Amelander sage (2)

Amelander sage (2)

Petrus bij de hemelpoort

Er heerste in de hemel een vaste wet, dat ieder die éénmaal binnen was, nooit meer met geweld eruit verwijderd mocht worden. Hij kon alleen uit vrije wil teruggaan. Wat hield Petrus aan de poort strenge controle, en slechte lieden kregen geen kans om binnen te komen. Er waren wel veel Amelanders in de hemel maar nog geen enkele Terschellinger. Op zekere dag was er een Amelander schip in nood en drie mannen van een Terschellinger boot stapten aan boord, terwijl de bemanning het schip nog niet verlaten had. Men wist dat er veel geld aan boord was. Nu lag het in de bedoeling van de Terschellingers om vlug hun slag te slaan en het schip dan weer te verlaten. Maar de storm wakkerde zo snel aan, dat het schip verging en elk die aan boord was verdronk. De hele ploeg kwam voor de hemelpoort waar Petrus zoals gewoonlijk de wacht hield. De kapitein van het schip liep voorop en zei: "Hier zijn wij; wij willen wel naar binnen." "Wie zijn jullie?" vroeg de apostel. "Wij zijn Amelanders." De kapitein dacht er niet aan dat er ook nog drie Terschellingers in het gezelschap waren. "Amelanders worden altijd toegelaten.", zei Petrus, "Kom binnen!" Toen ze binnen de poort waren, vroeg Petrus enigszins verbaasd: "Met zijn hoevelen zijn jullie eigenlijk?" Hij had niet verwacht dat zo'n klein Amelander schuitje zoveel bemanning had. "Wel, met zijn vieren." "Dat klopt niet," antwoordde Petrus, "Ik tel er zeven." "O ja", zei de kapitein, "Er zijn ook nog drie Terschellingers op zee aan boord gekomen." Petrus wist geen raad. Daar zat hij met drie Terschellingers; hoe raakte hij ze ooit weer kwijt? Hij belegde een conferentie met de engelen, zonder resultaat, en legde het probleem tot slot aan aartsengel Gabriël voor. Deze fluisterde hem iets in het oor. Petrus liep de hemel weer door, zette de poort open en riep met luide stem:"Schip op 't strand, schip op 't strand!" De Amelanders bleven rustig waar ze waren, want zij hadden het nog nooit zo goed gehad in hun leven, maar de Terschellingers, die nooit aan iets anders hadden gedacht dan roven en stelen, stormden meteen in hun plunje de poort uit. Petrus sloot snel de deur en droeg in het vervolg extra zorg dat er geen Terschellinger meer binnen kwam.