Een krans van klaprozen

04-05-2014 14:20

In de vroege avond van 7 maart 1943 steeg van de luchtmachtbasis Snaith in Yorkshire Engeland een oorlogsvliegtuig op. Het was een Halifax MKII, nummer DT 567, van het 51ste Squadron RAF, onder commando van P/O A.L. Holmes. De vertrektijd was 18.26 uur, men verwachtte 20.11 uur boven het geplande doel te zijn en om 22.01 weer terug op de basis. Ze zouden echter nooit terugkeren.

 

De opdracht voor commandant Holmes en zijn bemanning was mijnen te leggen in de vijandelijke wateren van de Noordzee boven de Friese Waddeneilanden, met de bedoeling aan Duitse schepen flink wat schade toe te brengen.

Aan het einde van de oorlog hadden vliegtuigen van het RAF Bomber Command in dit gebied 47.307 mijnen gelegd. Hierdoor werden 842 Duitse schepen tot zinken gebracht en bij nog veel meer schepen aanzienlijke schade veroorzaakt.

 

Terugkomende op de missie van commandant Holmes en zijn bemanning, naar men aanneemt is het vliegtuig ontdekt op de radar en heeft het Luftwaffe onderdeel in Leeuwarden het afweergeschut op de eilanden en op patrouillerende boten langs de kust gewaarschuwd.

 

Het eerste nieuws over de bemanning kwam op 4 april 1943. Op Ameland, bij paal 23, spoelde het lichaam aan van Navigator Sgt. J.G. Ramshaw. De vondst werd gedaan door een Duitse soldaat. De Duitse commandant informeerde de plaatselijke Hollandse politie en na identificatie werd het lichaam, dat op het strand was gekist, door Hendrik Nienhuis met paard en wagen naar de Algemene begraafplaats in Nes vervoerd, waar hij op 7 april 1943 met militaire eer werd begraven. Drie andere bemanningsleden, waaronder de commandant, spoelden enkele dagen later aan op Rottumeroog, Sylt en Norderney. Na de oorlog zijn zij herbegraven op militaire kerkhoven. Het lichaam van de radiotelegrafist werd gevonden door een patrouilleboot, 20 mijl benoorden paal 23 op Ameland. Hij kreeg een zeemansgraf. De overige twee bemanningsleden zijn nooit teruggevonden en werden als vermist geregistreerd. 

 

Op de gemeentesecretarie van Ameland, toen nog gevestigd in Nes, werkte destijds sinds 1943 de jonge ambtenaar Bartle Hoekstra. Het vele werk moest worden gedaan door een klein aantal mensen: burgemeester, secretaris en twee ambtenaren. Dat er gedurende de oorlog heel wat  is meegemaakt, is duidelijk. De heer Hoekstra, later tot aan zijn pensionering gemeentesecretaris van Ameland, was een boeiend verteller en  wist zich over die tijd nog veel te herinneren. Zo ook de geschiedenis van Sgt. Ramshaw, aangespoeld en begraven op Ameland.

 

Na de oorlog vormden burgemeester Walda en de heer Hoekstra het plaatselijke comité van de Nederlandse Oorlogsgraven Stichting. Ieder jaar op 11 november werd door dit comité op Ameland de ‘klaprooscollecte’ georganiseerd. De opbrengst van deze (landelijke) collecte was bestemd voor het onderhoud van de oorlogsgraven. Op Ameland werd een deel van dit geld gebruikt om familieleden van de omgekomen strijders het graf van hun geliefden te laten bezoeken. De gemeente Ameland betaalde dan de verblijfskosten. Een aantal families werd zo, vlak na de oorlog, op het eiland ontvangen. De heer Hoekstra herinnerde zich niet alleen Engelsen die naar Ameland kwamen, maar ook  Fransen en een Poolse familie, waarmee men problemen had met de communicatie omdat zij alleen Pools spraken. Het waren ontroerende ontmoetingen.

 

In de loop der tijd verwaterden de contacten, behalve met één familie, de familie Ramshaw. De ouders bezochten in 1948 het graf van hun zoon, later bracht Robert Ramshaw, de enige broer van de omgekomen Sgt. Ramshaw, vele bezoeken aan Ameland. In 1948 legde Bartle Hoekstra voor de eerste keer, namens de familie Ramshaw, een krans op het graf van hun zoon. Een krans van klaprozen.

 

Kranslegging


In 1998 vond de jaarlijkse ‘klaprozen-ceremonie’ voor de vijftigste keer plaats. Bartle Hoekstra beschouwde dit als een eer, na zijn overlijden hebben de kinderen op verzoek van Mr. Robert Ramshaw zijn taak overgenomen.

 

Bovenstaande gegevens zijn ontleend aan ‘Snaith Days 1942-45’door Keith Ford, met dank aan Mr. Robert Ramshaw en aan de verhalen van Bartle Hoekstra, opgetekend door zijn dochter.

©Lia Hoekstra.