Johannes Hermanus Haverschmidt en zijn tocht naar Ameland

21-01-2017 17:45

Johannes Hermanus Haverschmidt werd geboren op 5 april 1830 te Dokkum. Voor zijn opleiding bezocht Johannes de zeevaartschool op Ameland. In de winter van 1850 reisde hij met de Amelander pastoor J. H. M. Westers over het dichtgevroren wad naar Ameland. Tot het gezelschap overlopers behoorde ook zijn broer Cornelis en de Dokkumer Nicolaas van der Werff. De oversteek werd drie dagen lang steeds uitgesteld vanwege invallende dooi en de daarmee gepaard gaande dichte mist.

 

Pas op zaterdag 26 januari trok de mist op en werd besloten de oversteek te maken. ’s Middags om een uur, één uur voor laagwater, werd bij Holwerd van wal gestoken. Toen ze nog maar een klein half uur van Ameland verwijderd waren stak een sneeuwjacht op. Ze moesten toen op het kompas verder. Over het slechter wordende ijs moesten ze naar betere oversteekplekken zoeken. Tijdens dit zoeken en dwalen ontdekten ze dat het water weer begon te stijgen. Ze besloten daarom op een grote schots het volgende laagwater af te wachten.  ’s Avonds rond hoogwater werd het zicht weer goed en via peilingen op Nes en Buren bleken ze op de goede plaats te zitten. De eb trad weer in maar tot hun grote schrik zagen ze ineens Nes ten oosten van zich. Het ijs was gescheurd en ze dreven westwaarts! Die nacht voorkwam de vloed dat ze via het Borndiep de Noordzee opdreven. Wel brak hun grote schots door de brandinggolven in vier stukken. Ze hoopten met het binnenkomende water weer naar het Amelander wantij te drijven. Maar toen het licht werd ontdekten ze tot hun grote schrik dat ze richting Harlingen dreven. Hier stapten ze over op een grotere ijsschots. Een poos later liep de schots aan de grond. Die zondagmorgen besloten ze de vastgelopen schots te verlaten om Terschelling te bereiken. Al na een half uur moesten ze terug omdat de geulen te diep waren. Een tweede poging om de vaste wal te bereiken leed ook schipbreuk. Terug bij de ijsschots zochten ze mossels op het wad om hun honger te stillen.

 

Op het wad

 

De hele zondag en maandag bleef de schots op het Terschellinger wad vastzitten. Wel stak een stormachtige wind op en konden ze zich moeilijk staande houden. Enorme sneeuwbuien en barre koude teisterden het armzalige viertal. Die maandagavond kwam hun schots vlot en begon westwaarts te drijven. Met de ebstroom dreven ze later weer oostwaarts. Door wind en stroming kwamen ze zo weer in het Borndiep terecht. In het zeegat brak de schots in drie stukken. Door de vloed en de zuidwesten wind liep die nacht de schots vast tegen een veld opeengepakt drijfijs. Dat ijsveld bevond zich tegen het weststrand van Ameland. Het was toen dinsdagmorgen vijf uur en de maan stond helder aan de hemel. Na een tocht over enkele honderden meters ijsschotsen bereikten ze het veilige strand. Daar drukten ze elkaar onder een “God zij geloofd voor deze redding” de hand. Na een wandeling van drie kwartier kwamen ze in Hollum waar ze werden opgevangen en verpleegd. Johannes verloor alle tenen en een deel van beide voeten.

 

Over de avontuurlijke tocht werd veel gesproken en geschreven. Kermiszanger Albert Bakker uit Ljouwert wijdde er een lied aan. Het eerste couplet van dat lied besluit dit deel van het relaas.

 

                        Leent, vrienden, mij het oor,

                        Wanneer ik U zal zingen

Hoe Amelands Pastoor

Met nog drie jongelingen

Gespaard zijn in het leven,

Gered zijn in den nood,

Hoe ze op een ijsschots dreven

Totdat God hulpe bood.

 

 

Pastoor Westers

 

Pastoor Westers was sinds 1842 pastoor op Ameland. Wellicht als enige was de pastoor in die jaren als wadloper actief op het wad onder Ameland. Hij Pastoor Westers uit Jouremaakte ook oversteken en wadlooptechnisch gezien hoefde een oversteek over het bevroren wad dan ook geen probleem te zijn. In 1852 vertrok de pastoor naar Woudsend en zes jaar later werd hij overgeplaatst naar Joure. Daar verwisselde hij in 1881 het tijdelijke voor het eeuwige.

 

Op de afbeelding rechts zien we pastoor Westers. Hij is van de hand van dr. Wibrandus Joannes Koppius (1859-1945). Koppius was arts van professie. Op latere leeftijd bezocht hij de kunstacademie in Groningen en daarna te Amsterdam. Zijn schilderijen illustreren zijn vakmanschap. Het hier afgebeelde werk plaatste hij bij een artikel van zijn hand dat hij publiceerde onder de titel : “De pastoor van de Joure”. Dat artikel werd in 1932 gepubliceerd in Eigen Haard.

 

 

Cornelis Haverschmidt

 

Cornelis Haverschmidt werd geboren op 16 augustus 1833 te Dokkum. In 1849 bezocht hij ook de zeevaartschool in Nes. In de registratie van de Nationale Militie staat vermeld dat hij “een ongemak aan de voet” heeft. Waarschijnlijk een gevolg van bevriezing opgedaan tijdens de roemrucht tocht. In 1861 verliet hij Dokkum. Hij trouwde in 1864 te Workum met Antje Sines Visser. Hij overleed in 1874 te Workum.

 

 

Nicolaas van der Werff

 

Nicolaas van der Werff werd  op 3 maart 1833 geboren te Dokkum als zoon van Isaäc Hendriks van der Werff en Jantje Jans Cousijn. Vader Isaäc was deurwaarder bij het kantongerecht te Dokkum. Over Nicolaas van der Werff ging na de roemruchte tocht al gauw het verhaal dat hij aan de gevolgen van de ontberingen was overleden. Maar in 1851 was hij nog zeeman en in 1853 legde hij met goed gevolg het examen voor Eerste stuurman af aan de zeevaartschool te Nes op Ameland. Drie jaar later trouwde hij te Dokkum met Dirkje Sinia. In 1877 was hij nog actief op de Amsterdamse Beurs. Hij overleed op 5 mei 1888 te Genheuth Mechelen (België).

 

Met dank aan André Staal

 

>>> Zie ook 'Angstige dagen op het wad in 1850

 

VRIENDEN WORDEN

Word vriend van Amelander Historie! U ontvangt iedere maand onze historiekrant en krijgt een gratis e-book cadeau!