Ameland in de strenge winter van 1947

Dat de winter van 1947 een bijzonder lange winter was, blijkt wel uit de data van de volgende gebeurtenissen. Op 7 januari werd te Hollum op Ameland een schaatswedstrijd voor vrouwen verreden, de winnares was Rimmy Wagenaar uit Nes. Die dag werd de hardrijderij met hindernissen voor heer en dame gewonnen door Jan H. IJnsen en Grietje Brouwer. Een maand later, op 8 februari, organiseerde ijsclub ‘Met Frisschen Moed’ een hardrijderij om het kampioenschap van Ameland. Deze wedstrijd werd verreden op het Hagendoornveld en werd gewonnen door J. Nobel uit Ballum; de prijs bedroeg 40 gulden. Op 12 maart werd nog een wedstrijd met arren verreden op het vliegveld.

 

Door André Staal

 

Het weersverloop

 
 

Voor het waddengebied werd deze winter de strengste van de twintigste eeuw. De eerste twee weken van december ‘46 waren zacht met geregeld regen. Ondertussen bouwde zich boven Rusland een sterk hogedrukgebied op en op 14 december draaide de wind naar de oosthoek en voerde koude continentale lucht aan. Dat leverde tot 25 december al negen ijs- en vijf vorstdagen op. Rond de jaarwisseling dooide het en de eerste dagen van 1947 brachten storingen wat regen en sneeuw. Op 3 januari kwam het waddengebied weer onder invloed van een Russisch Hoog. Dat gaf tot 8 januari vier ijsdagen en drie nachten met strenge vorst. Op 9 januari namen fronten weer bezit van de wadden. Op 22 januari kwam de winter terug door een zich tot Scandinavië uitbreidend Azoren Hoog. 

 

Dit werd het begin van een lange winterse periode. Op 4 en 5 februari viel er sneeuw die door de harde wind begon te stuiven. Op 9 februari werd een barre Elfstedentocht verreden. Het vroor die dag tien graden en er stond een stormachtige oostelijke wind. Op elf en twaalf februari werd noord Nederland getroff en door een sneeuwstorm. Op 20 februari verdween het Scandinavisch Hoog maar een hogedrukgebied boven Groenland hield depressies op afstand. Vanaf het strand gezien was de zee een grote ijsvlakte. Van 28 februari op 1 maart viel er een dik pak sneeuw en een harde noordenwind joeg de sneeuw op tot hoge duinen. Op eerste maartdag ging de wind naar de westhoek maar door het koude zeewater trad er geen dooi in. Op 6 maart strandde een dooiaanval boven het midden van het land. In het zuiden dooide het en er viel daar regen maar in het waddengebied viel een pak sneeuw van zo’n dertig cm. De temperatuur kwam echter op het vriespunt zodat het bovenste laagje sneeuw smolt en daarna in een laagje ijs veranderde. Door dit kwakkelweer lag de postboot aan de steiger in het water. Op 13 maart regende het langdurig bij een temperatuur onder nul. Tot 15 maart bleef het winters met af en toe sneeuwstormen.

 

 

De winter van 1947 in cijfers

 
 
Gegevens station Den Helder Periodes Data
Aantal vorstdagen              79
Aantal ijsdagen                  55
Aantal dagen onder -10º C  20
eerste vorstperiode
eerste dooiperiode
tweede vorstperiode
tweede dooiperiode
derde vorstperiode 
14 december tot 24 december
25 december tot 4 januari
5 januari tot 8 januari
9 januari tot 20 januari 
21 januari tot 16 maart
21 januari tot 16 maart
 

 

De bootverbindingen

 
 

Op 29 december raakte de postboot ‘Waddenzee’ vast in het ijs ter hoogte van Buren. Die dag haalde de ‘Abraham Fock’ nog zo’n dertig passagiers van Zwarte Haan. Op 17 januari voer de postboot naar Holwerd om de daar opgeslagen voorraden te halen. Op 26 januari begon de derde vorstperiode van deze winter. De harde oostenwind verhinderde die dag het vertrek van de pier van Holwerd vanwege de zeer lage waterstand. Op 28 januari vertrok kapitein Hindrik Keijer (1912-1985) met de ‘Waddenzee’ naar Holwerd. Aan boord waren behalve de kapitein ook tien passagiers, een dekknecht en een machinist. Door het ijs en de lage waterstand kwam de boot 300 meter voor de pier vast te zitten. De volgende dag liep de postboot ter hoogte van Buren op een kilometer van de dijk vast in het ijs. Twee passagiers liepen die dag nog over het ijs naar de eilanderdijk. Op zaterdag 8 maart zaten zes stoomschepen noordoost van Ameland vast in het ijs. Ze lagen wel met de steven naar het oosten maar er zat blijkbaar geen vaart in.

 

De Waddenzee vast in het ijs bij Ameland in 1947Veerboot Waddenzee vast in het ijs bij Ameland in 1947

 

Voedsel en brandstof

 
 

Toen op 10 januari het veer al een week stil lag, werd wat de voedselvoorziening betreft de balans opgemaakt. Er bleken voor slechts twee weken voorraden te zijn want de hele wintervoorraad was nog niet aangekomen. Maar de stemming op het eiland leed er niet onder want de Kruiend ijs bij Ameland in 1947tabaksvoorraad was wel al op peil. Maar toen de derde vorstperiode begon, maakte men zich toch wel zorgen. Het beurtschip van de gebroeders Bruin had door de ijsgang averij opgelopen met als gevolg dat er minder veevoer en petroleum was aangevoerd. Op 14 februari maakte de leider van de distributie bekend dat de bakkers nog voor vier weken meel in voorraad hadden. Omdat de winter van geen wijken leek te weten, nam burgemeester R. Walda het initiatief tot het halen van meel. Vanwege dreigende brandstofschaarste werden ook plannen gemaakt om vaten petroleum van Holwerd te halen. Schipper Hendrik Sijbrand Hofker (1896-1981) liep met zijn echtgenote Henderika Edes (1905-2001) vanwege die plannen een verkenning om een veilige route uit te zetten. Maar vanwege mist en sneeuw moesten ze de verkenning afbreken. Daarna maakten schipper Hofker, schipper Anne Olivier (1902-1979) en kapitein Hindrik Keijer (1912-1985) een verkenning op het wad richting Holwerd. 

 

De volgende dag, 20 februari, verzamelden zich om half zeven ’s morgens veertig deelnemers bij de woning van schipper Hofker in Nes. Vandaar ging het met een bus van Reimer Wagenaar richting het wad. Daar sloten de tochtgenoten uit Buren zich bij de groep aan. De Metershoge ijsschotsen op de Waddenzee in 1947 bij Amelandexpeditie stond onder leiding van de schippers Hofker en Olivier. Voor het halen van de balen meel namen ze weideslepen, op Ameland bódden geheten, mee. Voor het transport waren ze voorzien van bandijzer. Op de pier van Holwerd werden deze sleden vol geladen met balen meel en kon de zware overtocht beginnen. Het wad lag namelijk vol schotsen zodat er veel geduwd en getrokken moest worden. Ook het ijs dat tegen de oevers van de geulen lag vormde zware hindernissen. Burgemeester Walda trakteerde na afloop de mannen op een rokertje. Op het Neerlandsreid werd de lading overgeladen op de legertruck van Dries Wagenaar voor verder vervoer over het eiland. Wagenaar reed met zijn truck voor het vervoer van lading over de door de Duitsers aangelegde weg langs de Kooioerderstuifdijk en ter hoogte van paal 19 ging hij door het Neerlandsreid naar het wad. De volgende dag haalden nog eens honderd man tien ton meel naar het eiland. 

Winter Ameland 1947 oversteek Wad

Op 24 februari togen veertig Amelanders in konvooi naar de vaste wal. Deze expeditie, onder leiding van schipper Hendrik S. Hofker, was op touw gezet om petroleum te halen. De Standard APC was daarom met 4000 liter petroleum op de pier. De deelnemers aan de bevoorradingstocht laadden twintig vaten op hun sleden en begonnen aan een zware tocht, de slepers ondervonden veel hinder van de dikke laag sneeuw. Op 25 februari werden 20 vaten diesel gehaald voor de elektriciteitscentrales van Nes en Hollum. Die dag was er ook een konvooi van zo’n 50 eilanders onderweg om veevoer te halen. De Coöperatieve Aankoopfederatie had een voorraad van zes ton veevoeder op de pier klaargezet. 

 

De twaalfjarige Jaap Brouwer, zoon van Piet de Bakker (1899-1984) te Buren, ging met zulke groepen mee naar de overkant. Al in het dorp winterse oversteek over het Wad vanaf Ameland in 1947sloot hij zich bij de overlopers aan. Van zijn moeder, Margretha Molenaar (1904-1994), had hij een kussensloop als rugzak meegekregen. Voor haar zou hij beschuit meenemen van bakker Feringa te Holwerd. Toen Jaap voor de terugtocht op zijn klompen van de pier stapte had hij een sloop vol beschuitrollen. Het werd weer een tocht van lopen, glijden en vallen. Dat vallen werd veroorzaakt door de hellingen in het ijs en de scheef liggende schotsen. Jaap kwam dan ook thuis met een sloop vol paneermeel. De zussen van Jaap, Gerda en Johanna maakten met hun vader ook oversteken om voorraden te halen. Hun nichtje Gerda Metz uit Buren ging dan wel mee.

 

Boer Nicolaas (Klaas) Oud (1892-1964) te Buren ging in die tijd met collega boeren meerdere keren naar de overkant om veevoer te halen. Voor de bód werd dan een paard gespannen. Behalve veevoer namen ze ook meel voor de bakkers mee. Zoon Antoon Oud ging dan mee, hij Winterse oversteek over het Wad naar Ameland in 1947-1kreeg van zijn moeder Catharina Oud-Molenaar (+1956) een kussensloop mee om beschuit mee te nemen naar huis. Er waren toen twee beschuitfabrieken in Holwerd. Tijdens zulke tochten ging men in een groep met zo’n vijf sleden. Tijdens één van die toeren zakte het paard van Beijaard door het ijs. Met behulp van de andere paarden werd het dier weer op het droge geholpen. Op een van die dagen werd een slachtpaard, afgeladen met kippen en konijnen voor de slacht, over het waddenijs naar de vaste wal gebracht. De zuivelfabriek kreeg door het winterse weer te kampen met opslagproblemen voor kaas. De directie besloot daarom elke Amelander een kilo kaas te geven. Maar het Hoofdbedrijfschap voor Zuivelproducten verbood de uitdeling en droeg de directie op naar andere opslagruimte om te zien. 

 

Overige oversteken

 
 

Al op 12 februari kwamen de broers Herman, Jan en Willem Postma uit Ternaard overgelopen naar Ameland. En op 13 februari liepen al grote groepen over het ijs van de Waddenzee. Gestrande toeristen konden op deze manier naar huis. Het betrouwbare ijs bood ook de mogelijkheid om familiebezoeken af te leggen. Zo staken Sietse Appelman en Barend Nagtegaal uit Hollum per fiets over voor familiebezoek in Dokkum. Ook Pieter Schoute (1884-1952) stak voor een bezoek aan zijn dochter te Marrum per fiets over. Toen hij later terug ging, trof hij Afie Kanger en Jan Douwe de Boer (1905-1986) op de pier. Zij kwamen ook uit Hollum en waren overgestoken om met een slee voorraden te halen. Jan was rijwielhersteller aan de Zuiderlaan te Hollum. Ze trokken een slee met daarop pijpen, twee fietsen en nieuwe fietsbanden. Ze werden op het Neerlandsreid opgewacht door Benjamin (Bemen) Johannes Manje (1914-2000). Zijn auto kwam op het Neerlandsreid nog vast te zitten. Met vereende krachten kregen ze de auto weer aan de rit; vuil kwamen ze in Hollum terug.

 

Op 17 februari staken schipper Hendrik S. Hofker van ms. ‘De Onderneming’, schipper Anne Olivier van ms. ‘Friesland’ en herbergier Bertus Winterse oversteek van Holwerd naar Amelandde Boer over naar de vaste wal. Hofker liep over om zijn dochter Geertje en Ymie van den Brink op te halen. De herbergier stak over om Oranje Bitter uit Holwerd te halen. Het gezelschap liep ’s middags terug. Tot de groep teruglopers behoorden ook kapitein H. Keijer van de postboot Waddenzee, Hollumer Job IJnsen en journalist Hans Bakker. De volgende dag kon de geboorte van prinses Marijke worden gevierd. Hotelhouder de Boer kon zijn van over het ijs gehaalde Oranje Bitter uitschenken na de voordracht van een rijmkroniek door dominee Wim de Weerd (1916). Wadloper-dominee D. van Dijk (1921-1976) hield die dag in de Hervormde kerk te Hollum een lezing over Oranje en Ameland. Op 22 februari werd de post per slee overgebracht en die dag staken ook elf Ternaarders over naar Ameland. Voor de oversteek hadden zich een dag eerder wel dertig liefhebbers gemeld maar de meesten bleven die morgen liever in bed liggen. Het was namelijk slecht weer geworden; er stond een vinnig koude noordooster en het sneeuwde. Na eerst verkeerd te zijn gelopen kwamen ze toch veilig op Ameland. Na een maaltijd in hotel Hofker werden ze per bus weer naar het wad gebracht voor de reis terug. Toen twee dagen later het weer veel beter was, ging nogmaals  een groep van twaalf lopers uit Ternaard naar Ameland. Die dag staken ook fietsers over. Zij reden na aankomst ook naar de stuifdijk en vandaar gingen ze op weg naar hotel Hofker. Na een maaltijd bezochten ze het strand en daar zagen ze zo ver het oog reikte enkel ijs. 

 

Na de sneeuwstorm op 12 februari moest dominee Van Dijk voor zijn legerpredikantschap naar Den Haag. Vanwege de dicht- gestoven wegen moest dominee Van Dijk vanaf Hollum lopend over de dijk naar het Neerlandsreid om daar aan de oversteek te beginnen. Eenmaal op het wad werd het groepje door de mist overvallen en moesten ze op het kompas verder.

 

Op 2 maart liep schipper Hendrik S. Hofker een zware retourtocht Ameland-Holwerd om de familieleden Bertus van der Meij en zijn vrouw Maria Catharina Magdalena (Marie) Schols van de vaste wal te halen. Licht dooiweer met regen en sneeuw op 11 maart vernielde het ijs op het wad. De tochten die daarna nog werden gelopen werden barre ondernemingen. Op 13 maart regende het langdurig bij enkele graden vorst en daardoor vormde zich een laagje ijs op de sneeuw. Maar voor overlopers werd het er daardoor niet beter op. Ze zakten door het harde bovenste laagje en kwamen in het zachte ijs en soms in het slik terecht. Op 15 maart liep Hendrik S. Hofker over het ijs naar Holwerd. Vandaar haalde hij burgemeester R. Walda en Theodora van den Brink-Scheltema (1902-1993) van de pier. De terugtocht werd een zware en moeizame onderneming. De drie lopers zakten vaak door het slecht geworden ijs. Als aandenken kreeg Hofker van de burgemeester een asbak met inscriptie cadeau. De asbak was gemaakt van een huls uit de Tweede Wereldoorlog. Meteen na deze oversteek maakte de burgemeester bekend dat het oversteken niet meer was toegestaan.

 

Voor zeelieden met verlof was de stremming van de veerdienst ook uiterst vervelend. Zo kwam zeeman Tjeerd Dirks Metz (1896-1973) op de morgen van de vijftiende maart op de pier terecht. Daar was ook Antoon Kiewied (1928-1986) van de Kooiplaats aanwezig. Antoon was van plan lopend over te steken, de beide mannen besloten om samen naar het eiland te lopen. Het werd een zware tocht. Ze zakten vaak door het dooiende ijs. Ze kwamen op het wad Tjeerds dochter Gerda tegen. Zij was met haar oom Dirk op weg om haar vader af te halen en ze hadden zich verheugd op een rustpauze op de pier. Daar kwam nu niets meer van terecht. Het ijs op de geulen was al zo zwak geworden dat het bij elke stap meegolfde. Daarom staken ze deze geulen op aanraden van Antoon gespreid over. Uitgeput kwamen ze op Ameland aan en thuis hoorden ze dat de burgemeester het oversteken had verboden. Later die dag kwam een groep Amelander militairen uit Leeuwarden in Holwerd aan. Ze wilden lopend over het ijs naar hun eiland en liepen daarom naar de pier. Onderweg sloten enkele mannen en een vrouw uit Buren zich aan bij deze groep soldaten. Twee bewoners van de Kooiplaats zouden de Buremers tegemoet lopen. Intussen was het gaan waaien en sneeuwen. Hoewel Colmer de oversteek afried, stak de groep toch van wal. Maar nog maar net van de pier af zagen ze Colmer op de fiets aankomen. Colmer riep dat hij met de burgemeester had gebeld en dat die het oversteken al had verboden. Maar ondanks dat negatieve loopadvies gingen ze door op de ingeslagen weg. Op het eerste deel van het traject ging het pal tegen de sneeuwjacht in. Na meer dan twee uur zwoegen, troffen ze de twee bewoners van de Kooiplaats die daar wachtten op de overlopers uit Buren. Zij hadden zich gezien het slechte zicht niet te ver het wad op gewaagd. De Buremers gingen mee naar de Kooiplaats. Na nog een zware wandeling over het eiland kwamen de militairen terecht in de bakkerij van Piet Brouwer te Buren. Bij de oven konden ze zich warmen en met  koffie en kantkoek van Margretha Molenaar kwamen ze weer op krachten. Daarna werd gebeld om een bus. Jaap Wagenaar kwam met zijn bus, voorafgegaan door zijn broer Dries met de melkauto die was uitgerust met een sneeuwschuiver. Na een uitbrander te Nes van de burgemeester bracht Wagenaar de militairen naar Ballum en Hollum. Deze groep ijswadlopers bestond ondermeer uit: Doeke Bakker, Piet Appelman, Gribbert de Boer, Jan Nobel, Tin Ridder, Jan Engels en Jan de Jong.

 

Bijzonder vervoer

 
 

Naast de overlast voor de bevoorrading en het voor het plezier oversteken leverde deze winter nog andere problemen op. Op 26 februari overleed Grietje Aalfs-De Groot (1875-1947) te Hollum. Voor haar begrafenis te Groningen werd ze per sleep, getrokken door vier Hollumers, naar de vaste wal gebracht. Jaap e Tiny Metz uit BurenHaar neef Jeppe Gijsbert Brouwer (1900-1977) was aanwezig op deze oversteek. Na de begrafenis ging Jeppe alleen terug naar Ameland; nagestaard door familieleden op de pier. Op 28 februari lag er zo veel sneeuw dat het pad over het ijs niet meer te zien was. Maar voor een gids uit Nes vormde dat geen belemmering om dertig Groninger studenten naar de vaste wal te gidsen. 

Op zondag 9 maart moest de zesjarige Jaap Metz (1940-1982) op advies van de dokter naar het ziekenhuis in Leeuwarden. Reimer Wagenaar zorgde met zijn bus voor dit bijzondere transport naar het wad. Maar door het dikke pak sneeuw bleef de bus al bij de Bureblinkert steken. Negen mannen, onder wie Jaaps vader Jacobus Metz (1896-1978), vervoerden daarvandaan Jaap op een weidesleep naar de overkant. Het werd een zware tocht doordat het ijs door de dikke laag sneeuw zacht was geworden. Met vader Jacobus Metz gingen de volgende mannen mee: Gradus Kienstra, IJs Oud, Dirk Kooiker, de broers Teun en Theo Metz, Rikus Blom, Anne de Jong en Jaap Oud. Zus Tiny ging mee ter begeleiding naar het ziekenhuis. De mannen keerden de volgende dag terug naar het eiland.

 

 

Einde van de winter

 

 

Op 16 maart trok een depressie over de Noordzee naar Denemarken en stak er een zuidwesterstorm op. Toen de wind begon aan te wakkeren, maakte Piet Veerboot Waddenzee bij de Buremer steiger in winter 1947de Jong in zijn boerderij aan de Badweg van Buren zich zorgen over de dijk i.v.m. het kruiende ijs. Met de dijken liep het goed af, maar de postboot ‘Waddenzee’ werd op 17 maart op de buitenberm van de dijk oostelijk van de Buurdersteiger gezet. Het kruiende ijs maakte zo’n herrie dat de mensen in het dorp Nes elkaar maar met moeite konden verstaan. Zes dagen later kwamen manschappen en materiaal per vliegtuig naar het eiland om de boot weer in zee te brengen. Ook schoof het kruiende ijs het kadehuisje van de Nessumer pier af. Op de pier van Holwerd kwam een berg ijs van 250 meter lengte met een hoogte van acht meter te liggen; de kruiende schotsen verwoestten de aanlegsteiger. Op 23 maart begon een dertigtal mannen met het ijsvrij maken van de pier. Met deze klus waren ze een week bezig. Pas op 24 maart kon de barkas ‘Agger’ naar Holwerd om met post en voedsel terug te komen. Diezelfde dag vertrok Anne Olivier met vracht- en passagiersboot ms. ‘Friesland’ naar Harlingen om vandaar voorraden te halen.

 
De Waddenzee vast in het ijs in 1947

 

Strenge winters

 
 

Wat de zwaarte van een winter betreft kan worden uitgegaan van meteorologische gegevens maar ook van de gegevens over de ijsbezetting van het wad. Wat de ijsbezetting betreft beschik ik niet over voldoende gegevens om daar conclusies aan te verbinden. Maar meteorologische gegevens zijn er voldoende voor handen. Wat de duur van de ijswinters betreft spant de winter van 1929 de kroon met 98 dagen. De winter van 1947 volgt met 92 dagen. Waar het gaat om het aantal zeer koude dagen staat de winter van 1947 op de eerste plaats met 47 en de winter van 1929 volgt pas op de vijfde plaats. Met het optellen van de verschillen tussen de normale etmaaltemperatuur en de gemiddelde temperaturen komt de winter van 1947 ook op de eerste plaats. Daarmee werd de winter van 1947 de strengste van de twintigste eeuw.

 

In het verleden leidden strenge winters al gauw tot een isolement van de Waddeneilanden. Door over te steken over het ijs konden toch nog post en voorraden worden gehaald. Maar de huidige veerboten met veel meer motorvermogen verkleinen de kans op vast raken in het ijs enorm. De goede ijsvloer in de winters van 1929 en 1947 boden de mogelijkheid om over te steken. Tijdens latere winters vroor het wad niet mooi dicht, de geulen bleven open en er vormden zich langs de geulen hele barrières van schotsen. Maar het ontstaan van tekorten door een winters isolement is ook niet meer zo groot. Door het gebruik van aardgas en elektriciteit zullen geen brandstoftekorten meer ontstaan. Een groot voordeel wat het in voorraad hebben van levensmiddelen is de betere houdbaarheid. De informatievoorziening zal ook niet meer stagneren door het huidige gebruik en de verbreiding van radio, tv, e-mail en telefoonverbindingen. En dan is er altijd nog de hulpverlening door de lucht. In de winter van 1922 begonnen met kleine vliegtuigjes die nog moesten landen op het strand. Met de huidige toestellen en het vliegveld bij Ballum lijkt er geen vuiltje meer aan de lucht.  

 

Maar nog eens per fiets over het ijs een pak beschuit halen in Holwerd, lijkt mij een wens die op vervulling wacht.  Wie weet.

 

Dit artikel komt uit De Sneuper nr. 108, ledenblad van de Historische Vereniging Noordoost-Friesland, en is met toestemming van de auteur geplaatst.

 

VRIENDEN WORDEN

Word vriend van Amelander Historie! U ontvangt iedere maand onze historiekrant en krijgt een gratis e-book cadeau! 
 
 

Opmerkingen? Mail ons!

Heeft u een vraag, correctie of een reactie? Vul de onderstaande velden in en klik op 'verzenden'.

Volg Amelander Historie:

Facebook

Twitter

Instagram

Ontvang de digitale Amelander Historie Krant

✔Iedere maand onze verhalen, foto's en boeken per mail ✔ Na bevestiging ontvangt u een e-book over Ameland ✔Afmelden kan altijd en is eenvoudig ✔Het is 100% gratis en u zit nergens aan vast ✔ Ruim 2.000 mensen gingen u voor!