als geïnterneerd beschouwen. Er was geen contact met andere plaatsen. Wat van mij zou geworden wist ik niet doch vond al spoedig dat hier geen goede toekomst weggelegd was. Ik werd op transport gesteld en naarmate we verder gingen kwamen er meer geïnterneerden bij. Vrij spoedig werden al onze gegevens gevraagd. Wij moesten opgeven naam beroep enz. Vooral beroep scheen hun bijzonder te interesseeren. Ik weet niet hoe het kwam doch reeds direct kreeg ik als het ware een ingeving mij nooit als zeevarende op te geven. Ik dacht dat deze menschen mogelijk gebruikt zouden worden voor aan en afvoer van troepen en materiaal. Dat zou de vijand tot voordeel zijn terwijl het daarbij nog zeer gevaarlijk kon worden door de bombardementen van vliegtuigen. Zoodoende gaf ik mij op als nachtwachter en daar deze niet in Indië als een beroep bekend zijn wisten de Jappen niet wat of het beteekende. Op dat moment begreep ik niet dat deze keuze mij nadien zoo dikwijls gered heeft voor een oproep tot actieve werkzaamheden. Aanvankelijk te voet, daarna in auto's werden wij naar een interneeringskamp gevoerd. Toen wij in het kamp aankwamen waren er duizenden lotgenooten.

Toch was deze reis niet zoo vlot verloopen want de gevechtsmenschen waren naar de Zuidkust van Java gegaan al vernielende wat tot de oorlogvoering van dienst kon zijn, om van de Zuidkust af nog te trachten naar Australië te kunnen met een boot. Velen zijn op deze wijze dan ook nog naar Australië kunnen vluchten en uit handen van de vijand kunnen blijven. Hoeveel dagen dat deze tocht duurde kan ik mij niet herinneren al zou het mogelijk wel na te gaan zijn. Vreemd vindt U het misschien dat zulk een belangrijk tijdvak niet nauwkeurig in het geheugen is gebleven, doch begrijpelijk als U aan het slot vernomen zult hebben hoe onze belevenissen zijn geweest die ons de waarlijk in het geheugen geprente datums hebben doen vergeten.

Toen de Jap de Zuidkust bereikt had konden ze meer aandacht aan ons besteden en aldaar een kamp voor ons inrichten. Dit gebeurde en we kwamen daar in een landbouwkamp8. Ik zal trachten een beschrijving te geven van de ligging van dit kamp waar we zoveel dagen beroofd van de vrijheid en familie hebben geleefd. Dit was dan een landbouwkamp op Zuidoost Java. Ten Oosten werd het begrensd door de Kali-Baroe, ten Westen door de Kali-Lampong. Ten Zuiden door de Indische Oceaan en ten Noorden door een heuvelrug. Naar schatting was de lengte van het kamp 10 kilometer, de breedte 8 kilometer.

Kamp Kesilir

Kamp Kesilir

Het waren hier in cultuur gebrachte gronden en de hutten toonden aan dat het grondgebied nog niet lang geleden was verlaten. Al werden er verschillende gebouwtjes ingericht tot kantoortjes en verblijfplaatsen voor de Jap over dit uitgestrekte terrein. Er was eigenlijk maar een uitgang en wel nabij de heuvelrug. Verder was het kamp verdeeld in drie afdeelingen, gescheiden door een sloot. Al nagelang het grondsoort was werden er zoo te zien verschillende vruchten verbouwd. Mais, rijst, verschillende struiken heesters en boompjes. Van Noord naar Zuid, dus van de heuvelrug naar de Indische Oceaan liep een sloot door het kamp, de twee dwarsslooten kruisend. Getracht zal worden aan het slot een kleine schets te geven van het kamp. Vermeld zij dan dat ik ingedeeld werd in het bovenste kampgedeelte, dus dat tegen de heuvelrug grensde. We zochten allen een onderdak in de zoo ik al zeide aldaar staande hutten. Wij vormden groepjes.

 

De zes man waar ik bij ingedeeld was waren Indische Europeanen en onze verhouding was aanvankelijk heel goed. Toch noodzaakte het mij na verloop van tijd afzonderlijk te leven, al was dit niet omdat we elkaar vijandig gezind waren. De hoofdoorzaak was hierin gelegen dat de maaltijden die door ons zelf bereid moesten worden door hen te gekruid waren waardoor ik het aan mijn maag kreeg. Althans ik dacht dat het door de vele kruiden kwam. Zoodoende, al woonden we slechts enkele tientallen meters van elkaar, kwamen we meer op ons zelf en ontstond een bepaalde afzondering al kwamen we wel eens bij elkaar nadien. We ontvingen voldoende eten. Ik spreek van voldoende omdat we wel meer begeerden doch we konden het er mee doen. Daarbij gebeurde het dan dat ik wel eens met mijn lotgenooten iets ruilde bijvoorbeeld mijn kruiden tegen eten. Doch thans dan eerst de schets.

Het ging aanvankelijk stroef ons in deze omstandigheden te verplaatsen. Ik hoorde wel eens zeggen; "alles went" en dit schijnt inderdaad zoo te zijn. Langzamerhand leefden wij ons in het nieuwe. Met hoeveel menschen we hier zaten kan ik niet schatten. Ik kreeg daar nooit een algeheel overzicht van want immers het kamp was in drie vakken verdeeld en elk bleef in zijn eigen vak. Als ik echter mededeel dat het er 8000 geweest zijn geloof ik niet ver mis te zijn. De verhouding onderling was niet bijzonder. Men zou geneigd zijn te denken dat allen één waren. Dit was niet het geval. De meesten zochten in kleine groepjes steun en zoo was het ook dat wij met een klein groepje waren. Het eten ging wel maar was niet voldoende. Eigenaardig was dat er wel geld in het kamp mocht maar niet er uit. Ik had ook wat geld bij mij en begroef dit in de omgeving van mijn hut waar het thans nog zit. Wij, en hiermee bedoel ik ons groepje, waren belast met verschillende werkzaamheden. Het begin werd gemaakt met het schoonmaken van de slooten. Van ons uit ging het naar beneden dus was het voor de gevangenen beneden ons een zaak van groot belang dat zij die boven hun werkten zorgden dat het water stoomende bleef. Zoodoende werd er ook behoorlijk gewerkt omdat, al ging men niet met elkaar om, toch allen hier aanvoelden dat we lotgenoten waren. Onder leiding van de Jap moesten we in het kamp alles in gereedheid brengen voor een naar oordeel vrij langdurig verblijf. Latrines werden gemaakt boven de sloot die door het kamp liep. Het vuil ging stroomafwaartsch. Voor ons was dit niet erg. Voor hen die beneden ons waren wel. Zij kregen alle vuil door hun sloot heen en als men bedenkt dat wij uit deze sloot moesten drinken dan is het al griezelig hieraan te denken. Zoo gezegd was het voor ons zelf niet het ergste immers wij konden nog boven stroom ons drinkwater scheppen. Wel werd het altijd gekookt.

Het reeds in cultuur gebrachte land moest omgewerkt worden en beplant. In onze afdeeling was dit meest met een boomsoort waaruit naar ik meende olie werd geperst als de boom daartoe goed was. Dit waren kleine boompjes. Een deskundige op dat gebied was ook mede krijgsgevangene en leerde ons al spoedig hoe deze boompjes het beste genekt konden worden. Ook sabotage was hier bij onze eerste gedachte. Zoo kwam er tenslotte weinig van de aanplanting terecht. Wij knepen de groeikern er uit en het werd een misvormd boompje. Anderen werden weer slecht geplant of werd de wortel gedeeltelijke afgestoken. Veel profijt heeft de Jap hier dan ook niet van gehad. Dat het zoo slecht groeide vond, zeiden we natuurlijk, zijn oorzaak doordat we niet vakkundig waren. Zoo waren de anderen bezig rijst te planten, mais of andere planten. Om half zes moesten we opstaan en buiten de etenstijd werkten we tot 's avonds zes uur. Om langzaam te werken ging moeilijker dan om te saboteren op andere wijze. We hebben dan ook menig zweetdruppeltje gelaten.

Na de arbeid kon elk zijn eigen potje koken. Ik leefde in een hutje op een paar tiental meters van mijn groepsmakkers vandaan. Ik alleen, zij met vijven. Wij stookten buiten de hut en brandstof was er genoeg althans in den beginne. De hutten die niet in gebruik waren werden afgebroken hiertoe en reeds vele hutten waren omver en de resten werden dan eveneens voor brandstof gebruikt. Toch kort het vrij vlug op en steeds moesten we verder van huis om brandstof.

Erger was het om het aangestoken te krijgen. Lucifers waren zeer schaars en er werd om zoo te zeggen geen verstrekt zoodat we ten laatste vuur bij elkaar gingen lenen. Omkoopbaar lijkt ieder op een bepaald moment en in bepaalde omstandigheden te zijn. Zoo was het hier ook en naarmate de schaarschte kwam nam de handel toe. De een had dit de ander dat. Ook de Jap deed zijn oogen wel eens dicht als er iets ongerechtigs gebeurde, als er maar aan te winnen was. Het eten werd allengs minder. De keuken waar slechts één gerecht bereid werd stond langs de sloot. Ook al voor afvoer van het vuile water. Nu zult U wel zeggen "en U kookte zelf", ja en zoo was het ook neem maar het drinkwater. Dat moest om niet een ziekte te krijgen gekookt worden. Dan werd er een stukje rauw vleesch verstrekt of wel men kon iets bemachtigen dat eetbaar was en gekookt moest worden.

Wij begonnen ons reeds ongelukkige wezens te voelen toen we een tijd in het kamp gezeten hadden. Naarmate de nood stijgt durft men meer. Zoo kwam het dat we gecombineerd met het verder trekken om brandstof te zoeken ontdekten dat aan de Noordelijke zijde van onze afdeeling vruchten groeiden. De Jap zou niet dulden dat we daar ons eens tegoed zouden doen, doch toen de ontdekking gedaan was kwam de rest ook. 's Nachts was er niet veel controle en met de duisternis gingen we in georganiseerd verband naar de plek van vruchten groei, de heuvelrug die ik omschreef. De eerste nacht was beangstigend. Wij trokken met z'n zessen er op uit. Door contact met de anderen was besloten dat om het uur een groepje zou vertrekken opdat wanneer er controle zou komen niet het heele kamp op rooftocht zou zijn. Er zou brandend hout in de lucht gegooid worden als er onraad zou komen. Dit laatste was wel niet toegestaan maar te verkiezen boven het ontdekken dat de gevangenen zich te goed deden aan de vruchten. Zeer beangstigend slopen we in de stikdonkere nacht over de velden. Ternauwernood was de richting te bepalen en toch we deden het. Licht konden we niet maken. Het zou ons verraden. Fluisterend werd er gesproken wanneer er gesproken werd, doch dit was niet veel. We voelden de adem van elkaar. Het hart bonsde en we meenden dat het stille geluid der voetstappen zou klinken tot ver in de omtrek. Wat zou gebeuren als we hier ontdekt werden? Dan vergat men een oogenblik deze gedachte en de spanning er spoedig te zullen zijn; de plaats die ons hongerige maag zou vullen nam ons geheel in beslag. Het leek wel een eeuwigheid te duren. Dan doemden de heuvels voor ons op en we waren op de plaats. We voelden en tastten, kropen over de grond en gingen weer opstaan. Allen vlak bij elkaar; men zou elkaar kunnen verliezen. De enkeling zou verdwalen, roepen zou niet gaan, zoeken in de nacht evenmin. Zoo werkten wij ons voort, bijna met zes man op een vierkante meter. Ik herinner me nog goed dat ik tastend iets tracht te ontdekken en hoe ik tenslotte als eerste mijn hoofd stoot tegen de eerste vruchten. Ik schrik, doe me ietwat pijn maar voel me gelukkig. Dan schijnen we op de goede plaats te zijn en ook de anderen rapen en graaien rond. Pisang en ananas en meerdere vruchten, wat het allemaal is weten we niet precies. De pisang kennen we het beste. Het is een hard gelach niets in de mond te kunnen steken. Van de pisang moet de schil af. Die mogen we hier niet neergooien. De Jap zal ze vinden. En als we ons hemd hebben uitgetrokken en aan het eind met een eindje touw dichtgebonden hebben gaan we met onze vruchten naar huis, goed opgesloten in onze hemden.

Voorzichtig wordt de terugtocht aanvaard. Toch loopen we sneller als toen we gingen. We voelen dat aan. Opeens staan we pal. Voor ons hooren we voetstappen. Voorzichtig leggen we ons neer. We luisteren aandachtig. Stemmen hooren we niet, zien doen we evenmin iets en toch hebben we het duidelijk gehoord. Hij die naast me ligt begint tegen me te fluisteren, het zal de Jap zijn. Het zal de Jap zijn. We weten uit ervaring dat de Jap uitermate zacht kan loopen. Indien hij op het oorlogspad is hoort men hem niet en kan hij beschouwd worden als een sluipende kat. Geen van allen verroert zich, doch dan hooren we weer het ritselen van voetstappen. Het gaat vlak langs ons heen. We houden de adem in. Zouden ze ons bemerken? Het zijn naar gissing een man of acht. Dat is vreemd. Meestal loopt de wacht van de Jap met twee menschen. Dit is abnormaal. Of wel het is dat ze onze afwezigheid in het kamp ontdekt hebben of wel het zijn geen Jappen.

Als we bij onze hut aankomen vernemen we dat er meerder kameraden op uit zijn getrokken nog voordat de voorgaande groep terug is en nu begrijpen we meteen dat de personen waar we onze adem voor ingehouden hebben op de tocht waarschijnlijk mede kampgenooten zijn geweest. Rijk beladen kwamen we aan en deden ons te goed aan de meegebrachte vruchten en vanaf die tijd werd het oord dat ons de kostbaarheden geschonken had de naam steeds gegeven van: “Grootvaders tuin”. Om later niet meer in herhaling te vallen zij vermeld dat we nog vele keeren naar Grootvaders tuin gingen en dat deze ons vele malen voor honger heeft behoed. Tenslotte was er echter een zeer duidelijk pad naar de tuin en viel het op zekeren keer aan de Jap op waarna deze het spoor volgde en toen wist wat er gebeurde in de nacht. Van toen af was het afgeloopen en moesten we het met ons rantsoen doen.

Wat ik nog wil vermelden is dit, dat voordat we in het kamp kwamen wij een speech kregen van de hoofdman der bewaking. Hij vertelde ons in het Japans, dat daarna weer door een tolk werd weer gegeven, dat we er prijs op moesten stellen hier gekomen te zijn. Dit was een voorrecht bij vele anderen. We zouden het er goed hebben, erg vrij in onze bewegingen waarover we zeer tevreden zouden zijn enzoovoort enzoovoort. Ik schrijf nu juist over de speech die we kregen omdat we er ook een kregen toen we het kamp weer moesten verlaten en ergens anders naar toe werden getransporteerd. Ons leven ging daar zijn gewone gang. Het zou een herhaling worden en vervelend meer hierover te schrijven. Geld mocht wel in het kamp maar niet er uit. Er werd al geruild en gehandeld en verschillende waren hun ringen van goud al op deze wijze kwijtgeraakt. Het eten werd steeds minder doch niet zoodanig dat wij de hongerdood zouden moeten sterven. Vruchtbaar werk voor de Jap hebben we daar niet gedaan. Alleen datgeen wat voor ons noodig was zooals schoonhouden der slooten. Dat schoonhouden van de slooten was noodzakelijk want als deze slooten verstopt raakten dan hadden allen stinkend drinkwater, water dat toch al niet te hygiënisch was. Dit kampleven ging al in sleur. Onze gedachten aan huis werden reeds afgestompt en het ging al uit eigen lijfsbehoud waaraan we gingen denken. Vreemd maar als een mens een tekort heeft dat wil zeggen honger, dorst, ziekte e.d. dan wordt de mensch egoïstisch en denkt niet verder dan het oogenblik en aan zichzelf, al is er heel veel verschil in. Men kan broederlijk worden met een lotgenoot en het eigen bloed vergeten voor een tijdje. Men maakt wonderlijke tweespalten mee. Barre ellende wordt nog gestreeld met humor. Hoe het bestaan kan, kan alleen diegene begrijpen die zulke dingen heeft meegemaakt. Werken, slapen, probeeren machtig te worden wat dienstig kan zijn, dat is hetgeen waar we deze kamptijd verslijten. We mogen niet klagen en komen tenslotte niet als verhongerden uit dit kamp.

Augustus 1943. De kampleider verschijnt en wij waarmee ik bedoel vele van mijn kampgenooten en ik moeten aantreden. Wat zal het nu zijn. Benieuwd zijn we wat ons te wachten staat. Gissen durven we niet, er is al zoo dikwijls misgeraden door ons en vertrouwen de zaak niet. Toch schijnt het nogal mee te vallen. De kampleider heeft een verheugd gezicht. We kunnen niet zeggen dat het een heele beroerde vent voor ons geweest is. Het is nu eenmaal oorlog en omdat ik als zeevarende zoo goed de gewoonten en zeden van de Jap ken valt het ons niet tegen zoo behandeld te worden zooals we behandeld zijn. Als allen bijeen zijn komt er weer een speech (toespraak) door hem. Aldus tot groote verbazing hooren we dat hij nu in vloeiend maleisch ons toespreekt. Hoe bestaat het. Toen we in het kamp kwamen dat was in Juni 42 sprak hij slechts Japans en moest een tolk het aan ons doorgeven. Vreemd was het, maar niet voor allen want onder ons waren er die de persoon inmiddels hadden herkend. Het was een Jap die in de vredestijd op Java een winkel had, en die tijd schijnt dienstbaar gemaakt had, om de kennis te benutten wanneer het tot een oorlog zou komen tussen Nederland en Japan. Dat was van hun kant goed bekeken. Thans sprak hij dan in het maleisch: Menschen jullie hebben jullie taak buitengewoon vervuld. Ik ben zeer tevreden en thans is er dan ook een opdracht gekomen dat jullie uit het kamp gaan en een goed plaatsje krijgen. Gij gaat naar een plaats waar electrisch licht is en stroomend water. Ik wensch jullie goede reis.

Wij vertrokken. Wij gingen met auto's naar de trein. Wie nu denkt dat we een mooie coupé kregen heeft het mis. Zooveel als er maar in konden staan moesten we in gesloten goederen wagens. Er was geen spleetje waar we door naar buiten konden kijken. Alleen in de uiterste hoek was eenige opening, doch was te hoog om te bereiken. Waar we naar toe moesten was ons een raadsel. Het eenige wat ons medegedeeld was, was dat we naar een plaats gingen waar electrisch licht was en stroomend water. Verschillende waren aan het gissen maar niemand durfde meer te raden toen we een dag gereden hadden. De nacht hadden we stil gestaan. Warm tot bezwijken toe was het hierin geweest gedurende de nacht. Uitbreken ging niet en met alle narigheid leefde ons lichaam voort. Toen we de volgende morgen verder gingen kwam er eenige opheldering omtrent de richting. We merkten dat we op een punt waren waar meerdere rails lagen. Nu tilden we iemand op die door de kleine opening gluurde om iets te vernemen van de richting en werkelijk het had resultaat. Met combineeren meenden we aan te moeten nemen dat we in de richting van Banjoe-Biroe gingen. Dit bleek inderdaad later juist bekeken te zijn. We vermoeden toen echter nog niet wat deze plaats voor ons zou gaan beteekenen. In de loop van de middag kwamen we dan op onze eindbestemming aan. Nu moet ik eerst vermelden dat in elke wagen een verantwoordelijk persoon was aangesteld. Deze werd genoemd de leider en deze leiders werden tegen hun wil benoemd, of liever er viel niets te willen er werd gewoon gezegd: ”jij bent de leider” verder punt, geen commentaar. We waren blij dat eindelijk de deuren open gingen. Anderhalve dag hadden we in de benauwde ruimte gezeten. Een beschrijving zou te erg zijn om alles naar voren te brengen. Er hing een bedwelmende geur in de wagens. Hoe kon het ook anders. Dus genoeg daarover. We haalden verlicht adem toen we weer met de voeten op de grond stonden. Tegelijkertijd kwam echter een beklemmend gevoel over ons want we zagen dat we voor de bekende gevangenis van Banjoe-Biroe stonden. Dit zou dus onze bestemming zijn. Dit was dus de plaats waar electrisch licht en stroomend water was. Het was niet gelogen. Dat was er maar wat zou ons hier te wachten staan. We waren niet veel gewend maar niemand van ons twijfelde er aan of hier stond iets ergs voor de deur. Dit was de grootste verschrikking die ik tijdens mijn kampleven ondervonden heb.

Augustus 1943. De poort de gevangenis was achter ons dicht gegaan en voor hoe lang? Wij waren in het kamp al met drie man die het meest aan elkaar gehecht waren en ook nu waren we nog bij elkaar. Hier was ook de leider bij, aangewezen door de Jap. Nu dient U eerst te weten dat in deze gevangenis cellen waren, waar men alleen of met een paar man in moest en ook waren er zalen waar meerdere menschen bij een moesten. Wij meenden aanvankelijk dat het op de zaal het beste was doch merkten al spoedig dat dit het tegendeel was. Op onze zaal moesten we met 120 menschen bijeen zijn. Elk kreeg een ruimte toegewezen van 56 centimeter en de streepjes werden op de muur aangebracht hoever ieders ruimte reikte. Wij lagen met z'n drieën bijeen een paal dienende als pilaar tusschen ons in. U zult wel denken dat was strop die pilaar maar dit was het juist niet. Wij hadden een klein koffertje bij ons en nog een beetje andere bagage en dat konden we nu mooi boven onze hoofden aan de paal binden. Het nam geen ruimte van ons in beslag.

Thans wil ik nog even vermelden hoe een mensch in ontbeering egoïstisch wordt. Elke avond was het onze mat om op te slapen uitrollen, elke morgen de mat oprollen. Bij het naar bed gaan was het een groot spectakel. Verschillende van onze mede gevangenen waren steeds aan het ruzie maken over de ruimte. Net kinderen, als iemand een halve centimeter over zijn deel lag was het herrie. Dan in de nacht als iemand zich eens omdraaide was het nogal gemakkelijk dat hij tegen zijn buurman oprolde en het lieve leven was aan de gang. Dikwijls werd dan ook de leider geroepen, vaak midden in de nacht om een geschil op te lossen. Wat ons drieën betrof was er geen verschil van meening. Wat we te eten kregen deelden we broederlijk, terwijl we van het beetje het meeste toebedeelden aan die er het ergste aan toe was, waar ook ik een van was. Hier leerden we het beste menschen kennen. Eigenaardig is dat in narigheid dikwijls onze eigen verwanten vergeten werden.

Was het eten aanvankelijk redelijk dit begon allengs zoo te verminderen dat verschillende menschen teekenen van hongeroedeem begonnen te vertoonen. Wat mij zelf betreft dien ik te zeggen dat ik het ergste vond als het avond werd. Ik vond dat er zulk een klein lampje op de zaal brandde dat men elkaar nauwelijks kon zien. Ik begreep toen niet dat dit aan mij lag. Doch doordat naar ik meende het licht steeds zwakker werd moest ik tenslotte ontdekken dat ik 's nachts slecht kon zien en overdag goed. Ik werd nachtblind. Iets verschrikkelijks. Elk is meest op z'n eigen aangewezen. Ware het niet dat ik 's nachts dikwijls er uit moest vanwege de diaree dan zou het niet erg geweest zijn. Zoo was ik op zekeren nacht weer er uit. Een mensch leert zich aanpassen met de zintuigen die men bezit. Ik wist precies hoe ik moest loopen om bij de latrine te komen. Langs de muur af dan een trapje, drie meter recht vooruit daar stond een paal, hierna een rechte hoek naar links en in tien passen moest ik er zijn. Zoo was het naarmate mijn oogen slechter werden, dat ik mij aanpaste met mijn gebreken en toen ik tenslotte niets meer zag deed ik dit alles op gevoel. Zoo gezegd die nacht deed ik ook dezelfde stappen, nam dezelfde wendingen en kwam op de goede plaats terecht. Bij het terugkeeren echter raakte ik de koers kwijt en hoe ik ook tastte ik vond mijn kenteekenen niet: ik was verdwaald op de afstand van 15 meter. Ik moest ervaren dat men geheel de richting kwijt raakt als men begint te draaien. Opeens hoorde ik voetstappen. Ik riep en de persoon kwam op mij af. Ik vertelde hem dat ik verdwaald was en wilde het niet gelooven omdat ik zoo kort bij huis was. Toen ik echter uitlegde hoe het met mij gesteld was nam hij het aan en bracht mij op de bestemde plaats. Daar deelde ik mede hoe het mij vergaan was. Ik had 1.5 uur over deze tocht gedaan.

Om nu verder over het kamp te spreken (de gevangenis in deze dan) zij vermeld dat het eten allengs slechter werd. Naarmate het eten minder werd was mijn nachtblindheid toegenomen. De dokters die in deze gevangenis zaten deelden mij mede dat er een tekort aan bepaalde vitaminen was. Levertraan zou uitkomst kunnen brengen, doch dat was er niet. Toch kreeg ik na langen tijd een heel klein flesje. Ik was er erg zuinig mee en gebruikte een klein beetje. Werkelijk er kwam na drie dagen weer eenig zicht in mijn oogen. Wat was ik gelukkig. Begrijpt ge het wel wat het wil zeggen blind te zijn in een hulpbehoevende toestand? Zoo was er bij alle narigheid vreugde in mijn hart door dit feit.

Vermeld dient nog te worden dat er ook vrouwen in deze gevangenis waren. Dezen hadden een ruimte toebedeeld gekregen van 48 centimeter per persoon dus 8 centimeter minder dan de mannen. Ook deze vrouwen hadden het erbarmelijk slechter dan de mannen. Er werd weinig waarde aan een vrouw gehecht. Voor deze was het een nog grootere verschrikking. Het is te vies het te vertellen en toch het moet. Ik heb aanschouwd hoe deze vrouwen met hun handen de latrine leegden en het vuil in teilen schepten. Tot hun buik in de drek staan om vervolgens deze menschelijke uitwerpselen in de teil weg te dragen naar de poort waar het door koelies verder getransporteerd werd.

O, gevangenis van Banjoe-Biroe. Het werd een ware verschrikking. Hongeroedeem was aanwezig en nog werd het eten slechter. Velen hadden dysenterie. Enkelen reeds gestorven. Nog werd het slechter. Nog meer ziek en nog meer sterfgevallen. Die het niet meegemaakt heeft vraagt zich wel eens af, was het geen verschrikking om dit alles aan te zien. Ja, aanvankelijk wel doch men wordt zoo weerloos dat men de ernst er niet van begrijpt. Wij spraken er over als een heel gewone zaak wanneer er iemand op sterven lag. O, die haalt de avond niet meer werd er gezegd of wanneer zijn wij aan beurt, ofwel nou hij is er beter aan toe dan wij, wij moeten nog krijgen wat hij gehad heeft. Hoe eerder toch dood des te eerder het leed vergeten. Soms benijdden we degene die lag te sterven. Men is eigenlijk steeds stervende want normaal zijn we niet meer. Aan huis denken. Neen dat doen we niet meer. Ja soms, als we een enkele keer onze gedachten laten gaan naar een ver verleden dan kan het eens zijn. Gedachten in een ver verleden. Wij kunnen niet in een ver verleden turen. Zoo sterk zijn onze gedachten niet meer. Soms heel even.

Wij leven in het heden en daar hebben we net genoeg aan om onze dagelijksche dingen te doen zooals wij ze noodzakelijk moeten doen. Ik heb velen zien sterven en geen van allen heeft op en in zijn laatste uur tot mij gesproken door een laatste groet over te brengen aan de achterblijvende verwanten. Misschien ook wel, doch dat het geheugen mij verder in de steek heeft gelaten. Ook nu nog kan ik mij niet een geval herinneren. Als men zulks meemaakt is het echter ook aan te nemen dat in z'oon laatste uur men niet veel behoefte heeft de gedachten ver weg te laten dwalen. Zoo was het in deze gevangenis. De menschen begonnen in steeds grooter getal te bezwijken. Geen van ons allen geloofde nog dat hier iemand van ons levend uit zou komen. Men voelde de dood naderen. Reeds 10 keer had ik dysenterie gehad. Men staat er versteld van dat een mensch nog zooveel kan doorstaan voor hij dood is. Veel waarde hechtten we niet meer aan ons leven al zegt het leven zelf voort te willen bestaan. Hoeveel er van ons zijn heengegaan weet ik niet, doch de gelederen waren erg gedund. Groote vervuiling was in dit oord. Wandluizen in overvloed, weerstand minder, ziekte orde van de dag, sterfgevallen bij tientallen. Elk had genoeg aan zijn eigen en toch wij drieën waren broederlijk. Wij dachten allen nooit dit oord te kunnen verlaten en toch toen de nood ten top was gestegen kwam de bevrijding. Dat wil zeggen het bevel kwam dat de gevangenis verlaten moest worden. Vermeld zij nog alvorens de geschiedenis van de gevangenis Banjoe-Biroe te laten rusten dat wij dagelijks gymnastiek moesten doen totdat wij zoo uitgeput waren dat ons lichaam niet meer de kracht had de bewegingen te maken zoodat wij de laatste dagen dat we daar vertoefden geen beweging meer hadden en maar stil op de zaal bleven.

Januari 1944 dat was de maand die ons de verlossing bracht. Waar we naar toe gingen wisten we niet maar het kon niet anders of het was overal beter dan hier. We leefden dan ook een klein beetje op toen dit bericht was gekomen. Velen van onze mede lotgenoten zoowel vrouwen als mannen bleven achter, zij hadden hun graf hier gevonden. Dan waren er ook nog enkel zieken die niet meer in staat waren vervoerd te worden. Velen en ook ik waren zeer uitgeput en feitelijk niet in staat om opnieuw vertransporteerd te worden, doch de drang dit oord der verschrikking te verlaten deed een laatste restje energie opwekken om de tocht te volvoeren. Het had ook geen maand meer moeten duren of allen waren dood geweest hier. Van Augustus tot Januari hadden we hier gezeten. Wij vertrokken en kwamen in het kamp Bandoeng aan.

Voor ons was het een vreugde niet meer in een gevangenis te zitten. Ofschoon de menschen die reeds in het kamp zaten toen wij aankwamen reeds dachten het slecht te hebben. Hoe groot dit kamp was is niet te zeggen maar in elk geval het besloeg een groote uitgestrektheid. Vele werktaken waren hier, doch wil volstaan met mede te deelen dat ik bezembinder was. Ik bond mijn bezems en verdiende daar ook nog mee. Het loon was 15 cent per dag. Niet veel zult U zeggen maar wij waren niet veel meer gewoon. Wat het eten betrof dat ging wel toen wij er aankwamen. Vergeleken bij de gevangenis was het best. Wij hadden dan ook geen reden tot klagen doch naarmate de oorlog voortduurde werd alles schaarscher en zoo was het ook dat het eten langzamerhand minder werd. Geluk hadden we dat we hier eten bij konden koopen. Voor geld is toch veel in de wereld te bereiken. Nu hadden we onze daggelden gespaard en naarmate het eten slechter werd kochten we bij. Dit was een winstgevend zaakje voor de Jap. Hoe minder hij ons te eten gaf des te meer werd er door hen verdiend, immers dan werd bijgekocht. Op deze manier werden alle waarde artikelen aan de man gebracht voor eten. Het was reeds zoover met ons gesteld dat wij alles hadden opgekocht. Mijn gouden tanden waren reeds vertrokken naar de Japwinkel voor eten. Geluk hadden we dat er geregeld meer gevangenen bijkwamen en deze menschen hadden dikwijls nog waarde artikelen bij zich zooals horloges, ringen, gouden tanden enz. Dan bracht het eenige verlichting doch het was meestal van korten duur. Tenslotte raakte de koopkracht ten einde. Eten werd er niet verstrekt. Toch moest het leven verder. Ook hier kreeg ik dysenterie terwijl tijdens mijn geheele gevangenneming de malaria ook verschilende keeren mij in zijn macht gehad heeft. Zieken kwamen er velen.

Een vervuiling was aanwezig en ook al weer naar mate de weerstand minder werd nam het hopelooze voor ons toe. Veel zou ik nog kunnen vertellen over dit kamp. Ik wil slechts volstaan met mede te deelen dat er geen rat meer in dit kamp te bemachtigen was. Zij waren in menschenmagen verdwenen. Zoo zich al nog een rat vertoonde werd er jacht op gemaakt tot en met. Ofschoon de gevangen rat niet steeds werd afgegeven doch door de vanger zelf opgegeten, gold als verzoek der dokters die in het kamp waren dat een gevangen rat aan de doktoren gegeven moest worden opdat de meest zieke menschen deze konden eten. Het zal voldoende zijn de hongertoestand zoo geschetst te hebben. Als de zieken nog de ratten kregen laat zich licht verklaren wat de gezonden kregen. Gezonden, ja dat waren er maar weinig want wij waren allen ziek. Niet een was normaal. Wij hadden ons zelf weggedacht en het leven leefde slechts voort. Vermeld zij nog hoe ons valsche berichten bereikten. Er werden buiten het kamp waarschijnlijk door Chinezen heimelijk kranten gedrukt. Die kwamen ook hier hetzij in of buiten het kamp want er waren ook gevangenen die buiten het kamp moesten werken. Knipsels van deze kranten werd veel geld voor betaald want het waren altijd gunstige berichten. Dan werd gemeld dat de troepen geland waren, dan weer dat ze die of die of die richting optrokken en wij verlangend naar de bevrijding dachten dan elk oogenblik vrij te zijn. Helaas waren wij steeds bedrogen door deze valsche krantenknipsels. Deze menschen schaamden zich niet valschelijk ons het weinige bezit door de bemoedigende berichten afhandig te maken. Zoo is het heel onze gevangenschap door geweest. Zoo naderde tenslotte de oorlog haar einde.

Dan komen de Engelschen en wij zijn allen verheugd. Wij verwachten nu dat we werkelijk ook bevrijd en vrij zijn. Zoo vlug gaat het echter niet want ook nu nog blijven de Jappen ons kamp bewaken. Zij moeten de kampen behartigen. Terstond wordt het eten beter en dat is reeds voornaam. We krijgen meer vrijheden. Mogen gerust buiten het kamp naar de stad. Sommigen van ons gaan dan ook doch nergens is eenige organisatie dan in het kamp. Ik blijf en dat dit goed geweest is blijkt wel uit het feit dat zij die eerst de vrijheid waren ingegaan weer terug kwamen omdat in het kamp meer eten verstrekt werd dan er in de stad te krijgen was. Japan heeft gecapituleerd. Ik wil thans kort zijn. Tenslotte nemen de Engelsche en Brits-Indische soldaten het kamp over, doch één feit wil ik nog memoreeren. De inlandsche opstandelingen probeerden ons kamp te overvallen. Nog eenmaal zou ons kamp door de Jappen verdedigd worden. Want dit zij gezegd, dat zij het dan dat de strijd voor de Jap verloren was en ten einde, zijn opdracht luide verantwoordelijk te zijn voor kamp en geïnterneerden. De Jap vocht als een leeuw. Wij zagen het hoe op een enkel sein de Jappen-soldaten in de nacht ten aanval trokken op de opstandelingen en ook hoe zij dezen buiten ons kamp hielden. Wij hadden op dit einde ons leven te danken aan de Jap. Het was een bravourestukje met de weinige soldaten de extrimisten te lijf te gaan en te verdrijven. Onze indruk was, dat indien wij op dat moment door de Engelschen bewaakt geweest waren er geen van ons meer in leven geweest was en allen uitgemoord door de extremisten. Nog een feit. Als de Engelschen het kamp overnemen vraagt de Jap aan de Engelsche commandant verlof de extrimisten uit te roeien. Hij kreeg geen toestemming. Hij garandeerde binnen een maand heel Java hiervan gezuiverd te hebben. Toestemming werd niet verleend en dit kon mogelijk niet doch onze bevrijders hebben zelf geen kans gezien te bewerken wat door de Jap werd aangeboden.

Zoo was dan het einde gekomen van de interneering door de Jap. Wel bleven we in het kamp ook toen de Engelschen er waren doch na verloop van eenige dagen begon men aan de repatriëring. De volgorde van de repatrieering speelt overigens geen rol al wilden allen liefst zoo gauw mogelijk hier vandaan. Eerst kwamen de zieken met de noodige contanten aan beurt dan de zieken minder gesitueerd en vervolgens degenen die de meeste invloed konden uitoefenen. Voor mij werkte de reederij; ik voelde dat zoo aan. ”Op 8 December aan boord van de Orange zijn" zoo luidde het telegram dat ik ontving. Ik kan niet vertellen welk een beroering er in mij om ging om te kunnen aannemen dat ik spoedig vrij man zou zijn.

Ik heb nu geen rust meer, zit te wachten en te verlangen, ben niet eerder tevreden dan dat ik aan boord van deze boot zal zijn die me naar Nederland zal voeren. Dan breekt de bewuste dag aan. Ik word opgehaald en kom op tijd aan boord. Vele bekenden zie ik hier aan boord. Ze drukken mij de hand. Het is een hartroerend tafereel voor mij. Ik kan geen woord spreken. Een gedachte dondert steeds in mijn brein. Vrij, vrij, vrij, vrij. Ik zie de kust. Nooit meer van boord denk ik. Er zouden geen 10 soldaten in staat geweest zijn mij nog opnieuw van boord te sleuren. Ik zou gevochten hebben. Dood noch levend, niet meer van boord. Hier ben ik veilig. Hoe lacht het leven hier.

Amsterdam ms Oranje op het IJ

Voor mij de kust, de verschrikking. Ik denk aan het Landbouwkamp, aan de gevangenis in Banjoe-Biroe, dan in het kamp te Bandoeng. Ik denk aan mijn blindheid, dan de zieken, de dooden en aan mijn twee lotgenooten waar ik steeds bij ben geweest en die ik nu achter heb moeten laten, doch ook zij zijn van de slavernij bevrijd in elk geval. Ik denk aan huis aan de familie, aan de vele jaren die verstreken zijn. Hoe zal het daar zijn in ons kleine vaderland. De familie, ik weet het want ze hebben mij het geschreven, is allemaal gezond doch ik geloof het niet, kan het niet gelooven. Maar als van verschillende zijden de brieven komen, weet ik dat ik het moet aannemen dat het zoo is. Mijn gedachten kronkelen en buigen, mijn hoofd doet zeer, ik moet rusten. Van rust komt echter ook niet, van alle kanten wordt mij vele lekkernij gebracht er zijn zooveel bekenden aan boord. Ze vragen en ik spreek maar het gaat niet goed. Ik moet tot mijzelf komen. Nu is het of alle vezels van mijn lichaam in beroering zijn. Een droombeeld voor mij. Vrij, vrij. Nog grooter wordt mijn vreugde als de boot wegstoomt van deze trieste kust die zooveel weemoed over mij gebracht heeft. Nu ben ik tevreden. Op huis af. De melodie der schroef zingt in mijn oor. "Huis toe, huis toe, nog nooit klonk deze zoeter in mijn ooren.

8 December 1945, de dag dat ik Indië verliet met het s.s. Orange. Ik ben afgestompt van de wereld maar nu komt het weer naderbij. Het leven aan boord, ik ken het. Een lang verleden. Het is een ontwaken, langzaam, heel langzaam. Ik zie bekend werk, hoor bekende commando's, ik zie de hutten, de gangboorden, de dekken, ja ik kom naderbij in deze dingen. Ik slaap in een hut. Dat deed ik in 1940 ook toen ik vertrok van Holland. Ja mijn kooi. Deze is iets anders, toch vertrouwd. Ik loop over dek, zie de kapitein, de stuurman, de kok, de hofmeester. Ja zoo was het toen ik vertrok.

Precies eender, ik dacht dat de wereld vreemd geworden was en toch het is nog net eender als in 1940. Ik zie de klinknagels van de boot, hoe vreemd dat een dooie klinknagel je nu kan aanlachen. De matrozen zijn aan het soppen. Het knapt mooi op, alles begint te spreken. Hoe mooi toch de dingen. De nachten volgen de dag op. Soms slaap ik maar dikwijls sta ik in de nacht op, ook de nacht biedt veel moois. Ik zie bekende kusten, hier voer ik ook en het leven geeft meer en komt meer op de oude plaats. Ik kijk naar de log hoeveel mijl we draaien, ik vraag hoeveel mijl nog van hier, hoeveel nog van daar. Port Said komt in zicht. De kust, de haven, de gebouwen, het geeft mij iets terug wat ik dacht nooit meer te zullen vinden, het oude leven, oude herinneringen die wekelijkheid worden. Zoo komen we steeds dichter bij huis. In Port Said koop ik iets voor mijn vrouw en kinderen, dat deed ik voor 1940 ook, en met al deze dingen ontwaak ik uit een oud verleden, dat steeds korter op mij toetreedt. Ik begin reeds aan huis te denken. De Middellandsche zee, Gibraltar steeds meer bekendheid. Biscaye, 't Kanaal, dan IJmuiden, de loods, de pieren, de sluis, o God wat is het mooi. Het kanaal, menschen, Nederlanse menschen, die op Vaderlandsche bodem ons toejuichen. De brug van Velzen. Het gaat als vanouds. De brug draait. Zoo komen we in Amsterdam aan. Nog droom ik. Wat moet een menschenbrein toch veel verwerken. Ik denk en tob, stel me voor. Nog is het vreemd, doch ik ga naar huis. 3 Maart 1940 vertrok ik en 8 Januari 1946 kwam ik bij vrouw en kinderen aan, een weerzien onbeschrijfelijk, wij waren gescheiden geweest en thans allen vereend. God had ons geleid.

Barend Boelens 1899-1979

Barend Boelens (1899-1979)

Tot besluit

Barend kwam met hongeroedeem aan, knapte op en begon zich heel langzaam aan te passen. Er kwamen moeilijke weken voor hem en voor het gezin. Hij zonderde zich veel af praatte weinig en had grote gemoedsaandoeningen. Toen hij weer opgeknapt was ging hij weer varen doch dat had lang geduurd. Thuis waren drie jongens naar Duitsland gemoeten in de oorlog. Piet was het ergste er aan toe en moest rusten. De anderen waren ook veel te kort gekomen. Heel langzaam werd alles weer bij het oude. Dit in het kort al zou er meer over te zeggen zijn.

Met dank aan Joke Visser-Beijaard

Hoe kon ik vermoeden dat dit zoo’n lange scheidingsperiode zou worden. Immers ik voer sinds
jaren voor de "Maatschappij Nederland’ en ging ook nu als reeds zoovele keeren de haven van
Amsterdam uit.
Wij waren gemonsterd op het s.s. Moena voor een reis naar Indië, onze Oost. Het was op de 3e
maart van 1940 toen we vertrokken en voor we de lange reis opgingen moesten we eerst nog
Engeland aandoen. Vreemd was de aankomst in Engeland. Er was zooveel beweging aan de wal
toen we meerden. Meer dan ooit viel het ons op dat er bijzondere belangstelling bestond voor de
lading. De papieren werden nagekeken. Het klopte en toch waren de autoriteiten niet tevreden.
De Moena werd niet vrij gegeven en voor te vertrekken moest van de hoogere autoriteiten
telefonisch bericht worden ontvangen. Veel wisten en begrepen we niet van dit geval. Toch
voldoende om te merken dat het hier over de 247 kisten ging die in het ruim geladen waren in
Holland. Die kisten moesten contrabande
1
bevatten. Toch durfden ze het niet goed aan. Immers
Nederland was niet in oorlog met Engeland, Duitschland wel en de etiketten wezen duidelijk aan
dat deze kisten munitie van de Hembrug2
 
bevatten. Na lang wachten kwam de opdracht de kisten
te lossen. Het moest contrabande zijn. Of dit het was ligt niet aan mijn beoordeeling, maar wel
moet vermeld dat onder die etiketten andere zaten die duidden op Duitsche afkomst3
.

VRIENDEN WORDEN

Word vriend van Amelander Historie! U ontvangt iedere maand onze historiekrant en krijgt een gratis e-book cadeau! 
 
 

Volg Amelander Historie:

Facebook

Twitter

Instagram

Ontvang de digitale Amelander Historie Krant

✔Iedere maand onze verhalen, foto's en boeken per mail ✔ Na bevestiging ontvangt u een e-book over Ameland ✔Afmelden kan altijd en is eenvoudig ✔Het is 100% gratis en u zit nergens aan vast ✔ Ruim 2.000 mensen gingen u voor!