Schipper Harmen Dirks Visser (1866-1936)

14-06-2015 08:00

Door Jan de Vries

 

Wanneer in 1924 de 66-jarige Eeuwe Jacobs de Vries, vanwege zijn leeftijd, ontslag indient bij de plaatselijke commissie van de NZHRM wordt door deze commissie Harmen Dirks Visser voorgedragen als zijn opvolger.

Het voorstel ontmoet nogal wat bezwaren bij het hoofdbestuur. Harmen Dirks Visser is immers op dat moment al 56 jaar en het zou betekenen dat na een korte periode opnieuw een nieuwe schipper moet worden gevonden. Bovendien zal hij t.z.t. niet een pensioen als schipper ontvangen omdat je dan minimaal 15 jaar in functie moet zijn geweest. De plaatselijke commissie volhardt echter in het voorstel en zo wordt Harmen Dirks Visser toch aangesteld als schipper van de roeireddingboot te Hollum.

Over het moment dat hij schipper is geworden bestaat niet echt duidelijkheid. Wanneer hij in 1935 zijn ontslag indient wordt als jaar van aanstelling 1922 vermeld. Nu heeft inderdaad de aanstelling van Harmen Dirks Visser lang op zich laten wachten en bekend is dat Eeuwe Jacobs de Vries daardoor langer schipper is geweest dan in de bedoeling lag. De briefwisseling over de aanstelling van Harmen Dirks Visser tussen de plaatselijke commissie, met aan het hoofd burgemeester J.B.W. Bolomeij, en het hoofdbestuur heeft inderdaad enkele jaren in beslag genomen. Maar wellicht was een periode van 13 jaar ook voldoende om aan de schipper alsnog zijn wel verdiende pensioen uit te betalen!

Het wordt voor schipper Harmen Dirks Visser overigens een bewogen periode zoals u later zult zien.

Harmen Dirks Visser wordt geboren op 14 september 1866 in Hollum. Hij is de oudste zoon van Dirk Harmens Visser en Trijntje Douwes Neij. Dirk en Trijntje zijn getrouwd op 3 november 1865.

 

Stamboom Harmen Dirks Visser

Voor degenen die belangstelling hebben voor genealogie volgt hieronder de stamboom van schipper Harmen Dirks Visser:

 

Dirk Harmens Visser is een zoon van Harmen Cornelis Visser (geboren in 1817) en Sjoukje Dirks Visser.  We kunnen nog verder terug want deze Harmen Cornelis Visser is weer een zoon van Cornelis Harmen Visser geboren in 1796 en in 1816 getrouwd met Trijntje Jans RidderCornelis Harmen Visser is een zoon van Harmen Pieters, geboren op 6 oktober 1743 en op 4 juli 1779 getrouwd met Gertje Cornelis (soms met de achternaam Vader vermeldt). We komen dan terecht bij Pyter of Pieter Hiddes getrouwd met Trijntje Johannes Vriessen.

 

Dirk Harmens Visser en Trijntje Douwes Neij krijgen 7 kinderen. Hieronder volgen hun namen:

1. Harmen Dirks Visser geboren op 14 september 1866 en op 10 december 1891 getrouwd met Grietje de Boer, een dochter van Douwe Hendriks de Boer en Antje Cornelis Ruijgh

2. Douwe Visser geboren op 9 december 1868 en op 7 mei 1891 getrouwd met Janke de Boer, een dochter van Jan Willems de Boer en Antje Lourens Sparrius

3. Jacob Visser geboren op 23 januari 1871 en overleden op 8 juni 1872

4. Sjoukje Visser geboren op 19 november 1872 en overleden op 1 augustus 1893

5. Jacob Visser geboren op 27 september 1874 en op 20 augustus 1903 getrouwd met Bregje de Boer, een dochter van Barend Hansen de Boer en Aafke Hansen Barends

 

6. Antje Visser geboren op 11 oktober 1876 en op 26 oktober 1899 getrouwd met Willem de Boer een zoon van Douwe Willems de Boer en Fokje Klazen van der Laag

7. Botte Visser geboren op 25 mei 1879 en op 26 juli 1900 getrouwd met Neeltje de Boer een dochter van eveneens Douwe Willems de Boer en Fokje Klazen van der Laag.

 

Huwelijk Harmen Dirks Visser met Grietje de Boer

Harmen Dirks Visser is 25 jaar oud wanneer hij op 10 december 1891 trouwt met Grietje de Boer die even oud is volgens de huwelijksakte.  Het echtpaar gaat vermoedelijk direct wonen in een wonen aan de Herenweg te Hollum. De woning met boerenschuur stond achter de woning waarin Harmen en Janke de Vries jaren hebben gewoond en dat thans als tweede woning in gebruik is.  In feite was er sprake van een dubbele commandeurswoning waarachter later waarschijnlijk een boerenschuur is gebouwd. In de nacht van 20 op 21 september 1940 liet een Duitse bommenwerper een drietal bommen los. Vermoedelijk werd het toestel achterna gezeten door Engelse jachtvliegtuigen. Zoals we weten had dit fatale gevolgen voor het gezin de Boer aan de Burenlaan. De woning en boerderij werden in dezelfde nacht zwaar beschadigd en later afgebroken. In de Leeuwarder Courant van 23 september 1940 wordt gesproken over een Engels vliegtuig dat 7 bommen boven Hollum liet neerkomen. Gelet echter op gevonden brokstukken mag aangenomen worden dat er sprake is geweest van een Duits toestel. De pers was in deze tijd zeker niet betrouwbaar!

Boerderij van Harmen Visser aan de Herenweg in Hollum

Boerderij van Harmen Visser aan de Herenweg in Hollum

 

Als beroep van Harmen  Dirks Visser wordt vermeld zeeman. In ieder geval neemt Harmen omstreeks 1900 afscheid van het zeemansleven en blijft thuis. Vanaf dat jaar wordt hij als zelfstandig landbouwer aangemerkt. Vanaf 1905 wordt hij ook als vaste roeier van de reddingboot vermeld. Een dubbele woning met aan de voorzijde een uitbouwtje dat nog steeds bestaat en aan de achterzijde een boerderij met de ingang aan de oostzijde. Aardig is hier ook de veel gebruikte “legewân” te zien zoals deze ook toegepast is bij de nieuwe boerderij van het museum.

 

Harmen en Grietje krijgen drie kinderen:

 

1. Dochter Antje is de oudste, ze is geboren op 15 oktober 1892. Ze trouwt op 29 december 1917 met Kees de Vries. Jawel, Kees of Cornelis is een zoon van de bekende Eeuwe Jacob de Vries en Trijntje Nobel.

2. De tweede dochter Trijntje, geboren op 20 november 1894, trouwt op 18 september 1918 met Gribbert Bruin.

3. Zoon Douwe Harmens Visser, geboren 20 maart 1900 trouwt op jonge leeftijd met Sietske Neij. Het huwelijk vindt plaats op 16 oktober 1919. De bruidegom is 19 jaar oud en de bruid 18 jaar.

 

Helaas overlijdt Harmen zijn vrouw Grietje op jonge leeftijd. Ze overlijdt op 24 februari 1910 op de leeftijd van 43 jaar.  

Zoon Douwe Harmen is dus 10 jaar oud wanneer hij zijn moeder verliest.

 

Tweede huwelijk Harmen Dirks Visser met Catharina Helena Gerritsen

Wanneer de kinderen getrouwd zijn vindt Harmen Dirks Visser een nieuwe partner. Het is Catharina Helena Gerritsen.  Zij is vroedvrouw op Ameland en een dochter van commies Cornelis Gerritsen en Hiltje de Boer. Cornelis is afkomstig uit Leeuwarden en Hiltje uit Amsterdam.

Cornelis en Hiltje trouwen op Ameland wanneer ze respectievelijk 31 en 29 jaar oud zijn. Ze krijgen twee dochters aan wie geen “echte” eilander namen worden gegeven. Catharina Helena wordt geboren op 19 maart 1872 en haar zus Johanna Jissina op 14 december 1875. Johanna overlijdt helaas ook op jonge leeftijd. Op 11 februari 1895 overlijdt zij, slechts 19 jaar oud.

 

Harmen Dirks Visser en Catharina Helena  Gerritsen trouwen op 6 januari 1921. Harmen is 54 jaar en Catharina 48 jaar.  Het echtpaar gaat wonen in het huis met nummer 75 in Hollum. Dit moet de woning zijn tegenover “de Hoge Stoep”, waar nu Erik IJnsen woont.

 

Roeier van de reddingboot

Harmen Dirks Visser wordt voor het eerst als roeier van de roeireddingboot genoemd in 1896. Hij is dan 30 jaar.  Die eerste reddingsactie is direct succesvol. Jacob Folkert Visser is de schipper wanneer op 13 januari 1896 het Hamburger tweemaster-stoomschip “Chios” strandt bij Terschelling. Het schip is geladen met stukgoed en onderweg van Hamburg naar Antwerpen. De Hollumer reddingboot haalt 16 mensen van boord. Hij is al 30 jaar actief als roeier wanneer de plaatselijke commissie voorstelt hem tot schipper te benoemen. 

In het boek van Jan Blaak “Het Reddingwezen op Ameland” vinden we op bladzijde 94 een foto van Harmen Dirks Visser. Een tweetal medailles van reddingsacties opgespeld. Er was in ieder geval een onderscheiding van de Zweedse koning bij.

 

Schipper van de reddingboot

In 1924 volgt Harmen Dirks Visser schipper Eeuwe Jacobs de Vries op en wordt hij schipper van de roeireddingboot van het station Hollum. Vanaf 1905 is hij als vaste roeier bij de maatschappij in dienst. Maar al in 1896 ging hij, voorzover ons bekend, als roeier mee in de reddingboot. Omdat hij toen zeeman was zal hij op dat moment thuis zijn geweest. Hierboven staat al vermeld dat bij zijn ontslag gesproken wordt over een benoeming als schipper in 1922.

 

100 jaar N.Z.H.R.M

Op bladzijde 95, van het al eerder genoemde boek, zien we een foto van de roeireddingboot van Nes genomen bij de strandovergang in Nes ter gelegenheid van het 100 jarig bestaan van de NZHRM. Dit werd gevierd in oktober 1824. We zien aan boord George Kienstra als schipper en Harmen Visser van de Hollumer reddingboot. Op de boot staan verder Botte Neij, Dirk Roep, Hessel Kienstra, Jan Wagenaar en Oege Adema.  Alhoewel de benoeming van Harmen D. Visser zou zijn ingegaan in 1925 is hij dus inderdaad al in 1924 actief als schipper.

In verband met het 100-jarig bestaan wordt aan Freerk Dirks Bakker te Hollum vanwege diens vele verdiensten voor het reddingwezen de eremedaille in brons, verbonden aan de orde van Oranje-Nassau, verleend.

 

Koninklijk bezoek

Op 7 en 8 september 1925 vindt het koninklijk bezoek van koningin Wilhelmina, prins Hendrik en prinses Juliana aan Ameland plaats. Op de driesprong in Hollum staat de reddingboot met daarin de bemanning en daarvoor de oud-roeiers opgesteld. Wanneer de koninklijke familie met de auto ter plaats is, ontbiedt de koningin de schipper van de reddingboot. Op de foto kunnen we zien dat Harmen Dirks Visser met de koningin in “gesprek” is. Hij staat naast de auto met het kurken zwemvest om. Op de vraag hoeveel mensen Visser uit zee heeft gered antwoord Harmen Dirks Visser met: “Negentig, majesteit.”

Bemanning van de reddingboot op de driesprong in Hollum in 1925 tijdens koninklijk bezoek

 

De Koningin complimenteert de schipper en wenst hem nog een lang en gelukkig leven toe. Op de achtergrond is ook Jacob Folkert Visser aanwezig, de oud-schipper, die tijdens zijn actieve loopbaan bij de NZHRM 200 mensen het leven heeft gered. Op de foto zien we voor de boot ook Piet van der Laag. Hij is in mei 1925 de eerste “walbaas” geworden. De Leeuwarder Courant bericht in die dagen uitvoerig over het koninklijk bezoek aan ons eiland.

 

“De Malmö”

Op 17 november 1928 strandt omstreeks 22.00 uur het Zweedse stoomschip “Malmö” bij Nes. Het schip is geladen met hout op weg van Finland naar Frankrijk. Gedurende de gehele nacht worden noodsignalen met de stoomfluit en lichtfakkels gegeven. De kuswacht alarmeert daarop  de reddingboot van Nes.

De paarden zwerven echter nog rond in de “vrijgang” en omdat het donker is duurt het enige tijd voordat de reddingboot van Nes naar het strand kan vertrekken. Wanneer de boot met veel moeite in dieper water is gebracht raakt deze vol water. Hendrik Hofker wordt uit de boot geslagen maar zijn makkers weten hem in de kraag te pakken. De reddingboot slaagt er niet in het gestrande schip te bereiken en omstreeks vijf uur ’s morgens staat de reddingboot met een druipnatte bemanning weer op het strand.

Inmiddels is ook de te Oostmahorn gestationeerde “Insulinde” met schipper Mees Toxopeus gealarmeerd en zet deze moderne reddingboot koers naar Ameland.

Intussen hebben elf opvarenden van de “Malmö” geprobeerd met een eigen sloep het strand te bereiken. Bij deze poging verdrinken drie bemanningsleden. De overigen bereiken de vaste wal en worden naar Hotel de Boer (nu Hotel de Jong) in Nes gebracht.

Nog altijd zijn er echter 6 bemanningsleden aan boord. Omstreeks kwart voor acht is de reddingboot van Nes weer in gereedheid gebracht. Inmiddels zijn er roeiers uit Hollum gekomen omdat een deel van de roeiers niet een tweede tocht wil maken. Het weer is echter bijzonder slecht en opnieuw slaagt men er niet in bij het schip te komen. Om 11.00 uur keert de boot naar het strand terug. Inmiddels is ook de “Insulinde”gearriveerd. Ook deze boot heeft moeite om het schip in de zware branding te bereiken. Op een bepaald moment verdwijnt zelfs de bakboordlantaarn geheel onder water. Een bemanningslid van de “Insulinde”, de van Ameland afkomstige H. Jongsma, drijft door de overkomende golven buiten het hekwerk van de boot. Slechts met grote inspanning kan hij zich vasthouden en ziet de bemanning kans hem weer binnen boord te krijgen. Bij de vijfde poging het schip te bereiken lukt het Toxopeus om langszij het gestrande schip te komen en de 6 bemanningsleden aan boord te nemen.

 

Wanneer je later het schip ziet vraag je je af in hoeverre de bemanning niet beter aan bood had kunnen blijven want wanneer het weer opknapt gaat de kapitein met een deel van de bemanning en een aantal bergers aan boord. Er zullen pogingen worden ondernomen het schip of lading te bergen. Wanneer echter het weer verslechtert komt het schip steeds hoger op het strand te zitten en op 24 november wordt de bemanning door de reddingboot van Nes definitief van boord gehaald. Er raast een zware novemberstorm langs onze kust. Schipper is dan Harmen Dirks Visser.  Roeiers zijn Sybrand Hofker, Botte Neij, D. Roep, P. IJnsen, L. Kanger, J. de Vries, Tj. De Vries, H. Kienstra, J. Wagenaar en J. van der Noord. We zien dus dat de boot voor een belangrijk deel al bezet is met roeiers uit Hollum.

Uit de regionale pers kunnen we nog vernemen dat in eerste instantie de “Brandaris” van Terschelling is gevraagd deze klus te klaren. Vanwege de woeste zee en de positie van het schip is de “Malmö”niet bereikbaar voor de “Brandaris”.  Na verwoede pogingen moet vanwege de te grote diepgang de “Brandaris”haar pogingen staken. Als daarop de reddingboot naar Terschelling terugkeert komt de roeireddingboot van Nes met schipper Harmen Visser in actie. De eerste pogingen mislukken, maar wanneer de mannen van droge kleding zijn voorzien wordt een nieuwe poging ondernomen. Alleen de brug van het schip steekt nog boven de zware branding uit. Nu lukt het om de totaal verkleumde schipbreukelingen te redden. Behalve kapitein Ingemanson en twee officieren, zijn er ook 5 Terschellingers en 4 Amelanders als bergers aan boord. De Amelanders waren J. Beijaard, L. de Boer, D. Tieman en L. Postma.

Twee van de omgekomen zeelieden zijn tijdens de stranding op Ameland begraven. Het wrak van de “Malmö” blijft nog jarenlang zichtbaar. Naar ik me meen te herinneren heb ik in de jaren zestig nog een deel van het wrak op het strand gezien. Het was toen extreem laag water.

 

De “Tartar”

Tien dagen na de stranding van de “Malmö” , strandt op 26 november 1928 tijdens een bijzonder zware storm bij Ballum ’s morgens om 06.00 uur het Noorse stoomschip “Tartar”. Het schip is afkomstig van Oslo en eveneens beladen met hout. De reddingboot van Hollum bereikt met veel moeite omstreeks 09.00 uur het schip. Het schip lijkt echter geheel te zijn verlaten. Op het geschreeuw van de bemanning van de reddingboot komt tenminste geen reactie. Harmen Dirks Viser besluit terug te keren naar het strand. De plaatselijke commissie neemt hiermee geen genoegen. Is het wel zeker dat er niemand aan boord is? De reddingboot wordt nogmaals de kokende zee ingestuurd met de opdracht aan boord van het gestrande schip te gaan. Na een zware tocht gaan enkele redders aan boord en komen tot de conclusie dat er inderdaad  niemand meer aan boord is. De lamp in de kombuis brandt nog en op het fornuis staat een pannen met soep en pruimen. Hierna keert de boot naar het strand terug. Over de werkelijke situatie komt later pas duidelijkheid.

Tijdens de zeer zware novemberstorm blijkt het van beton gebouwde schip niet bestand tegen het golfgeweld.  Deze betonnen schepen werden in Noorwegen na de eerste Wereldoorlog bij wijze van proef gebouwd. Het schip is zinkend maar de stoomtrawler IJM12 “Johanna” uit IJmuiden is in de nabijheid. Door olie op de golven te storten wordt het de bemanning van de “Tartar” mogelijk gemaakt een sloep te water te laten en aan boord van de “Johanna” te gaan. Na enkele dagen breekt het schip maar de stalen constructie en het betonstaal blijven intact. De lading hout in het schip blijkt door de constructie van het schip onbereikbaar te zijn.

Er zijn tal van pogingen ondernomen maar zelfs het gebruik van dynamiet hielp niet. De deklast spoelt wel op het eiland aan en zo wordt op last van de strandvonder dit hout naar Nes getransporteerd vanwaar het hout naar de wal is vervoerd.

 

Schipper van de reddingboten te Hollum en Nes en het afscheid van de K.N.Z.H.R.M

In 1931 wordt G. Kienstra belast met de leiding over het lijnwerp- en wippertoestel en wordt Harmen Dirks Visser ook aangesteld als schipper van de  reddingboot van het station Nes. 

Doordat er in Nes te weinig roeiers zijn worden de bemanningen min of meer samengevoegd. Er ontstaat zelfs wrijving tussen de plaatselijke commissie en de roeiers waarna een aantal roeiers bedankt voor de eer. De heer H.Th. de Booy, secretaris van de reddingmaatschappij, komt naar het eiland om te bemiddelen. De meeste roeiers komen terug op hun besluit maar een tweetal blijft bij het besluit en wordt opgevolgd door nieuwe krachten.

Tijdens de bezoeken van secretaris de Booy van de NZHRM wordt regelmatig gesproken over de onvrede van de Hollumer roeiers en de plaatselijke commissie. Maar vaak blijkt immers de concurrentie van de “Insulinde” en de “Brandaris” te groot te zijn en moeten de roeiers toezien hoe mensen worden gered door deze schepen terwijl zij met grote inspanning en moeite ook op weg zijn naar een gestrand schip of zelfs erbij zijn zoals tijdens de bijzonder zware tocht naar het motiorschip  “De Baltic” op 7 september 1936.

Deze gesprekken leiden ertoe dat in 1937 de motorstrandreddingboot “Abraham Fock” op het station Hollum wordt geplaatst. Hiertoe wordt ook het boothuis verbouwd tot het boothuis zoals wij het in de huidige vorm kennen. In de gevel van het boothuis vinden we een gedenksteen met de namen van de leden van de plaatselijke commissie.

In 1947 wordt uiteindelijk het station Nes opgeheven en de nog in gebruik zijnde roeireddingboot verkocht aan de zeevaartschool te Amsterdam.

 

Dan heeft echter Harmen Dirks Visser al ontslag genomen als schipper. Op 1 april 1935, een week na het overlijden van de 100-jarige oud-roeier Jacob Eeuwe (Jaap) de Vries, neemt hij afscheid na ruim 38 jaar deel te hebben uitgemaakt van de bemanning van de reddingboot.

De boot maakt die dag een oefentocht en wordt vergezeld op zee door zowel “de Brandaris” als de “Insulinde”. Ook de bestuursleden de Booy en Tegelberg van de reddingmaatschappij zijn hierbij aanwezig. Na de oefentocht wordt Harmen Visser in zijn woning gehuldigd. Hij wordt opgevolgd door Botte Neij.

 

Arend Nagtegaal en Grietje Visser

Het bovenstaande is opgetekend met een belkangrijk bijdrage van een kleindochter van Harmen Dirks Visser. Deze kleindochter is Grietje Nagtegaal-Visser. Zij is inmiddels 95  jaar en woont in een aanleunwoning bij De Stelp. Grietje is een dochter van Douwe Harmen Visser, de enige zoon van Harmen Dirks Visser. Douwe Harmen Visser trouwt met Sietske Neij. Zij is een dochter van Douwe Neij en Engeltje Bruin.  Het echtpaar krijgt vier kinderen: Grietje, Joekje, Harmen en Douwe Harmen.

 

Douwe Harmen Visser is zeeman. Ook hij is nog een enkele maal actief als roeier in de reddingboot. Het lijkt wel of de geschiedenis zich herhaalt. Verloor Douwe zijn moeder toen hij 10 jaar oud was nu zijn het zijn eigen kinderen die jong hun moeder zullen verliezen. Na een langdurig verblijf vanaf juni 1930 in het ziekenhuis overlijdt Sietkse, 29 jaar oud,  op 8 december 1930 te Leeuwarden.  Grietje, de oudste dochter is dan ook 10 jaar! Douwe komt 3 dagen nadat zijn vrouw is begraven van zee thuis. Het jonge gezin trekt in bij opoe Neij. Dit is dus Engeltje Neij-Bruin, geboren op 18 januari 1866 en overleden op 6 juni 1949. Haar man Douwe Neij is geboren op 29 december 1866 en is overleden op 1 maart 1924. Opoe Neij woont in het huis dat direct ten zuiden van de Hervormde Kerk staat. De kinderen worden door opoe Neij grootgebracht.

Douwe zoekt later werk op het eiland maar het is in deze jaren erg moeilijk om aan de slag te komen. Zo werkt hij als melker bij een boer in Duitsland wanneer de oorlog uitbreekt. Douwe heeft ook nog dienst gedaan op de tram in Duitsland. Wanneer hij op een keer van Ameland terugkeert naar Duitsland wordt smokkelwaar bij hem gevonden en komt hij in één van de beruchte kampen terecht. Na de oorlog komt hij sterk vermagerd en ziek thuis.  

Douwe trouwt later met Kaatje Faber, meestal Kitty genoemd. Zij is afkomstig van Aduard in Groningen.  Ze gaan wonen aan het Vermaningspad in Nes, in de woning van de “freule”. Douwe ligt naast zijn vrouw Sietske aan de zuidkant van de kerk begraven. Direct naast Opa en Opoe Douwe en Engeltje.

 

Dochter Grietje trouwt op 23 december 1940 met Arend Nagtegaal. Arend is een zoon van Barend Nagtegaal en Janke Barf.  Ze gaan wonen in de boerderij van Botte Neij en Antje Ridder aan de Oosterlaan. Huis en boerderij zijn recent afgebroken. De vader van Antje heeft deze boerderij indertijd gebouwd.  Botte Neij is een oom van Grietje. Arend wordt al op jonge leeftijd voerman bij de reddingboot. We vinden hem al op de foto welke is genomen tijdens de viering van het 110 jarig bestaan van het reddingwezen in 1934.  Ik herinner hem, zoals velen van u, nog altijd als voerman van de materiaalwagen. Wanneer hij vertrok voor oefeningen of acties met de reddingboot stapten mij beide ooms, Jan en Leen Visser, bij hem op de wagen en reden zo naar het boothuis.

Hij is 52 jaar als voerman in dienst geweest bij de Reddingsmaatschappij. Eerst liepen zijn paarden voor de boot maar wanneer hij in 1950 last krijgt van een hernia komen zijn paarden voor de materiaalwagen. 

 

Interessant? Met 1 klik blijft u op de hoogte van de rijke Amelander historie: 

VRIENDEN WORDEN

Word vriend van Amelander Historie! U ontvangt iedere maand onze historiekrant en krijgt een gratis e-book cadeau!