Het veekeringshek te Ballum

Het veekeringshek te Ballum

Voordat Ameland tegen de Waddenzee beschermd werd door de zeedijk waren de gronden buiten de dorpen verdeeld in een buitenweide, ‘De Grie’ en een binnenweide ‘De Miede’.  De buitenweide werd gebruikt als weidegrond voor het vee en was gemeenschappelijk bezit, de binnenweide werd gebruikt als hooi – en grasland en was particulier bezit.  Om te voorkomen dat het loslopende vee vanuit de buitenweide de binnenweide kon betreden waren de hooi – en graslanden beschermd door veekerende dijkjes opgezet met zoden en zeewier en aan de buitenzijde stijl opgezet. Aan de kant van de Waddenzee dienden deze dijkjes tevens als zeewering en waren dan hoger opgezet. Het veekeringshek zoals hier bij Ballum diende om te voorkomen dat het vee vanuit het de buitenweide in het dorp kon komen.

 

De buitenweiden werden bij extreem hoogwater overspoeld en voorzien van een vruchtbare laag slib, hier vind men dan ook de meeste zeeklei gebieden terwijl in de Miede nauwelijks klei wordt aangetroffen.

De Grieën waren voor algemeen gebruik, in de zomermaanden, van mei tot september, liep het vee hier vrij rond. In de herfst en winter als er meer kans voor overstro­ming was van deze onbedijkte Grieën heerste de zogenaamde vrijgang dan liep het vee vrij rond op de veiliger gras en hooilanden de binnenmie­de, zo werd het privé bezit tijdelijk opgeheven totdat in december het vee op stal kwam te staan. Ook rondom de dorpen treffen we met zoden opgebouwde dijkjes aan terwijl de toe­gangspaden naar de dorpen waren afgesloten door veekerende hekken. ­Deze hekken werden graag geopend voor de passant door de schooljeugd want dat leverde een cent op. Vaak liepen deze dijkjes door tot in de dorpen terwijl ook de akkergronden dicht bij de dorpen nog voorzien waren van een veekering in de vorm van de genoemde dijkjes. Op deze akkergronden werden erwten, bonen, haver, gerst en andere groenten geteeld. De gedeelten die niet beschermd werden door dijkjes werden voorzien van afschuttingen.  De dijkjes werden zorgvuldig bewaard en gecontroleerd door zogenoemde opzieners. 

In de herfst als alles is geoogst dan wordt ook de binnenweide vrijgegeven en wordt dan eveneens, zij het tijdelijk, algemene weide, zoals hierboven reeds is opgemerkt. Op dat moment­kon het vee dus ook in het dorp komen, het was dan zaak de luiken voor de ramen s=avonds dicht te doen om te voorkomen dat het vee met de kont door de ramen ging.

De binnenweide is verdeeld in achtendelen evenzo de dijkjes, een ieder moet het aantal achtende­len in de dijkjes onderhouden die hij heeft in de binnenweide. Indien men geen bezittingen heeft in de binnenweide mag men alleen tegen betaling vee laten lopen in de buitenweide.

Het vee in de buitenweide werd bewaakt door hoeders meestal schoolkinderen. Indien een koe ‘Speulsk’ was, en dus naar de stier moest, werd dit aan de eigenaar gemeld door de hoeders, dit leverde dan een stuk spek en brood op, als men honger had was de koe vaak ‘speulsk’

 

 

De Marke van Ballum

 

Voordat Ameland tegen de waddenzee werd beschermd door de, in 1910 aangelegde, zeedijk waren de gronden buiten de dorpen verdeeld in een buitenweide en een binnenweide. De buitenweide werd gebruikt als ‘gemeneweide’, dus voor gemeenschappelijk gebruik waar het vee vrij kon rondlopen, veelal onder de hoede van een herder.  De binnenweide, welke door dijkjes gescheiden werd van de buitenweide, diende als hooiland. De binnenweide of  ‘Miede’ was wel verdeeld onder de inwoners van het dorp en wel in 576 achtendelen verdeeld over de drie eggen n.l;  Foppen Eg,  Munk  Eg en Jelmer Eg. Elke hoeve had op verschillende plaatsen in de Miede een recht, tevens  vond verdeling periodiek opnieuw plaats  beiden  om tot een zo eerlijk mogelijke toewijzing van de kwaliteit van de grond te komen. Een ieder ide recht had in de verdeling van de Miede had tevens recht in de onverdeelde buitenweide, ‘De Grie’

 

De buitenweide werd tijdens extreem hoog water geregeld overspoeld door de zee waardoor een vruchtbare laag slib werd afgezet. In deze oude buitenweide vinden we dan ook de zeeklei die binnendijks niet of nauwelijks voorkomt.  We moeten hier een onderscheid maken tussen de veekerende dijkjes en de vee- en zeekerende dijkjes. Deze laatste vinden we hoofdzakelijk aan de zuidkant van de binnenweide waar de dreiging van de waddenzee het grootst was. De veekerende dijkjes vinden we langs de dorpen en zelfs in de dorpen kwamen ze voor. Ze diende zoals de naam aangeeft enkel en alleen om het vee te keren enerzijds uit de binnenweide maar ook uit de stukjes bouwland die overal, tot in het dorp, verspreid lagen. 

 

 

De Opzieners

 

De verantwoording voor de veiligheid en dus het onderhoud van de dijkjes lag bij de boeren of in ieder geval bij diegene die rechten c.q. eigendommen hadden in de Markegronden,  dus in deDe Miede’

De buitenweide of Grieën, die werden gebruikt als gemeenschappelijke weide waar het vee vrij rondliep, konden s’winters niet voor dit doel gebruikt worden wegens het gevaar van overstroming. Als van de binnenweide het laatste hooi geoogst werd dan gold hier de ‘vrijgang’. Het vee kon dan veilig in de binnenweide lopen, zo werd het privé bezit tijdelijk opgeheven voor het algemeen belang, de vrijgang duurde tot in december, dan werd het vee op stal geplaatst. Dit is dan ook de reden dat de akkergronden tot in het dorp met dijkjes beveiligd moesten worden tegen het loslopende vee. Op deze akkergronden werden erwten, bonen,haver gerst en andere groente verbouwd. Overigens werd ook aan de noordzijde, op de hoger gelegen grond akkerbouw gepleegd.

De dijken waren gemaakt van plaggen en zeewier. De plaggen of zoden mochten gestoken worden uit de gemeenschappelijk gronden, de buitenweide, waardoor hier  grote onbegroeide stukken land ontstonden.  De dijkcontrole had jaarlijks plaats in september, na de oogst en voordat de winterstormen begonnen, en werd uitgevoerd door de opzieners. 

Opzieners, ook wel rechters genoemd, werden periodiek gekozen

De voorschriften waaraan de boeren en opzieners moesten voldoen waren uitgebreid beschreven in het dijkenboekje.

 

 

Het dijkenboekje

 

Met betrekking tot de afmetingen ven de dijkjes wordt in de genoemde boekjes een verschil gemaakt tussen de dijkjes die naast een veekerende functie vooral  een zeewerende functie hebben gehad.  De voorschriften in de dijkenboekjes waren veelomvattend, zo  zijn in het dijkboekje van Hollum, de in 1837 vastgestelde instructies voor de opzieners van de boerenstand van Hollum en Ballum, bestaande uit 42 artikelen. Tevens is opgenomen de instructies voor de opzieners over de landerijen, dijken enz. te Hollum en Ballum, bestaande uit 21 artikelen. Deze instructies werden vastgesteld in 1838 ter vervanging van een oudere instructie.

Zoals uit de hieronder genoemde artikelen blijkt moeten de dijken die enkel als veekering moesten dienen, een hoogte hebben van één el en zestig duim. De buitenzijde van het dijkje werd stijl opgezet met zoden om het betreden van de dieren te voorkomen, de binnenzijde verliep glooiend. Het te vormen dijkje zoals dat aan de noordkant van Ballum gerealiseerd zal worden en als reconstructie van het verdwenen dijkje aldaar, moet dus een hoogte hebben van één el en zestig duim Om deze maten om te zetten in het huidige metrieke stelsel moeten we ons verdiepen in de geschiedenis van de oude maten. Een el is een lengtemaat die tot de invoering van het metriek stelsel, én nog vele jaren daarna, werd gebruikt. De Friese el was van 1504 – 1775 ongeveer 70,9 cm. daarna werd de Amsterdamse el ingevoerd met een lengte van 68,8 cm. van 1820 – 1870, na invoering van het metriek stelsel,  werd de el een meter, of liever de meter werd el genoemd!. Zo werd de metriek benaming voor 1 cm van 1820 – 1870 duim genoemd.

Het veekeringdijkje moet dus een hoogte hebben gehad van  ongeveer  1 meter  en zestig cm.

 

Dit was dus de hoogte die in de voorschriften  of instructies van 1837 werden vermeld.  In de lange tijd daarna zal het dijkje inklinken en de landrijen zijn opgehoogd zodat de hoogte in onze tijd niet veel meer zal zijn dan ca. 1.10 – 1.25 meter. Wil men nu een dijkje reconstrueren dan zal dus een  hoogte van 1.10 – 1.25 meter aangehouden moeten worden. Wel zal een reconstructie van een veekeringdijkje op dezelfde plaats moeten komen alwaar in het verleden ook een dergelijk dijkje heeft gelegen.                                                                                                         

 

Bijlage een drietal artikelen uit het dijkenboekje van Hollum en Ballum.

 

Art. 4

De dijken welke tot waterkering dienen zullen voorzien moeten zijn van goede voeten, opgemaakt van vaste zooden; dezelve zullen de hoogte van twee ellen vijftig duim boven gewoon volle zee moeten hebben, ter breedte van zestig duimen zooden aan de kruin; bij niet nakoming waarvan men telkenweize zal verbeuren een boete van zestig cents________________________________________________________________

 

Art. 6

Onder de hiervoren bedoelde dijken, zullen niet begrepen zijn de binnen dijken welke steeds de hoogte moeten hebben van een el zestig duim boven den voet derzelve; bij verbeurte eener boete als voren van zestig cents.

Art. 31

Het Opzigt over de landerijen dijken enz. zal opgedragen en toevertrouwd voor Hollum aan Zes bekwame mannen Landbouwers aldaar en voor Ballum aan drie zoodanige personen te Ballum woonachtig, welke tevens voor de rigtige nakoming van dit reglement zullen zorgdragen en den naam van Opzieners voeren, voormaals bekend onder die van Regters.____________________________________________________

 

 

 

De instructies voor de opzieners over de landerijen, dijken, waterlozingen, slagbomen en draaihekken van Buren geven een andere maat aan. In artikel  11 wordt bepaald:

 

Art. 11

De Buijten of zeedijken zullen moeten zijn ter hoogte van vijf voeten, en ter breedte boven aan de kop van anderhalf zood, bij verbeurte als bij het vorige artikel.

 

Art. 14

De binnendijken zullen moeten zijn ter hoogte van vier voeten, en ter breedte boven aan de kop van anderhalf zood, bij peene alsvoren.

 

Een voet is in het metrieke stelsel de Friese houtvoet of huistimmermansvoet en is 29,6 cm.  Het binnendijkje in Buren moest dus een hoogte hebben van       118,4 cm.