Schipbreuk van ss Malmö

31-01-2013 22:00

Door Koos Molenaar

 

Onlangs verschenen er foto's van de schipbreuk van ss Malmö in 1928. Een duik in de geschiedenis:

Op 17 november 1928 woedt een zware storm over zee. Diverse schepen lijden schipbreuk. Boven Terschelling vergaat de tjalk De Noordster. De schipper, zijn vrouw en tien kinderen komen daarbij om. Op de Zuid-Westkust van Ameland spoelen een kinderwieg, een kinderwagen en speelgoed, en de volgende dag een kinderlijkje, aan. Benoorden Nes komt die vrijdagavond omstreeks tien uur het Zweedse stoomschip Malmö in de problemen. De Malmö, groot 3000 ton, is met een lading hout op weg van Finland naar Duinkerken. Door de storm gaat een groot gedeelte van de deklast overboord, waardoor de machine niet meer wil werken. Omdat de Malmö geen radio-installatie aan boord heeft wordt aan een in de nabijheid zijnd schip verzocht aan de kustwacht van Terschelling assistentie te vragen. Ook worden noodseinen verstuurd door het afsteken van vuurpijlen. Hierop wordt de bemanning van de roeireddingboot van Nes gealarmeerd. Omdat de paarden die voor de boot gespannen moeten worden nog vrij rondlopen in de ‘vrijgangweide’ en het al donker is, kan de boot niet zo vlug vertrekken. Als hij dan eindelijk met veel moeite in diep water is gebracht, raakt hij, als er een hoge roller komt aanzetten, vol water. Door deze roller wordt Hendrik Hofker buiten boord geslagen; hij wordt evenwel door de andere bemanningsleden snel bij de kraag gegrepen. De schipper bezeert bij deze actie zijn been. Tot overmaat van ramp raakt de reddingboot onklaar en drijft, door de harde westenwind voortgestuwd, de Malmö voorbij. Even later staat de boot met zijn druipnatte bemanning op het strand. Inmiddels is de wind heviger geworden. Hooge zeeën lopen van het Bornrif en beuken de Malmö, die richting en stuur verloren heeft en willoos aan de kokende zee is overgeleverd. In de avond slaat het schip boven Ameland op de gronden.


De toestand van de bemanning wordt voortdurend hachelijker. Het grootste deel der bemanning wil het wrak verlaten, waartoe de kapitein toestemming geeft. In allerijl wordt één van de boten gestreken. Om half elf ’s avonds verlaten veertien mannen op eigen verantwoording onder leiding van de eerste machinist het wrak. Er heerst volslagen duisternis. Huizenhoge golven nemen het bootje op en werpen het in de branding, die den opvarenden noodlottig wordt. De boot slaat om en een hardnekkige strijd met de woedende golven begint. Ieder voor zich vecht voor zijn leven. De schipbreukelingen worden in de zware stroom meegesleurd en oostwaarts gedreven. Een uur daarna zien ze elkaar bij Paal 17 eindelijk terug. Drie van hen overleven de tocht niet. Het zijn de hofmeester Persson, 36 jaar, afkomstig uit Thüringen (Zweden), de stoker Gran, 30 jaar, die enige dagen eerder in Karlskrona aan boord was gegaan, en de donkeyman, wiens naam onbekend is, 38 jaar, van Malmö, allen ongehuwd. Zij die wel levend land bereiken worden opgevangen door ‘omroeper’ Roelof Elgersma. Doordat hij de Zweedse taal enigszins machtig was, hij had veel gevaren, kan hij zich verstaanbaar maken. Heel anders vergaat het Hendrik Mosterman, die ook een paar drenkelingen opvangt. Hij moet met armgebaren zijn bedoelingen duidelijk maken. De mannen worden opgevangen en verpleegd in hotel De Boer.


Voor hen die op het wrak zijn achtergebleven wordt de toestand omstreeks middernacht zeer bedenkelijk. Intussen is de Insulinde, de eerste grote zelfrichtende motorreddingboot van staal ter wereld, vanuit Oostmahorn ter assistentie uitgevaren. Omstreeks half vier bereikt zij het wrak, doch het blijkt niet mogelijk bij de buitengewoon woelige zee de overige zes bemanningsleden te redden. Schipper Mees Toxopeus besluit te wachten tot het licht wordt. De storm is dan echter nog niet voorbij. Om tien uur zondagmorgen is de strijd met de golven het hevigst. Geweldige brekers rollen over het wrak, dat gevaarlijk begint over te hellen; de platen van de stuurhut breken al en men vreest dat het schip ieder ogenblik door midden zal breken. Toch slaagt de Insulinde er in dicht bij het wrak te komen. Op dat moment wordt een van de opstappers, de van Ameland afkomstige H. Jongsma, overboord geworpen. Hij houdt zich uit alle macht aan het hekwerk vast waardoor J. van der Meulen en K. Steegstra hem snel de boot in kunnen trekken.
Na vier vergeefse pogingen lukt het de Insulinde om naast de Malmö te komen en de zes resterende mannen aan boord te nemen. Het zijn kapitein Ingemansson, 38 jaar, eerste stuurman Danielsson, 33 jaar, tweede stuurman Holze, 24 jaar, tweede machinist Waxin, 37 jaar en de matrozen A. en B. Anderson, resp 38 en 18 jaar oud, allen afkomstig van Malmö. Zij zetten enige tijd later voet aan wal in Oostmahorn, waar zij worden ontvangen door burgemeester Sytsma van Oostdongeradeel en H. de Booy, secretaris van de Noord- en Zuidhollandsche Reddingmaatschappij.
Omdat op Ameland niet bekend is dat de Insulinde al is uitgevaren ondernemen de roeiers om kwart voor acht nog een poging. Het lukt ze echter niet om bij de Malmö te komen en om elf uur staan ze weer op het strand. Omdat niet alle Nessumers voor een tweede keer willen uitvaren, varen bij de tweede poging ook Hollumers mee. De boot wordt bemand door schipper Hofker en de roeiers George Kienstra, Hessel Kienstra, Jan Wagenaar, L. de Boer, D. de Boer, L. Postma, N. de Vries, E. Wagenaar en Dirk Tieman.


Tijdens een indrukwekkende plechtigheid worden die woensdagmiddag op de algemene begraafplaats in Nes, Gustaf Gran en Alfred Jönssen ter aarde besteld. Het lijk van Perssön is dan nog niet aangespoeld. Ds. Adriani en burgemeester Bolomey spreken woorden van troost en bemoediging tot de nabestaanden, die zover van hen verwijderd zijn. Een week na de stranding trachten veertien mensen de lading van de Malmö te bergen. Doordat de storm opnieuw komt opzetten wordt hun situatie kritiek. Ze roepen hulp in. Omdat de Insulinde niet beschikbaar is gaat Brandaris van Terschelling erop af. Zaterdagavond om tien uur komt deze bij het schip aan, maar kan geen hulp verlenen door de woeste zee. Diezelfde nacht doet ook de reddingboot van Nes, gedeeltelijk bemand met enige Hollumers onder wie schipper Harmen Visser, enige vergeefse pogingen. De toestand aan boord van de Malmö wordt steeds hachelijker. De redders doen de volgende morgen weer een poging, het is alles of niets. Het lukt Sybrand Hofker, Botte Neij, Dirk Roep, P. IJnsen, L. Kanger, J. de Vries, Tj. de Vries, H. Kienstra, J. Wagenaar en J. van der Noord, met grote inspanning naar het wrak te roeien. Ze redden alle verkleumde schipbreukelingen. Onder hen de kapitein van de Malmö, twee officieren, de heer Doeksen van de bergingsmaatschappij Doeksen en de Amelanders J. Beijaard, L. de Boer, D. Tieman en L. Postma. Zij hadden de gehele nacht op de brug doorgebracht, daar het schip verder geheel onder water ligt en waarschijnlijk als verloren kan worden beschouwd. De redders worden voor hun heldendaad elk beloond met een kistje sigaren, vergezeld van een waarderend schrijven, van baronesse van Welderen Rengers - van Harinsma thoe Slooten uit Leeuwarden. 
Het wrak blijft voor de kust liggen. In de winter ligt het vast in het ijs, een paar maanden later laten badgasten zich fotograferen met het schip op de achtergrond (zie foto).

Bronnen: Leeuwarder Courant en Het reddingswezen op Ameland van Jan Blaak.

 

VRIENDEN WORDEN

Word vriend van Amelander Historie! U ontvangt iedere maand onze historiekrant en krijgt een gratis e-book cadeau!