Ameland gebukt onder galkoorts

In december 1803 wordt in de Bataafse Republiek alarm geslagen om Ameland: in Nes zouden tachtig mensen zijn bezweken aan de gevreesde Gele Koorts, die daar was uitgebroken na de stranding van een schip uit Malaga. Het eiland wordt geïsoleerd en een medicinae doctor uit Leeuwarden maakt de oversteek om de zaak te onderzoeken. Als hijconcludeert dat het een galkoorts betreft die geen quarantaine behoeft, wordt het isolement na enkele dagen weer opgeheven. In dit artikel een beschrijving van de gebeurtenissen.

 

Thijs Gras 

Ameland bij Friesland

 

Na de stichting van de Bataafse Republiek in 1795, is Ameland – volgens sommigen eindelijk, volgens anderen helaas – officieel deel van Friesland geworden. Met de komst van een nieuw staatsbestel, werd in Nederland een departementenstructuur ingevoerd. Friesland viel eerst samen met Groningen onder het Departement van de Eems, maar vormde1 vanaf 1802 toch een eigen departement. 

Het eiland Ameland aan het begin van de 19e eeuw.

Het eiland Ameland aan het begin van de 19e eeuw. (kaart van P.A. Overduyn uit 1809, foto uit boek van J. Bleeker, origineel volgens mij in Tresoar.)

Op het gebied van de gezondheidszorg vonden in deze periode ingrijpende veranderingen plaats: alle gilden, ook die van de chirurgijns en heelmeesters, en alle ‘collegia medica’, die tot dan toe de opleidingen en het toezicht op de medische beroepsbeoefenaren regelden, werden opgeheven. Hierdoor ontstond chaos. Vandaar dat het Uitvoerend Bewind overging tot het instellen van Departementale Commissies van Geneeskundig Bestuur. Die kregen als opdracht onder meer het controleren van de bevoegdheid van alle medische beroepsbeoefenaren in hun departement, het bepalen van het vestigingsbeleid en advisering in geval van besmettelijke ziekten. Daarnaast speelden ze een belangrijke rol bij het onderwijs en de opleiding van de dokters, heelmeesters, vroedmeesters en vroedvrouwen. 

De commissie voor Friesland werd ingesteld in 1801. Tot voorzitter benoemde het departementaal bestuur de medicinae doctor Julius Vitringa Coulon (1767 – 1843). Deze echte Fries – zijn vader was de geneesheer Aemlius Coulon, zijn moeder Johanna Vitringa – was geboren in Leeuwarden en had deels aan de Universiteit van Franeker en deels aan die van Leiden geneeskunde gestudeerd. In juni 1789 verdedigde hij in Leiden zijn proefschrift. Later die maand werd hij bevorderd tot medicinae doctor, nadat hij aan de Universiteit van Franeker met succes een veertigtal stellingen had verdedigd. Hij keerde terug naar zijn geboortestad, waar hij een drukke praktijk opbouwde en diverse neventaken op zich nam in het kerkelijke, maatschappelijke en geneeskundige leven.  

De medische toestand op Ameland

De Departementale Commissie van Geneeskundig Bestuur probeerde onder leiding van Vitringa Coulon een goed inzicht te krijgen in de stand van medische zaken in Friesland.

n 1804 maakte de Departementale Commissie van Geneeskundig Bestuur een inventarisatie van de medische beroepsbeoefenaren op Ameland.

In 1804 maakte de Departementale Commissie van Geneeskundig Bestuur een inventarisatie van de medische beroepsbeoefenaren op Ameland.

Het gerechte van Ameland gaf te kennen dat bij hun F. Kaatman, Havermans en J.H. Bechstein den Geneeskunde uitoeffenen, dog zonder wettig geexamineerd te zijn, waarop dezelve ord. modo zijn aangeschreven om zich voor den 1sten September bij onzen Praesidentte vervoegen om zig tot t examen aan te geeven.

Bron: Archief Departementale/Provinciale Geneeskundige Commissie, toegang 34-05, inventarisnummer 6, Tresoar.

Hoe stond het ervoor op Ameland? In 1803 werkten op dit Waddeneiland vier heelmeesters, allemaal geboren in Duitsland en allemaal getrouwd met een Amelandse vrouw. In Hollum zat, in elk geval al vanaf 1771, Samuel Haberman (17??-1805). Rond 1801 had zich daar ook de vermoedelijk oud leger-chirurgijn Johan Hendrik Bechstein (1773 – 1808) gevestigd. Hij was getrouwd met Katharina Auffmorth (ca. 1783 – 1843), nicht van de toenmalige rentmeester Willem Auffmorth of Oppenoorth (1749 – 1840), die, zoals we later zullen zien, de hele zaak van de epidemie aan het rollen bracht. In Nes zetelde sinds 1801 Franciscus Kaatman (1776-1817), waarschijnlijk in Amsterdam opgeleid tot scheepschirurgijn, die voor Friesland geen officieel examen had gedaan. Verder zat daar Philip Hendrik Hermans (1743-1803), maar die overleed op 5 november 1803, blijkbaar aan de bewuste koorts. 

Grafsteen van heelmeester Hermans op de begraafplaats van Nes. Hij overleed in november 1803, zeer waarschijnlijk aan de bewuste koorts. De tekst luidt: 1803 den 5 nov:r is Overleden P H Hermans in den Ouderdom van 60 Jaren en Lyt Alhier Begraven.

Grafsteen van heelmeester Hermans op de begraafplaats van Nes. Hij overleed in november 1803, zeer waarschijnlijk aan de bewuste koorts. De tekst luidt: 1803 den 5 nov:r is Overleden P H Hermans in den Ouderdom van 60 Jaren en Lyt Alhier Begraven. Bron: foto Pieter Jan Borsch.

Dat klopt met de mededeling van Cornelis Pieter Sorgdrager (1758-1826), leraar en voorganger van de Doopsgezinde gemeente uit Hollum, die in deze periode een dagboek bijhield. Hij schreef tussen 4 en 7 november 1803: tans Leggen de beide Meesters tot Nes ook Selfs Sijk.

Daarnaast praktiseerden er in deze periode op Ameland drie vroedvrouwen. De langst zittende, namelijk al vanaf 1780, was Bregtje Pyters (ca. 1737 – 1812) van Hollum. In Ballum verbleef de net in augustus 1802 geëxamineerde Helena Otto (1771 – 1826) en in Nes konden barende vrouwen een beroep doen op haar oudere zus, Elisabeth Otto (ca. 1754/55 - 1841). Zij was niet officieel bevoegd, maar had – vast net als Helena – het vak geleerd van haar moeder Elisabeth Otto-Scheffer (ca. 1730 - 1796) die van ca. 1775 – 1780 op Ameland als vroedvrouw werkte.

 De ‘Bellona’ strandt

November 1803 is een stormachtige maand. Bij Ameland vergaan verschillende schepen. Een ervan is het Zweedsch Snaauw-Schip genaamd Barcelona [de werkelijke naam was ‘Bellona’ TG], gevoerd by Kapt. J. Kasten, beladen met Wyn, Rozyn, Potlood en Fruit, gekomen van Malaga.

In de zomer van 1803 heerste in de drukke haven van het Zuid-Spaanse Malaga een zeer besmettelijke ‘rotkoorts’. Men vreesde dat deze koorts door de gestrande ‘Bellona’ naar de Bataafse Republiek was overgebracht. Bron:

In de zomer van 1803 heerste in de drukke haven van het Zuid-Spaanse Malaga een zeer besmettelijke ‘rotkoorts’. Men vreesde dat deze koorts door de gestrande ‘Bellona’naar de Bataafse Republiek was overgebracht.

Net die maand is bekend geworden dat in deze Zuid-Spaanse havenstad een vermoedelijk besmettelijke ‘rotkoorts’ heeft huisgehouden, misschien zelfs wel de beruchte Gele Koorts. Kapitein Jacob Kasten en stuurman Hans Kasten zijn tijdens hun stop in Malaga ziek geworden, maar hebben medicijnen gekregen en toch het ruime sop gekozen. Onderweg naar Gibraltar overlijdt de kapitein en als het schip de haven daar wil aandoen, krijgt het hiervoor geen toestemming. De stuurman besluit daarop door te varen richting het noorden. In de nacht van 19 op 20 november loopt de ‘Bellona’ tijdens een hevige storm ter hoogte van Hollum aan de grond en staat al spoedig vol water. 

De ‘Bellona’ telde zes opvarenden: Jacob Kasten, Hans Kasten (broer van de kapitein en gezien zijn loon waarschijnlijk de stuurman), Hans Beckmann, Elias Ebert, Johan Christian Wallis, Johan Georg Bevernis en Jacob Cornelis. De Kasten’s kregen respectievelijk 5/16 en 4/16 van de opbrengst, Beckman, Ebert en Wallis elk 2/16 en Bevernis en Cornelis 1/16. Hier hun handtekeningen.

De ‘Bellona’ telde zes opvarenden: Jacob Kasten, Hans Kasten (broer van de kapitein en gezien zijn loon waarschijnlijk de stuurman), Hans Beckmann, Elias Ebert, Johan Christian Wallis, Johan Georg Bevernis en Jacob Cornelis. De Kasten’s kregen respectievelijk 5/16 en 4/16 van de opbrengst, Beckman, Ebert en Wallis elk 2/16 en Bevernis en Cornelis 1/16. Hier hun handtekeningen. Bron: Sjöpasshandlingar F II a nr 14-15, Rijksarchief Stockholm.

Zoals bij elke stranding zijn de Amelanders druk bezig met het bergen van de ladingen het schip. Uit de boelcedulen van het Nassause Domeinarchief valt op te maken wat dit allemaal oplevert. Vissers en bergers halen voor duizenden guldens binnen aan citroenen, rozijnen, limoenen, meloenen, druiven en wat wijn. Ook een baal katoen en een kist met diverse kleding en stoffen zoals een partij slaapmutsen, zijde etc., worden in een pakhuis bij Jacobus Kok (1769 – 1817) in Hollum opgeslagen. 

e Amelander vissers hebben een behoorlijk bedrag verdiend met het bergen van de lading, maar ook J. Kok uit Hollum pikte met de opslag ervan zijn graantje mee.

De Amelander vissers hebben een behoorlijk bedrag verdiend met het bergen van de lading, maar ook J. Kok uit Hollum pikte met de opslag ervan zijn graantje mee. Bron: Archief Nassause Domeinraad Ameland, inventarisnummer 1887 (Nationaal Archief, Den Haag).

Verkoop van de lading vindt plaats in de periode 28 november tot 2 december 1803, van de scheepsgoederen (zoals zeilen, touw, ankers etc.) op 30 november 1803 en 12 maart 1804. Ook dat levert een flinke duit op. Hierbij hanteert men de gebruikelijke verdeling van 1/10 voor de Domeinen, 3/10 voor de vissers/bergers en 6/10 voor de eigenaar.

Verder worden natuurlijk ook de schipbreukelingen opgevangen. Rentmeester Willem Oppenoorth, die als strandvonder op Ameland fungeert en in die functie van de schipbreuk verneemt, geeft Reindert de Ruiter (1747? – 1817) uit Hollum opdracht om kleren te leveren voor de bemanning. Reindert geeft daaraan 65 gulden, 11 stuivers en 4 penningen uit, maar de rekening die hij hiervoor in februari 1804 aan Oppenoorth presenteert, wordt maar niet betaald. Hij probeert van oktober 1805 tot maart 1806 via het gerecht zijn gemaakte kostenalsnog vergoed te krijgen.

Tezelfdertijd echter overlijden in Nes tientallen mensen aan koorts. Het bericht hierover komt van diezelfde Oppenoorth, die dit aan de Thesaurier Generaal en Raden van Finantien meldt. Die seinen op hun beurt de president van de Bataafse Republiek in. Ineens worden er verbanden gelegd: zou Ameland niet getroffen kunnen zijn door een dankzij het gestrande schip overgebrachte besmettelijke ziekte, misschien wel de gevreesde koorts die in Malaga heerst en die men nu als Gele Koorts bestempelt?

Op vrijdag 2 december 1803 neemt de President der Bataafse Gemenebest de volgende maatregelen: er mogen geen goederen uit het schip verkocht worden en alle kleren en stoffen die van het schip afkomstig zijn, moeten worden verbrand. Verder bepaalt hij dat alle communicatie met het Eiland Ameland worde belet. De Marine krijgt de opdracht hier ten strengste op toe te zien. Ameland wordt dus compleet geïsoleerd. Een krasse maatregel! Ook de Amelanders worden in kennis gesteld. Ze mogen uit het schip geen goederen meer bergen, moeten de pakhuizen sluiten en de geborgen wol verbranden. 

Diverse Amelanders ondervinden meteen ernstige hinder van deze maatregelen. In zijn dagboek beschrijft Sorgdrager hoe de Amelander Jan Wijbes ten Stergsten was Weggedrongenuit Harlingen, omdat hij van Ameland kwam. Jan Joekes breekt zijn reis naar Amsterdam af, omdat hij hoort dat hij er wegens de quarantainemaatregel toch niet in komt. Nog op 9 december wordt iemand die van Nes naar Friesland wil oversteken weggejaagt. En de lading vinden de Amelanders toch zonde om te laten lopen, dus sluiten ze het ene pakhuis, maar openen ze een ander, namentlijk de Blauwe Schuur vermaning maar de berging is voortgegaan. Van deze vrome plek – het was een mennistenkerkje – hoopten ze dat die zou beschermen tegen eventuele ziekte-ellende.

In Leeuwarden heeft de Departementale Commissie van Geneeskundig Bestuur een paar dagen eerder, op 28 november 1803, besloten dokter Julius Vitringa Coulon die kant opte sturen. Hij laat zijn drukke praktijk voor wat het is en waagt de oversteek naar Ameland om zich persoonlijk van de aard der ziekte op de hoogte te stellen. Aan deeze gevaarlijke taak onttrok hij zich niet. Bezield met de hoope om daar, en misschien het geheele Vaderland, van nut te kunnen zijn, vertrok hij onverwijld derwaards. 

Geen Gele Koorts

Had men hem maar eerder gestuurd: dat had de Amelanders een hoop ellende kunnen besparen! Op 5 december 1803 doet hij mondeling verslag van zijn bevindingen aan het Departementaal Bestuur van Friesland. 

Medicinae doctor Julius Vitringa Coulon die voorzitter was van de Departementale Commissie van Geneeskundig Bestuur, toog begin december 1803 naar Ameland om de situatie met eigen ogen te aanschouwen. Hij maakte de isolatie ongedaan en gaf adviezen aan de plaatselijke heelmeesters hoe te handelen.

Medicinae doctor Julius Vitringa Coulon die voorzitter was van de Departementale Commissie van Geneeskundig Bestuur, toog begin december 1803 naar Ameland om de situatie met eigen ogen te aanschouwen. Hij maakte de isolatie ongedaan en gaf adviezen aan de plaatselijke heelmeesters hoe te handelen. Bron: Historisch Centrum Leeuwarden THAA329.

Vitringa Coulon was niet over een nacht ijs gegaan en sprak met het Amelander gemeentebestuur, chirurgijn Bechstein (een man van uitnemende verkregene kundigheid en oordeel) en de mensen die de zieken hadden verzorgd. Verder, zegt hij: heb ik zelf genoegzaam alle zieken op Nes gevisiteerd en onderzogt.

Ten eerste nuanceert hij de opgegeven getallen. Er zouden tachtig mensen overleden zijn, zo wordt verteld. Dit is ook te vinden bij Sorgdrager. Die schat halverwege november dat er wel al zestig tot zeventig mensen aan onderdoor zijn gegaan. Maar Vitringa Coulon stelt vast dat er van 8 september tot 4 december 38 mensen in Nes zijn overleden: wel veel, maar geen tachtig. 

Ten tweede blijkt Vitringa Coulon dat van een verband tussen de stranding van het schip en de besmettelijke koorts geen sprake kan zijn: de eerste ziektegevallen op Ameland stammen uit september 1803. Dat klopt met mededelingen van Sorgdrager, die in zijn dagboek rond september/oktober 1803 schrijft: In dese dagen Leggen veele Sieken menschentot Nes ook Sterven er veele. En hij voegt eraan toe dat de lijken zich opstapelen, omdat er geen tijd is ze te begraven. 

Gelukkig was het niet de gevreesde Gele Koorts die Ameland teisterde, maar een zinkingsachtige galkoorts. Hier een patiënt met Gele Koorts, illustratie uit het begin van de 19e eeuw.

Gelukkig was het niet de gevreesde Gele Koorts die Ameland teisterde, maar een zinkingsachtige galkoorts. Hier een patiënt met Gele Koorts, illustratie uit het begin van de 19e eeuw. Bron: Pariset, E., Mazet, A., Observations sur la fièvre jaune, faites à Cadix, en 1819. Parijs, 1820. Courtesy of Wikimedia Commons. Creative Commons license CC BY 4.0.Illustrateur: Charles Philibert, Comte de Lasteyrie du Saillant.

Ten derde is de aard van de ziekte totaal anders: de Amelanders lijden aan een zinkingsachtige galkoorts, niet de Gele Koorts. Vitringa Coulon kent de verschijnselen en het feit dat geen van de zieken het zo kenmerkende gele uiterlijk vertoont, sterkt hem hierin. Van Bechstein hoort hij dat in de zomer van 1803 op het hele eiland galkoorts heerste, maar dat die juist in augustus overal was uitgewoed, behalve in Nes, waar het vanaf begin september steeds kwaadaartiger werd. En er zijn meer aanwijzingen: ondanks de dagelijksche Communicatie van Nes met de zo na bij gelegen Dorpen Ballum en Hollum, zijn daar geen ziektegevallen geweest, ook niet in Holwerd. Verder is het schip niet bij Nes,maar meer bij Hollum gestrand. Omdat daar het scheepsvolk is opgevangen en de lading is opgeslagen, had de ziekte eerder daar moeten zijn uitgebroken. 

De conclusie van Vitringa Coulon luidt dat het hier een gewone rot- of galkoorts betreft die wel vaker in den lande voorkomt en geen quarantaine behoeft. Ook weet hij wel wat ertegen gedaan moet worden: vitrioololie of zwavelzuur gieten op keukenzout, dat is vermengd met bruinsteen en bevochtigd met water. De dan vrijkomende dampen verdrijven niet alleen de stank, maar ook de besmettende hoedanigheid der lucht. Die behandeling was toen vers van de pers: Abraham van Stipriaan Luiscius, een oude studievriend van Vitringa Coulon, had net in 1802 een verhandeling hierover van de Franse scheikundige Louis-Bernard Guyton de Morveau vertaald en uitgegeven.

Gelukkig heeft deze aanpak succes en kan de Leeuwarder dokter jaren later met genoegen verzuchten: aangenaam zal mij altijd de nagedachtenis zijn, dat (…) mijne aangewende maatregelen, vooral in de bovengenoemde Epidemien op het Ameland (…), door het OPPERWEZEN gezegend zijn geworden.

 

Ameland weer ‘open’

Eenmaal terug op het vaste land zorgt Vitringa Coulon ervoor dat de isolerende maatregelen snel worden opgeheven. Als het schip besmet was geweest, zou het kwaad voor de rest van het land immers al geschied zijn, want de lading was grotendeels verkocht en mogelijk thans reeds door geheel ons vaderland vervoerd. De maatregel van strikte isolatie is onnodig en te zwaar, helemaal voor Ameland: Waarlijk Burgers! ik ziddere op dit denkbeeld, daar ik overtuigd ben, dat de ingezetenen van ‘t zelve Ameland, van wiens armoedige toestand en gebrek aan levensmiddelen ik ooggetuige geweest ben, zonder de volstrekte noodzakelijkheid, van gebrek en honger spoedig zouden moeten omkomen.

Op 8 december 1803 stuurt het Departementale Bestuur van Friesland een missive rond met de mededeling dat het geene geele koorts maar een zinkingachtige galkoorts betreften dat de correspondentie met het Eiland Ameland kan worden hersteld. Dit bericht verspreidtzich geleidelijk via missiven van het Staatsbewind over de andere betrokken bestuurlijke organen zoals de departementale besturen van Groningen, Holland en de rest van Nederland.Opmerkelijk dat de berichtgeving op Ameland een beetje achterloopt. Sorgdrager noteert: Den 15 a 16 December 1803 kwam hier tijding dat die van Ameland weder vrij over al mogtkomen.

Een van de effecten van deze epidemie is dat alle medicinae doctores en chirurgijns in het departement van Friesland de uitdrukkelijke opdracht krijgen om besmettelijke ziekten onverwijld aan de Commissie van Geneeskundig Bestuur te melden. Voorts worden in mei 1804 de voorschriften voor het begraven van mensen, die aan een besmettelijke ziekte zijn overleden, aangescherpt.

Hoe lang de vrees voor de besmettelijke ziekte nadreunt, blijkt ook uit de brief die de Plaatselijke Commissie van Geneeskundig Toevoorzicht van Amsterdam op 17 december 1803 aan Vitringa Coulon stuurt: ze vraagt hem om informatie over de besmetlijke ziekte van het Eiland Ameland en wel bijzonder van het Dorp de Nes en wat ze het beste kan doen tot voorkoming van het uitbreiden dezer gevreesde besmetting, en ter beteugeling van haare woede. Als antwoord stuurt Vitringa Coulon zijn rapportage van 5 december.

​Van het vervolg op Ameland worden de Friese bestuurders op de hoogte gehouden door Chirurgus Bechstein. Zijn rapportage wordt door strenge vorst enigszins vertraagd, maar eind december 1803 komt zijn rapport binnen, waarin hij gelukkig kan melden dat de ziekte afneemt, vooral dankzij de zeezoutzure berookingen. In de afgelopen drie weken zijn er slechts zeven mensen overleden en als hij bovengenoemd middel in een huis met een zieke toepaste, werd daar niemand meer ziek.

​In Sorgdrager kunnen we lezen dat dit misschien toch een iets te rooskleurig beeld van de situatie is. Eind december zijn er koortsgevallen in Ballum en een paar weken later worden er ook zieken te Hollum gemeld, maar kennelijk is het minder ernstig, want sterfgevallen zijn er nauwelijks.

 

Tot slot

Epidemieën waren in die tijd zeer gevreesd en hoewel het succes van de behandeling suggereerde dat ze effectief was, kunnen we hier met de huidige stand van onze kennis de nodige vraagtekens bij zetten. Men had toen een heel ander beeld van de werking van het lichaam en de invloed van koorts. Ziektekiemen waren nog niet bekend. Het is dus moeilijk te achterhalen wat precies de ziekte geweest is die op Ameland rondwaarde. 

​Isolatie was een soort natuurlijke reactie. Dat doen we nu nog. Het besluit hiertoe was begrijpelijk, maar heeft het de Amelanders een paar dagen flink moeilijk gemaakt. Wel zien we hier mooi hoe plaatselijke medische beroepsbeoefenaren bij lastige medische kwesties zoals een epidemie, ondersteund werden door de departementale commissies van geneeskundig bestuur. Voor Ameland was dat een voordeel van het verlies van zelfstandigheid. De aanpak van Vitringa Coulon was naar de maatstaven van die tijd rationeel. De ziekte was geïdentificeerd en aangepakt, het vaderland was gerustgesteld. En de Amelanders konden weer, ijs en weder dienende, vrijelijk van en op hun eiland. 

Met dank aan Jacob Roep, Pieter Jan en Tineke Borsch, Harry Perton en Frans van Don.

Bronnenverantwoording

Bij het schrijven is geput uit de volgende bronnen: de archieven van de Departementale/Provinciale Geneeskundige Commissie Friesland (toegang 34-05) en het Nedergerecht Ameland 1801-1810 (toegang 13-04, beiden Tresoar, Leeuwarden), het Archief van het Collegium Medicum, Collegium Obstetricum en Plaatselijke Commissie van Geneeskundig Toevoorzicht van Amsterdam (archiefnummer 27, Stadsarchief Amsterdam), het archief van de Nassause Domeinraad Ameland (archiefnummer 1.08.11, Nationaal Archief, Den Haag); het Rechtsarchief Oldambt (toegang 731, Groninger Archieven), kranten op de site van Delpher (AmsterdamscheCourant, Rotterdamsche Courant en Leydse Courant) en dossiers uit het Rijksarchief te Stockholm.

Zij die geïnteresseerd zijn in de exacte bronvermeldingen kunnen contact opnemen met de auteur. 

 

Geraadpleegde literatuur:

 • Eekhoff, W., Schets van het werkzaam leven van Julius Vitringa Coulon. Leeuwarden, 1865 (overdruk uit de Nieuwe Friesche Volksalmanak, 13e jrg (1865) 87-93)

• Fuchs, C.H., De ziekelijke veranderingen der huid, der haren en der nagels (vertaling uit het Duits van W.D.T. van Werkhoven) 3e deel, Leiden, H.W. Hazenberg, 1844.
• Hakman, G.E., De departementale commissie van geneeskundig bestuur in Friesland 1801-1805 In: De Vrije Fries (68e deel, jaarboek 1988) 93-116.
• Maas, W.J., Rappard, M.C., Scheringa, P.B., Sorgdrager, C., et al. (ed.) Memori Boeck. De wereld van Cornelis Pieter Sorgdrager 1779 – 1826.  Hollum, 1983.
• Molhuysen, P.C., Blok, P.J., Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, deel IV 463, 464.
• De Republiek der Vereenigde Nederlanden zinds de Noord-Americaansche onlusten, deel 45, boek 133, Amsterdam, 1810.
• Stipriaan Luiscius, A. van, Verhandeling, over de middelen, om de lucht te zuiveren, de besmetting voor te komen, en derzelver voortgang te stuiten. Leiden, A. en J. Honkoop, 1802.
• Verdediging van Dr. J. Vitringa Coulon, wegens de hem, in qualiteit als President der Provinciale Commissie van Geneeskundig Onderzoek en Toevoorzigt in Vriesland, aangedane aantijging en beschuldiging, in het Algemeen Nieuws en Advertentieblad No 7 van Woensdag den 24 Januarij 1827.
• Vitringa Coulon, J., Leesboek voor ouders, vooral voor moeders, over de opvoeding der kinderen in de kraam-, kinder- en ziekenkamer, en over eenige voorname ziekten en gebreken, tevens dienende ter herinnering voor jonge geneeskundigen ten platten lande, en tot eenen wenk om hunne geneeswijze eenvoudig en onkostbaar in te rigten. Amsterdam, 1841.
 
Dit artikel stond eerder in het blad De Sneuper 132 van de Historische Vereniging Noordoost-Friesland

 

 

Meer van de Ouwe Pôlle: