De oude kerk in het ‘Bosch bij Balm’ (1)

12-01-2013 22:08

Op de begraafplaats van Ballum heeft eeuwenlang een kerkje gestaan, dit kerkje gebouwd omstreeks 1400 is voor 1838 afgebroken. Wat ons hiervan is overgebleven is het beschrijven zeker waard.

Het kerkje heeft een lengte van 19.91 meter en een breedte van 8.30 meter. De dikte van de langsmuren bedraagt 54 cm terwijl de westelijke topgevel een dikte heeft van 67 cm.De fundering, bestaande uit zware kloostermoppen bevindt zich nog in de bodem van de begraafplaats maar dat niet alleen…         

 

Uit de archieven:

Ritscke Jelmera noemde het kerkje al in zijn testament, opgemaakt op 17 januari 1450 te weten;

 

‘- Item zoe wil hy hebben dat zijn erffnamen zullen wijen Laten die Capelle In de gode…ende sunte Barbara ende vort an wil hy  dat zij zullen holden tot desse voorscreuen Capelle en …steedigen preester..-‘

 

Dus de nakomelingen van Ritscke moesten de kerk laten wijden aan de heilige Barbara en er moest op kosten van de Heer van Ameland een permanente priester worden aangesteld.

In ditzelfde testament gaf Ritscke aan dat Sinte Magnus, zijn patroon – in de Magnuskerk van Hollum (thans hervormde kerk) 4 schilden krijgt, letterlijk luidt dit fragment:

          ‘- Item zoe wil Ritschen buken sinte Magnus zyn patroen ‘hir’ter kercken iijj schilden –‘ 

(Zie ook het artikel  ‘De kansel van Ballum’ met betrekking tot de kerk van Harlingen).

Plattegrond van de oude kerk van Ballum.

 

            ‘-  Een kleine doch nette kerk zonder toren staande in het Bosch bij het Kasteel-‘

Zo staat het beschreven in de ‘Tegenwoordige Staat van Friesland’ van 1786. Hier wordt gesproken over een kerk zonder toren terwijl Albert Haeyen in zijn ‘Amstelredamsche zeecaerten’ uit 1583 de kerk beschreef als een hoge vierkante kerk mét een klein torentje. Het een hoeft het ander niet uit te sluiten, want op het dak van de kerk kan een torentje hebben gestaan. Een grote apart aangebouwde toren zal dit kleine kerkje niet gehad hebben. De beschrijving van de kerk in de ‘Tegenwoordige Staat van Friesland’ waarvan de tekst is opgetekend van Ds Burger, predikant op Ameland van 1772 – 1786. Zijne eerwaarde heeft de kerk én het Slot met eigen ogen aanschouwd en zal zijn predikbeurten ook in deze kerk hebben gehouden.

‘- Dit gebouw is gesticht van oude Friesche steen en heeft, waarschijnlijk, tot eene kapel van de Landsheer gediend. In deeze kapel, die voor korte jaaren zeer fraai is verbouwd, vindt men de grafkelder van de oude heeren van Ameland: ook zag men ‘er, voor de verbouwing, eenige oude vaandels en een groot zwaard dat thans op t‘kasteel te zien is, en gemeenlijk voor het zwaard van grooten Pier wordt gehouden-‘

 

Zoals vermeld heeft Ritscke Jelmera in zijn testament van 17 januari 1450 bepaald dat de kerk gewijd moest worden aan St. Barbara. Uit het testament van Doed Dekema, de vrouw van Hayo (Hantya) Heringha,   opgemaakt 13 juli 1485 in tegenwoordigheid van Heer Pieter en haar biechtvaders, dit testament begint als volgt:

In den namma Godis amen Item dit is saligha Doed Hantya lyaefs leste willa ende testament dier hijo op het lest bygerret haet van Hantya tho folbringhen in teghenwirdicheits  her Pietes her byriuchter ende bijchtfaers ende folle oer lyoden bede wijf ende mannen alhoe wol dat hijo (wa)es cranck van licham nochtans soe waes hyo sterk ende wijs van sennen in manieren is hiir nei volghet- ‘

 

verder noemt zij als eerste de kerk van Sint Barbera:

‘-Item her leijgher stoed haet hyo bygerret by sinte Barbera--‘   

 

Toen was de kerk dus gewijd zoals Ritscke Jelmera had bepaald en zal er ook permanent een priester beschikbaar zijn geweest want dit had Ritscke immers eveneens bepaald.

Nadat de kerk gewijd was, zal er ook ‘begrafenisrecht’ gelden. Toch zal het nog honderd jaar duren voordat de eerste Heer van Ameland in de kerk werd bijgezet. We lezen eerst de laatste wil van Wytzo van Cammingha (1492-1552) vastgesteld op 24 oktober 1541, een uitgebreid testament met daarin de wens hoe te handelen na zijn overlijden:

‘- In den eersten bevele ick Godt almachtigh myn edele ziele ende der aarde myn lichaem ende begere myn legersteedt op Amlandt toe Hollum by myn zalige moeder Fouwel van Cammingha ende is ’t dat ick sterve binnen Vrieslandt, ende man myn lichaem overmits onweder niet op Amlandt soude moegen bringen, soe begere ik in sulcker gevall te rusten toe Sincte Catharina binnen Leeuraden by myn susters ende broeders ende ick geue ende bespreke de voorscreven kerke toe Hollum op Amlandt eeuwiglyck ende erfflyck een stucke landts gelegen op ’t noordt van de voorscreven kercke, aan de kerckemuire, dat ik gcoft hebbe van eender Mesou; ende Sincte Catharina kerke binnen Leeuwarden, die welke van Kamminga geslacht gefundeerd is,-‘

 

In zijn ‘laatste wil’ geeft Wytzo van Cammingha dus aan bij de kerk in Hollum begraven te willen worden waar ook zijn moeder, Fouwel van Cammingha de huisvrouw van Pieter I van Cammingha, begraven is. Mocht dit niet mogelijk zijn doordat Wytzo in Friesland sterft, en hij niet naar Ameland kan worden overgebracht, dan wil hij worden begraven bij zijn broeders bij de Catharinakerk in Leeuwarden.

 

Maar in tegenstelling tot zijn wensen, is Wytzo de eerste Van Cammingha die in de kerk van Sinte Barbara te Ballum begraven wordt. Wytzo overleed (ongehuwd) op 10 oktober 1552 en er werd voor hem een monumentale grafsteen gemaakt en in de kerk geplaatst. Nadat de kerk van Ballum tussen 1450 en 1485 was ingewijd, duurde het tot 1552 voordat er in deze kerk begraven werd. Dit was rond het begin van de Reformatie wat een een roerige tijd is geweest. Door de Staten van Friesland werd op 31 maart 1580 besloten de Rooms-Katholieke eredienst af te schaffen. Dit hield in dat rooms-katholieken niet meer hun geloof openbaar mochten belijden. 

 

De kerk is door Wytze II van Cammingha geheel opgeknapt. Dit laat hij niet onvermeld in zijn testament van 14 november 1640:

‘- alsmede ten respecte van de sware costen in t’appaiseren der onderdanen, gelijk mede in ’t vercrijgen der neutraliteit geschiet, merckelijcke grote reparatiën ende meliorateien van scure, den hovinge ende plantagie, sampt opbouwinge van de kercke ende andere timmeragien ende aanleggingen van nieuwe tuinen ende hovingen gevallen, alle te samen mede uyt baar E. goederen, opcomsten propynen ende andere profyten gedaen ende gedrage-‘.

 

De tekst - geschreven door Ds Burger in 1786 - is hier reeds vermeld. Zo schrijft hij dat de kerk enige jaren eerder zeer fraai is verbouwd. Het is in 1773 dat de kerk in slechte staat van onderhoud verkeerd; de zolder was in slechte staat en er stond aan de zuidkant van de kerkzaal een preekstoel die niet meer te gebruiken was. De kerk werd geheel gerestaureerd en uit de sloop van de grote kerk van Harlingen werd de kansel aangekocht (zie vorige artikel).

Tot 1832 bleef de kerk in gebruik. Daarna werd de eredienst gehouden in de nieuwe kerk welke in 1832 achter de dorpstoren werd gebouwd. 

Situatie van de kerk met het nagelegen Cammingha Slot en de tuinen daar om heen in Ballum.

 

Volgens het kadaster werd de kerk op het kerkhof afgebroken vóór 1838. Aangezien in het kadaster niet altijd direct wijzigingen werden vermeld, kan de kerk dus ook omstreeks 1833 afgebroken zijn.



 

 

VRIENDEN WORDEN

Word vriend van Amelander Historie! U ontvangt iedere maand onze historiekrant en krijgt een gratis e-book cadeau!