De laatste reis van een roeireddingboot

28-12-2013 23:06

Door Douwe de Boer

'De wagen van station Hollum vertoonde ouderdomsgebreken en werd vervangen door den reservewagen No. 23.De roeireddingboot van Ameland werd uitgerust met een koperen doosje, inhoudende een seinpistool met patronen voor het wisselen van seinen met motorreddingboten. In de afgelopen 25 jaar is het 12 keer voorgekomen dat roeireddingboten omsloegen. Daarbij kwamen 11 man om het leven, opm. de roeireddingboot van Hollum wordt hierbij niet vermeld. 

Voordat motorreddingboten bestonden, moesten wij booten hebben, die bij niet te holle zee door de branding van de 2e of 3e bank konden worden geroeid, en die ook lange tochten konden maken naar de gronden. Ook moest de boot langs het strand worden vervoerd. De tegenwoordige roeireddingboot dankt haar vorm en gewicht aan de noodzakelijkheid aan die eisen te voldoen. Bij hoge zee en z.g. ‘streek’ langs de kust zal onze roeireddingboot echter niets kunnen doen dan afwachten tot de gelegenheid  beter wordt als het schip op eenige afstand zit Niet alle schippers en bemanningen kunnen zich dan echter bedwingen. Dit is gemakkelijker op de eenzame stranden van de eilanden in wintertijd dan op het strand van de Noordzeekust, waar duizenden belangstellenden, die meest allen van de zee en wat men met een boot in kan doen, geen verstand hebben, het wachten voor een reddingbootbemanning zeer moeilijk maken. Thans, nu motorreddingboten bestaan, kan men niet meer met een roeireddingboot staan wachten op een betere gelegenheid. ‘Is er geen motorreddingboot,’ wordt er dan, terecht, gevraagd. Zit het schip ver weg dan zullen de grote motorreddingboten van IJmuiden en andere stations te hulp kunnen komen. Is de afstand kleiner, zodat de grote motorreddingboot het schip niet kan naderen, dan kan de motorstrandreddingboot dienst doen, als er een is. Ook deze zal wel eens moeten wachten op betere gelegenheid, maar lang niet zoo spoedig als de roeireddingboot, waarmede, als de afstand wat groot is, bijv. 2de bank en de zee hoog, de kans op redding gering en de kans op een ongeluk groot is. Wij zullen dan ook zeker voortgaan met de stationering van motorstrandreddingboten op de plaatsen die er voor in aanmerking komen, hoewel met deze modernisatie natuurlijk een groot bedrag is gemoeid.'

De bovenstaande passage is intergraal uit de 'Reddingboot' van 1936 overgenomen. Hieruit blijkt dat Hollum in die tijd nog een roeireddingboot had maar  de komst van een motorstrandreddingboot zou niet lang meer duren. Dat men aan een betere boot toe was, valt uit het volgende verhaal dat mijn vader me verteld heeft, op te maken. 

 

Het was 7 september 1936 een winderige dag en in de namiddag trok plotseling de wind aan en stak er een zware NWN storm op. Tijdens deze eerste herfststorm kwamen veel schepen in moeilijkheden. Tegen de avond joeg de wind de zee op en zware regenbuien stortten neer. Boven de witte branding hing een inktzwarte lucht waar bliksemflitsen onophoudelijk zichtbaar waren. Mijn vader was op dat moment thuis. Hij voer bij de VNS op de grote vaart en was vaak jarenlang van huis. Deze keer was hij even op Ameland en hielp zijn vader op de boerderij. Misschien was hij een paar koeien aan het melken toen het volgende zich afspeelde.

In dit noodweer strandde 'De Baltic', een Nederlandse motorschoener geladen met hout, op de koffieboonplaat. Zowel de motorreddingboot van Terschelling, ‘De Brandaris’ als ‘De Insulinde’ van Oostmahorn werden gealarmeerd en vertrokken onmiddellijk. Op beide schepen zaten ervaren en legendarische schippers, Dirk Tot op ‘De Brandaris’ en Mees Toxopeus op ‘De Insulinde’. Even later werd ook in Hollum alarm geslagen. Er was bericht van de vuurtorenwachter binnen gekomen die de noodseinen van een schip had gezien. De schipper Botte Neij werd gewaarschuwd en al snel lag de roeireddingboot op het strand.  Het was inmiddels halfzeven in de avond en door het slechtte weer aardedonker. De lancering verliep niet vlekkeloos de wielen zakten weg in de weke strandbodem en na de lancering moesten de dappere roeiers tegen de ‘vuile wind’ en zware branding proberen zich van het strand te verwijderen. Uiteindelijk kwam de boot de branding door en ging men op weg de duisternis tegemoet. Na uren roeien was er nog geen schim van het in nood verkerende schip waar te nemen. Over een bank vlakbij Terschelling kwamen enkele brekers over en de boot stond vol water. Er moest gehoosd worden want de boot driegde niet meer boven te komen. Op dat moment besloot de schipper een lichtsignaal te geven om van de bemanning van het in nood verkerende schip een reactie uit te lokken. Het was ongeveer tien uur `s avonds en ze zaten vlak boven het wrak. De dappere mannen hadden inmiddels drie en half uur aan de riemen getrokken. Enkele momenten later dook een schim uit de donkere nacht op die snel dichterbij kwam en de roeireddingboot voorbij stoof in een wolk van schuim: het was ‘De Brandaris’. Door ‘De Brandaris’ werden alle opvarenden, drie mannen en een vrouw gered. De reddingboot van Hollum kon onverrichte zaken huiswaarts keren. Mijn vader heeft altijd gezegd dat ze eerder bij het wrak zouden zijn aangekomen dan de Brandaris als de schipper geen lichtsignaal had gegeven. Opgelucht dat de mensen gered waren maar ook teleurgesteld dat hun afmattende reis voor niets was geweest, aanvaardden ze de zware terugreis. Gelukkig kwam men zonder zware ongelukken op het strand bij Hollum aan, het was inmiddels  tegen twaalf uur en de mannen hadden er ruim vijf uur roeien opzitten. Tijdens de terugreis kreeg de bemanning het nog eens te verduren met zware buien en harde wind terwijl de bliksem ook nog in de mast sloeg. Het kleine mastje op de roeireddingboot werd gebruikt om een zeiltje te hijsen. Wonder boven wonder lukte dit en zette de bemanning even later veilig voet aan wal. De prestatie van de Hollumers was zo groot dat zij van de reddingmaatschappij een dubbele vergoeding kregen!

foto van 'De Baltic' uit 1936 zien we het schip op het wad liggen

Op deze foto van 'De Baltic' uit 1936 zien we het schip op het wad liggen. (Foto: T. van der Made)

 

De dappere bemanning van de roeireddingboot naar ‘De Baltic’ bestond uit:

Botte Ney (schipper), Hendrik de Boer, Cor Bruin, Klaas Bruin, Sietse de Jong, Gijs Lap, Dirk Roep, A. Smit, Harmen Wijnberg en Piet IJnsen.

 

Gelukkig zouden de mannen op het station Hollum binnenkort een nieuwe boot krijgen. Deze motorreddingboot was in aanbouw bij de fa. Gebroeders Taats in Katwijk aan Zee. Deze boot zou de naam dragen van een van de oprichters van de N.Z.H.R.M: Abraham Fock. De eerste redding van deze nieuwe boot, die op 4 september 1937 officieel in gebruik werd genomen, was de zoekgeraakte ‘Scharrepeurder’ bij het Abt op 4 november 1937.

 

VRIENDEN WORDEN

Word vriend van Amelander Historie! U ontvangt iedere maand onze historiekrant! 
 
 

Onderwerp: De laatste reis van een roeireddingboot

Geen commentaar gevonden.

Nieuw bericht