Watervloed van 1825

28-05-2013 15:56

Reeds in de herfst van 1824 hadden de arme Amelanders door een plotseling opkomende storm 140 stuks rundvee verloren. In het daarop volgende jaar stond op 3 februari om tien uur `s ochtends al zo'n sterke westnoordwesten wind dat een met hout beladen kof op een binnenplaats geheel werd verbrijzeld terwijl die de avond tevoren door zeelieden was binnen gehaald. Rond half vier `s middags stond het water al op een ongewone hoge stand terwijl het nog maar laag water was. Om zes uur stonden de zomerweiden voor de beesten al onder het zeewater. En een uur later waren de dijken ten oosten en westen van Hollum niet meer tegen het hoge water bestand. Op verschillende plaatsen braken de dijken door met als gevolg dat de hooi- en de bezaaide korenvelden overstroomd werden. Al gauw stroomde het water de lager gelegen gebieden van Hollum binnen waardoor men ter nauwernood de beesten van de stallen moest halen om ze in veiligheid te brengen. Grote delen van de wegen waren door het opkomende water in onbruik geraakt.

 

Op 4 februari kwam het water niet zo hoog als de vorige dag maar het was niet minder verwoestend. De Amelanders misten 8 à 9 negen grote en kleine schepen waarvan er zeker 6 verbrijzeld waren. Eén schip was bij het dijkhuis te Holwerd beland en een andere was op het strand onder Peasens geworpen. De zeekerende dijken waren op een aantal plaatsen volledig vernield en de zandduinen aan de noordzijde waren op twee plekken overstroomd. Al met al waren in Hollum twee boerenschuren zwaar beschadigd, een stenen gevel van een huis stortte in en vele kleine huisjes en heiningen waren met de grond gelijk gemaakt of weggespoeld. Ballum en Nes hadden ook veel onder de storm te lijden gehad. Het water was op een hoogte gekomen zoals de bewoners nog nooit hadden meegemaakt. In veel huizen was het zeewater tot een aanmerkelijke hoogte (twaalf palmen=120cm) gekomen wat de bewoners noodzaakte hun onderkomen op hogere plaatsen te zoeken zoals de zolders. Veel gebouwen leden om die reden flinke schade. In Ballum verloor Douwe Metz (geb. 1769) rond de negentig schapen.

 

De gevolgen van de watervloed voor Ameland waren groot. Veel Amelanders kwamen zonder een onderkomen te zitten maar gelukkig vielen er geen slachtoffers. Veel waterputten waren door het zeewater onzuiver geworden waardoor het niet als drinkwater gebruikt kon worden. De landbouw werd zwaar getroffen doordat veel vee verdronken was en er veel landbouwgrond met duin- en zeezand bedekt was wat het land onvruchtbaar maakte. Daarnaast waren veel schepen kapot gegaan wat een zware aderlating voor de visserij betekende. Onder deze ongelukkige vissers bevonden zich Tjipke Sijbes Visser (1771-1836), Job Gerrits (1788-1866), Wijnand Cornelis (1776-1843), Jan Gosses (1760-1825) en Pieter Sent Lap (1768-1829). Doordat hun schepen met bezittingen waren venietigd, veloren ze hun vorm van bestaan en hadden hun gezinnen geen inkomen meer. Ook werd de tjalk van Dirk Everts (1787-1830) weggeslagen en de beurtscheepjes met andere vaartuigen van Hollum en Nes waren zeer beschadigd waaronder Jacob M. Ruiter (1758-1828) die zijn schip verloor. Een aantal families raakte zo in diepe armoede. Veel tijd voor berouw hadden de Amelanders echter niet. De dijken die de dorpen en land moesten beschermen waren niet alleen weggeslagen maar er waren ook twintig gaten van zes el (rond 4,5m) en minder diepte daarin gescheurd. Er moest dus het nodige onderhoud verricht worden. De duinen aan de noordkant waren steil en tot twaalf el (plm. 8m) hoog als een muur langs het strand.

 

Er wordt geschat dat het eiland in de honderd jaar vóór 1825 meer dan een kwart van zijn oppervlakte verloren is. Zo weidde de pachter van de Vogelkooi rond 1775 een twintigtal koeien, paarden en schapen op een weiland waarvan in 1825 niets over was. Tevens bestond het dorp Oerd in de 18e eeuw nog dat door verschillende vloeden en overstuivingen verdwenen is. Een oude vrouw kon in 1825 zich nog het laatste huis van het dorp herinneren. Veel bewoners van het dorp Oerd vestigden zich in Buren. Dit gehucht was al twee eeuwen (dus vóór 1825) in aanzien dankzij de meer dan 50 grote en kleine vaartuigen die de bewoners naar verluidt bezaten. Deze schepen voeren met name naar de Eider, Wezer en Elbe om daar te handelen. Door de watervloed van 1825 lagen de fundamenten van enkele huizen van het dorp Oerd, een paar waterputten en dat van een smederij bloot. Bij het graven vond men daar nog smidsgereedschappen én een bijzondere vondst namelijk een koperen legpenning uit 1584. Dit was geslagen als gevolg van het Besluit en de Maatregelen die door de Staten van Holland tegen de katholieken en jezuïeten genomen waren. Op de westkant van Ameland lag voorheen het dorp Sier waarbij ook verschillende grondvesten van gebouwen en munten gevonden zijn. Tot ver in de twintigste eeuw werden vondsten van het dorp Sier gevonden. Zie voor een mooi overzicht de website van wijlen Jan Bleeker.

Op deze uitvergroting van een kaart gemaakt door A.E. Perrenoud zien de we laatste twee huizen van het dorp Sier (zie L) die waarschijnlijk door de laatste twee bewoners Pieter en Claas van 't Sier bewoond zijn die daar in hun vroegere jaren aanwezig waren.

Bekijk hier de interactieve kaart met verdwenen dorpen in Nederland.

Pas met het aantreden van Daniël Wigbold Crommelin van Heeckeren als burgemeester van Ameland op 30 januari 1837 kwam er langzaam verandering in de bescherming van Ameland tegen het zeewater. Hij wilde snel orde op zaken stellen en maakte de provinciale- en rijksoverheid bewust van dit ernstige probleem. Zij begonnen een onderzoek en kwamen in 1841 met de conclusie dat in minder dan 31 jaar aan de zuidkant van Ameland over een afstand van twee kilometer ruim 270 meter grond was verspeeld. Het was duidelijk: op korte termijn moest er iets gebeuren. In 1843 werd begonnen om de zuidelijke oever van een stenen beschoeiing te voorzien. Bij Ballum werd begonnen met de oever aan te leggen en vandaar ging men naar Hollum en richting de Kooi voorbij Buren. Het karwei duurde vrijwel de gehele 19e eeuw en was de eerste stenen beschermlaag. Op korte termijn werd in 1846 en 1847 in de Ballumer Bocht een stroomgeleide steendam van 1200 meter aangelegd. Hiermee werd een deel van de dreiging en kracht van de Slenk ontnomen. Tot slot werd tussen 1846 en 1851 een Moldijk van 1100 meter aangelegd die het Noordzeewater tegen hield. Dit had als gevolg dat het eiland niet door de Slenk in tweeën zou worden gedeeld. Al met al zou er pas aan het begin van de 20e eeuw één grote dijk aan de zuidkant komen die goed weerstand tegen het water kon bieden.

Op deze topografische kaart uit 1927 zijn goed de stuifdijken te zien. Zie de rood onderstreepte lijnen met 'Ballumer Stuifdijk', 'Zwanewater Stuifdijk' en 'Slenkdijk'.

Maar ook nu kun je door middel van Google Maps de dijken nog onderscheiden.

Bronnen:

  • Beijer, J.C. 'Watersnood 1825', blz. 713-716;
  • Genealogische gegevens van P.J. Borsch & T. Borsch-de Boer;
  • Bakker, H. 'De geschiedenis van de Amelander waterschappen', (Drachten, 1999);
  • Leeuwen, J. 'Geschiedkundig tafereel van den watervloed en de overstroomingen in de provincie Vriesland', (1826).

Onderwerp: Watersvloed van 1825

Geen commentaar gevonden.

Nieuw bericht